Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:13687

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-12-2019
Datum publicatie
19-12-2019
Zaaknummer
C-09-584148-KG ZA 19-1155
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2020:1924, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Afwijzing gevorderde beëindiging of opschorting van de tenuitvoerlegging van een strafvonnis. Gestelde toezegging van c.q. afspraak met het Openbaar Ministerie dat strafrestant niet behoeft te worden uitgezeten niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/584148 / KG ZA 19-1155

Vonnis in kort geding van 19 december 2019 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [Gemeente] ,

eiser,

advocaat mr. L.J.H. Kortz te Utrecht,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Justitie en Veiligheid),

zetelend te Den Haag,

advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ' [eiser] ' en 'de Staat'.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

- de brief van [eiser] van 11 december 2019, met productie;

- de brief van de Staat van 11 december 2019, met producties;

- de op 13 december 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op 23 december 2019, welke datum nadien is vervroegd tot heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding - als onweersproken - van het volgende uitgegaan.

2.1.

In 2014 is - onder de naam ' [X] ' - een strafrechtelijk onderzoek gestart naar de handel in verdovende middelen en het witwassen door een crimineel samenwerkingsverband. [eiser] werd verdacht hiervan deel uit te maken.

2.2.

In het kader van dat onderzoek is [eiser] op 16 september 2015 aangehouden en vervolgens in voorlopige hechtenis genomen. Na een aanvankelijk beroep op zijn zwijgrecht, heeft [eiser] meerdere belastende verklaringen afgelegd, zowel over zichzelf als over zijn medeverdachten. In verband hiermee heeft de Hoofdofficier van Justitie een dreigingsinschatting laten uitvoeren ten aanzien van [eiser] . Op basis van de uitkomsten daarvan is [eiser] opgenomen in het zogenoemde "Stelsel bewaken en beveiligen" en zijn ten aanzien van hem beveiligingsmaatregelen getroffen.

2.3.

Na de schorsing van zijn voorlopige hechtenis in november 2016 gaf [eiser] aan dat hij in verband met de jegens hem bestaande dreiging naar het buitenland wil/zal vertrekken en dat hij voortaan voor zijn eigen veiligheid zal zorgen. Teneinde hem hierbij op weg te helpen is aan [eiser] eenmalig een geldbedrag verstrekt.

2.4.

Bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 1 augustus 2017 is [eiser] - na een 'eis' van de Officier van Justitie van 42 maanden gevangenisstraf - veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar, met aftrek van voorarrest. Met het oog op de strafmaat heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

"Ondanks het feit dat verdachte geen voor deze strafzaak relevant strafblad heeft, rechtvaardigen deze feiten op zichzelf zonder meer een flinke onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank overweegt hierbij dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren op zijn plaats is. De rechtbank zal daartoe in dit bijzondere geval niet overgaan en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft vrijwel meteen na zijn aanhouding zijn volledige medewerking verleend aan het lopende politieonderzoek en heeft in niet geringe mate bijgedragen aan het succesvol afronden ervan. Hij heeft meerdere belastende verklaringen over zichzelf en zijn medeverdachten afgelegd en heeft aldus in belangrijke mate bijgedragen aan het opsporingsonderzoek naar de betrokkenheid van de medeverdachten bij voornoemde strafbare feiten, die veelal niet of slechts summier hebben willen verklaren.

Verdachte heeft sterk nadelige gevolgen ondervonden door te verklaren zoals hij heeft gedaan, Door zijn verklaringen heeft hij serieuze bedreigingen ontvangen en om zichzelf in veiligheid te brengen heeft verdachte beschermende maatregelen van justitie in moeten roepen. Hierdoor is zijn leven drastisch veranderd. Verdachte is ruim 13 maanden voorlopig gehecht geweest en heeft zijn detentie, uit veiligheidsoverwegingen, onder uitermate beperkende omstandigheden moeten doorbrengen, hetgeen hem zeer zwaar is gevallen. Na de schorsing van deze hechtenis heeft hij als bedreigde verdachte zijn leefomgeving moeten verlaten en zal daar, naar het zich laat aanzien, voor langere tijd of misschien wel nooit meer terug, kunnen keren. Ter terechtzitting is gebleken dat voorgaande situatie nog steeds actueel is.

Gezien eerder geschetste bijzondere omstandigheden als ernstig bedreigde verdachte danwel gedetineerde, is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van voormelde duur geen rechtdoet aan een juiste rechtstoepassing. De rechtbank zal alles afwegende, verdachte veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren."

2.5.

[eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 1 augustus 2017, welk beroep hij nadien weer heeft ingetrokken.

2.6.

Tussen [eiser] en het Openbaar Ministerie heeft overleg plaatsgevonden over de (wijze van) executie van de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf.

2.7.

De Officier van Justitie is voornemens het - na aftrek van het voorarrest - resterende deel van de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf (ruim tien maanden) in twee gedeelten te executeren, en wel van 8 januari 2020 tot 15 juni 2020 en van 6 januari 2021 tot 14 juni 2021.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert de executie van het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 1 augustus 2017 stop te zetten, dan wel op te schorten, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] - samengevat - het volgende aan.

Vóór de behandeling van de strafzaak heeft het Openbaar Ministerie ('OM') [eiser] toegezegd dat hij - in verband met zijn coöperatieve houding in het strafrechtelijke onderzoek en zijn uitgebreide en nietsontziende verklaringen over zijn eigen rol en die van anderen, welke van levensbelang zijn geweest voor de bewijspositie van het OM - het restant van de hem opgelegde gevangenisstraf (na aftrek van het voorarrest) niet meer zal behoeven uit te zitten. Het OM komt deze afspraak echter - ten onrechte - niet na, waarmee het onrechtmatig handelt jegens [eiser] . Gelet hierop moet de tenuitvoerlegging van het vonnis van 1 augustus 2017 worden beëindigd. Voor zover dit niet aan de orde kan zijn moet de executie worden opgeschort. Dit biedt [eiser] de mogelijkheid om aan te dringen op de niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de nog tegen hem aanhangige ontnemingszaak. De kans dat de rechtbank daartoe ook zal overgaan is zeer reëel, wat vervolgens de basis zou kunnen vormen voor een herzieningsverzoek van [eiser] bij de Hoge Raad met betrekking tot zijn - bij vonnis van 1 augustus 2017 - afgehandelde strafzaak. Bij een gegrondverklaring van dat herzieningsverzoek zal de strafzaak van [eiser] opnieuw worden behandeld door een andere rechtbank, waarmee de onherroepelijkheid van het vonnis van 1 augustus 2017 komt vervallen.

3.3.

De Staat voert verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

In het onderhavige geschil staat centraal de vraag of het OM op grond van een toezegging van c.q. een afspraak met [eiser] - vooralsnog - gerechtigd is de resterende gevangenisstraf, die [eiser] op 1 augustus 2017 is opgelegd, ten uitvoer te leggen, wat het OM voornemens is op de onder 2.7 vermelde wijze.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat in het wettelijk stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag, maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. Die executieplicht van het Openbaar Ministerie lijdt enkel uitzondering voor zover de wet daartoe een grondslag biedt of een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, waarmee de strafrechter bij zijn beslissing geen rekening heeft kunnen houden, tot de slotsom dwingt dat de beslissing op een zodanige wijze tot stand is gekomen dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke behandeling van de zaak zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. Een wettelijke uitzondering en/of een uitspraak in laatstbedoelde zin zijn/is gesteld noch gebleken. Voorts kan een - ongewisse afloop van een - nog in te dienen herzieningsverzoek niet in de weg staan aan de uitoefening van de executieplicht van het OM.

4.3.

Daar komt bij dat de Staat de door [eiser] gestelde toezegging/afspraak gemotiveerd heeft weersproken, terwijl het bestaan ervan niet kan worden afgeleid uit de door [eiser] als producties 4 tot en met 8 overgelegde producties. Hieruit kan in feite enkel worden afgeleid dat [eiser] en het OM afspraken dat het resterende deel van de gevangenisstraf in twee delen zal worden ten uitvoer gelegd, zoals het OM ook van plan is. Tot deze conclusie leiden ook de door de Staat - als productie 3 - overgelegde WhatsAppberichten. Hierin geeft [eiser] zelfs verschillende keren uitdrukkelijk aan dat hij zijn straf zal gaan 'uitzitten', terwijl daarin geen aanknopingspunten zijn te vinden dat hij daarop terugkomt. Voorts brengen - mede gelet op hetgeen de Staat dienaangaande heeft aangevoerd - de omstandigheden dat [eiser] is opgenomen in het "Stelsel Bewaken en Beveiligen" en dat aan hem een geldbedrag ter beschikking is gesteld niet - zonder meer - mee dat moet worden uitgegaan van de door [eiser] gestelde toezegging/afspraak. Ook de door [eiser] overgelegde brief van zijn voormalige advocaat, mr. [A] , van 6 december 2019 kan hem - mede bezien in het licht van hetgeen onder 4.2 is overwogen - niet baten. Het is immers de rechter die gaat over de strafoplegging, terwijl het OM - behoudens in uitzonderingssituaties, die zich hier niet voordoen - verplicht is een opgelegde straf te executeren.

4.4.

Voor zover [eiser] heeft beoogd te stellen dat sprake is van een afspraak in de zin van artikel 226g van het Wetboek van strafvordering, moet daaraan reeds worden voorbijgegaan, omdat gesteld noch gebleken is dat is voldaan aan de daaraan in de leden 1 tot en met 3 gestelde voorwaarden. Met betrekking tot - vermeende - afspraken zoals bedoeld in lid 4 van dat artikel wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen.

4.5.

Op grond van het voorgaande kan in het beperkte bestek van dit kort geding de door [eiser] gestelde toezegging/afspraak niet voor juist worden gehouden. Daarvoor is nader en grondiger onderzoek nodig, waarvoor deze procedure zich niet leent.

4.6.

De slotsom is dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

4.7.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.619,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 639,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2019.

jvl