Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1342

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-02-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
C/09/557512 / FA RK 18-5549
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2019:2778
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie: lotsverbondenheid & grievend gedrag. De vrouw heeft voor de man belastende e-mails doorgestuurd aan de werkgever van de man. De man is daarna ontslagen. De man verzoekt nu beëindiging van de door hem aan de vrouw te betalen partneralimentatie. Hoewel de rechtbank het gedrag van de vrouw – dat voor de man concrete en vergaande nadelige gevolgen heeft gehad – grievend vindt, is zij van oordeel dat deze handeling niet zodanig grievend is dat hierdoor de lotsverbondenheid tussen partijen is verbroken. De rechtbank acht hierbij van belang dat de vrouw de man niet valselijk heeft beschuldigd en op die manier in een kwaad daglicht heeft gesteld, maar dat vaststaat dat de man zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan het verkopen van producten van zijn werkgever aan klanten van zijn werkgever, waarbij hij de opbrengst zelf heeft gehouden.

De rechtbank is van oordeel dat de lotsverbondenheid tussen de man en de vrouw niet is vervallen en ziet geen aanleiding om de door de man te betalen partneralimentatie te matigen of te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0087
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 18-5549

Zaaknummer: C/09/557512

Datum beschikking: 8 februari 2019

Alimentatie

Beschikking op het op 27 juli 2018 ingekomen verzoek van:

[Y] ,

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. L.J.W. Govers te Zoetermeer.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[X]

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg te Leidschendam.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift van de man;

  • -

    het verweerschrift van 20 september 2018 van de vrouw;

  • -

    het F9-formulier van 13 december 2018, met bijlage, van de zijde van de man.

Op 11 januari 2019 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en de vrouw bijgestaan door hun advocaten.

Van de zijde van de man is tijdens de zitting een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 8 november 2018 overgelegd.

Feiten

- De man en de vrouw zijn gehuwd geweest van [huwelijksdag] 2001 tot [scheidingsdag] 2015.

- Zij zijn de ouders van de jong-meerderjarige [minderjarige] geboren op [geboortedag] 2000 te [geboortedatum] .

- Bij beschikking van deze rechtbank van 5 oktober 2015 is de echtscheiding uitgesproken en is bepaald dat het door de man en de vrouw opgestelde echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking.

- Bij beschikking van deze rechtbank van 2 februari 2018 is – met wijziging in zoverre van de beschikking van 5 oktober 2015 – :

- de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 1 februari 2018 bepaald op € 399,- per maand;

- de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 februari 2018 bepaald op € 796,- per maand.

- Als gevolg van de wijziging van rechtswege ingevolge artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de door de man te betalen alimentatie voor [minderjarige] nu afgerond € 407,- per maand en bedraagt de door de man te betalen partneralimentatie nu afgerond € 812,- per maand.

Verzoek en verweer

De man verzoekt – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – :

de door de man aan de vrouw verschuldigde partneralimentatie met ingang van

1 juli 2018, althans met een zo vroeg mogelijke datum als de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht te beëindigen, althans te beslissen zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht;

de vrouw in de proceskosten te veroordelen, althans te beslissen zoals de rechtbank

in goede justitie juist en redelijk acht.

De vrouw voert verweer dat hierna zal worden besproken.

Beoordeling

Alimentatie

De man verzoekt de partneralimentatie te beëindigen. De man heeft ter onderbouwing van dit verzoek het volgende aangevoerd. De man was voorheen werkzaam als accountmanager bij [bedrijfsnaam] . De vrouw – die blijkbaar op de hoogte was van het e-mailadres en het wachtwoord van de man – heeft zonder toestemming en medeweten van de man ingelogd op het e-mailaccount van de man. De vrouw heeft e-mails aangetroffen die de man heeft verstuurd naar bestaande klanten van [bedrijfsnaam] , waaruit volgens de man blijkt dat hij producten van zijn werkgever, nadat hij ze had gereviseerd, heeft doorverkocht, zonder de opbrengst aan zijn werkgever af te staan. De vrouw heeft de werkgever van de man hiervan op de hoogte gebracht door vanuit haar eigen e-mailaccount op 1 mei 2018 en op 7 mei 2018 deze e-mails door te sturen naar het e-mailadres van de werkgever van de man met de mededeling ‘Graag doorsturen naar dhr [A] en [B] ’ en ‘Graag doorsturen naar Dhr [A] ’. De man stelt dat de vrouw hiermee doelbewust en willens en wetens schade aan de man heeft willen berokkenen. De vrouw wist of had moeten weten dat zij hiermee ernstige schade aan de man zou toebrengen. De vrouw had zichzelf dan ook van deze buitengewoon ernstige gedragingen moeten weerhouden. De man is door de handelwijze van de vrouw in een kwaad daglicht gesteld bij zijn werkgever, wat uiteindelijk zelfs heeft geleid tot zijn ontslag op 11 mei 2018. Dit handelen heeft verder ook emotionele consequenties gehad voor de man en voor zijn goede naam. De man heeft op 27 september 2018 aangifte gedaan tegen de vrouw wegens smaadschrift. De man stelt dat onder deze omstandigheden van hem in redelijkheid nier meer gevergd kan worden dat hij partneralimentatie aan de vrouw voldoet. Door het grievende gedrag van de vrouw is van lotsverbondenheid namelijk geen sprake meer, aldus de man.

De vrouw erkent dat zij de bewuste e-mails – zonder verder commentaar – heeft doorgestuurd aan de werkgever van de man. De vrouw betwist dat zij hiermee grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond. Bovendien was er geen sprake van een doelbewuste actie om de man schade te berokkenen. De vrouw meent dat de enkele omstandigheid dat de vrouw de werkgever van de man informatie zendt over onrechtmatig handelen van de man zelf niet met zich meebrengt dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw eindigt. De vrouw betwist dan ook dat er gronden zijn om de alimentatieverplichting van de man geheel of deels te beëindigen.

De rechtbank overweegt als volgt. Bij de beantwoording van de vraag of van een gewezen echtgenoot een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de andere echtgenoot kan worden gevergd en zo ja, tot welk bedrag, moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder vallen ook niet-financiële factoren, zoals gedragingen van de (ex)echtgenoot die een bijdrage wenst. In uitzonderlijke gevallen kan worden geconcludeerd dat aan de lotsverbondenheid tussen ex-echtgenoten – welke lotsverbondenheid de grondslag vormt van de onderhoudsverplichting zoals bedoelt in artikel 1:157 BW – een einde is gekomen omdat de één zich zodanig grievend jegens de ander heeft gedragen dat in redelijkheid betaling van partneralimentatie niet langer gevergd kan worden. Grievend gedrag van de ene ex-echtgenoot tegenover de andere ex-echtgenoot kan dus aanleiding zijn om de onderhoudsverplichting te beëindigen, maar kan ook tot gevolg hebben dat de onderhoudsverplichting wordt gematigd. Bij de beoordeling of een zodanige situatie zich voordoet dient terughoudendheid te worden betracht, mede gelet op het onherroepelijke karakter van een beëindiging of matiging. Bovendien is niet iedere vorm van wangedrag of grievend gedrag aanleiding om de onderhoudsverplichting te beëindigen of te matigen.

De rechtbank stelt voorop dat vaststaat dat de vrouw de bewuste e-mails heeft doorgestuurd aan de voormalig werkgever van de man. De rechtbank is van oordeel dat dit gedrag van de vrouw op zichzelf grievend is. De vrouw had naar het oordeel van de rechtbank geen inbreuk mogen maken op de privacy van de man door zichzelf toegang te verschaffen tot zijn e-mailaccount, om vervolgens voor de man belastende e-mails door te sturen aan zijn werkgever. De vrouw had moeten beseffen dat door het versturen van de e-mails het risico bestond dat het dienstverband van de man, en daarmee zijn inkomen, direct in gevaar zou kunnen komen. Deze handeling heeft vervolgens ook daadwerkelijk nadelige consequenties gehad voor de man. Gebleken is dat de man op 7 mei 2018 is geschorst, waarna hij op 11 mei 2018 met onmiddellijke ingang is ontslagen. De man is momenteel – nadat hij in de periode na zijn ontslag een tijdelijk dienstverband heeft gehad – weer op zoek naar een nieuwe baan.

De rechtbank dient vervolgens antwoord te geven op de vraag of de handeling van de vrouw dusdanig grievend is jegens de man dat hierdoor de lotsverbondenheid tussen hen is verbroken en van de man in redelijkheid niet (meer) kan worden gevergd in het levensonderhoud van de vrouw te voorzien. Hoewel de rechtbank het gedrag van de vrouw – dat voor de man concrete en vergaande nadelige gevolgen heeft gehad – grievend vindt, is zij van oordeel dat de eenmalige handeling (de rechtbank ziet het sturen van de twee e-mails kort na elkaar als één handeling) van het doorsturen van belastende e-mails niet zodanig grievend is dat hierdoor de lotsverbondenheid tussen partijen is verbroken. De rechtbank acht hierbij van belang dat de vrouw de man niet valselijk heeft beschuldigd en op die manier in een kwaad daglicht heeft gesteld, maar dat vaststaat dat de man zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan het verkopen van (door hem gereviseerde) producten van zijn werkgever aan klanten van zijn werkgever, waarbij hij de opbrengst zelf heeft gehouden. In zoverre gaan de verwijzingen naar de aangehaalde jurisprudentie niet op, nu het daar veelal situaties betrof waarin sprake was van valse meldingen. De rechtbank weegt in de beoordeling ook mee dat ter zitting is gebleken dat het ontslag van de man op staande voet uiteindelijk is omgezet in een beëindiging van de arbeidsovereenkomst in onderling overleg, zodat de man aanspraak kan maken op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, zodat de schade van de handeling van de vrouw ook minder ingrijpend is dan in eerste instantie is gesteld.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank dus van oordeel dat de lotsverbondenheid tussen de man en de vrouw niet is vervallen en ziet zij geen aanleiding om de door de man te betalen partneralimentatie te matigen of te beëindigen. De rechtbank zal het verzoek van de man afwijzen.

Proceskosten

De man verzoekt de vrouw te veroordelen in de proceskosten. De man stelt dat het alleszins redelijk is dat de vrouw – gelet op haar wangedrag en het feit dat zij niet vrijwillig haar rechten op partneralimentatie wenst op te geven, terwijl overduidelijk is dat zij de man heeft verraden – in de proceskosten wordt veroordeeld.

De vrouw is van mening dat er geen reden is om haar in de proceskosten te veroordelen.

De rechtbank ziet in hetgeen de man heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt in familierechtelijke zaken dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, te meer nu het verzoek van de man wordt afgewezen. De rechtbank zal het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen in de proceskosten dan ook afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af de verzoeken van de man;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. Sluymer, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M. Verkerk als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 februari 2019.