Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:13405

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-11-2019
Datum publicatie
20-12-2019
Zaaknummer
NL18.22694
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel Wit-Rusland. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van de code in zijn militaire boekje in zijn geheel geen werk zou kunnen verkrijgen of een opleiding kan volgen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.22694


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. N. Brands),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.


Procesverloop
Bij besluit van 31 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, plaatsgevonden op 17 september 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen N. Epstein. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Belarussische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op

[geboortedatum] 1996.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en Wit-Rusland heeft verlaten vanwege de situatie daar ten aanzien van LHBT-ers. Eiser heeft verklaard dat hij zich sinds zijn vijftiende of zestiende levensjaar begon te realiseren dat hij homoseksueel is. Eiser heeft tijdens zijn middelbare schooltijd een zware tijd gehad. Hij werd gepest en is een paar keer mishandeld. Daarnaast heeft eiser verklaard door de bevolking discriminatoir te zijn behandeld. Hij is via social media door onbekende mensen mondeling beledigd en bedreigd. Ook is hij af en toe op straat of op de universiteit beledigd. Eiser heeft verklaard dat hij geprobeerd heeft om aangifte te doen van de mishandelingen op de middelbare school, maar de politie heeft geweigerd daar iets mee te doen. Daarnaast heeft eiser verklaard dat er in Wit-Rusland een wet bestaat die kinderen moet beschermen tegen homoseksuele propaganda. Daardoor kan eiser op straat zijn geaardheid niet uiten, omdat kinderen het anders kunnen zien. Ook kan eiser niet op straat met een LHBT vlag. Verder heeft eiser verklaard dat hij een activist is. Hij heeft informatie geschreven en gedeeld op social media en meegedaan aan demonstraties. Ook heeft eiser openhartig gesproken over zijn geaardheid. Hij schreef over de gebeurtenissen en discriminatie in zijn land en riep op tot het samenkomen op straat. Voorts heeft eiser verklaard dat er na een deelname aan een demonstratie door de officier van justitie een brief naar de universiteit is gestuurd over de deelname aan de demonstratie en dat eiser daarop van de universiteit is gestuurd. Tot slot heeft eiser verklaard dat hij is afgekeurd voor de militaire dienstplicht vanwege zijn geaardheid. Zijn geaardheid wordt gezien als een psychische aandoening, waardoor eiser problemen ondervindt bij het vinden van werk, het verkrijgen van een rijbewijs en niet wordt toegelaten tot bepaalde studies aan de universiteit.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

1. nationaliteit, identiteit en herkomst;

2. de seksuele geaardheid van betrokkene;

3. discriminatoire behandeling door de bevolking;

4. discriminatoire behandeling door de autoriteiten in het verleden;

5. eiser is LHBT-activist;

6. eiser is naar aanleiding deelname aan een demonstratie van school gestuurd;

7. eiser is afgekeurd voor militaire dienstplicht vanwege zijn geaardheid en wordt vanwege deze afkeuring uitgesloten van werk, rijbewijs en onderwijs.

4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de algemene situatie van LHBTI in Wit-Rusland en de persoonlijke situatie van eiser geen grond bieden om aan te nemen dat eiser gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Verweerder heeft in het voornemen de elementen 1 tot en met 4 geloofwaardig geacht. Element 5 acht verweerder deels geloofwaardig, met de kanttekening dat eiser op zeer kleine schaal actief is geweest en daarom niet als een activist kan worden aangemerkt. Verweerder acht element 6 niet geloofwaardig, omdat uit de verklaring van eiser volgt dat hij van school is gestuurd omdat hij het vak Engels niet heeft gehaald. Dat eiser van school is gestuurd vanwege zijn geaardheid is niet aannemelijk gemaakt. Verweerder acht ook element 7 ongeloofwaardig. Uit het militaire boekje van eiser volgt dat hij op 5 oktober 2017 als reservist geregistreerd is wegens slechte gezondheid. Uit het militaire boekje volgt niet wegens welke medische reden eiser als reservist staat geregistreerd, laat staan dat er bij eiser een persoonlijkheidsstoornis is geconstateerd. Eiser heeft op dit punt tegenstrijdig verklaard. Immers, eiser heeft verklaard dat werkgevers kunnen zien dat hij een psychische aandoening heeft, waardoor ze hem niet willen aannemen. Uit het militaire boekje kan echter niet worden opgemaakt dat eiser een psychische aandoening heeft. Eiser heeft bovendien op geen enkel wijze aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn geaardheid is uitgesloten van de dienstplicht. Eiser wordt daarom door verweerder niet gevolgd in zijn stelling dat hij vanwege zijn geaardheid is uitgesloten van het vinden van werk, het verkrijgen van een rijbewijs en het volgen van onderwijs.

5. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eiser stelt dat hij als LHBT-er behoort tot een groep die in Wit-Rusland een reëel risico loopt op ernstige schade. Dit volgt uit de overgelegde brief van VluchtelingenWerk Nederland van 25 oktober 2018, een artikel van het UNHCR van 2 juli 2019 en het rapport van de Federal Office for Migration and Refugees uit Duitsland. Verder voert eiser aan dat in zijn militaire boekje ‘code 19’ is opgenomen. Onder die code vallen stoornissen in de seksuele voorkeur en seksuele identiteitsstoornissen. Mensen met een dergelijke code ondervinden daarvan problemen zoals bij het vinden van een baan en het verkrijgen van een rijbewijs. Eiser stelt dat het aannemelijk is dat hij problemen ondervindt vanwege de code, mede vanwege de zorgelijke positie van LHBT-ers in Wit-Rusland. Zo heeft eiser vanwege de code enkel illegaal werk kunnen vinden. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser geen problemen heeft ondervonden doordat deze code in zijn militair boekje is opgenomen.

Verder stelt eiser, anders dan verweerder, dat hij (openlijk) activist is. Eiser benadrukt dat hij als activist, met een LHBTI aantekening in zijn militaire boekje, extra risico loopt op ernstige schade.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij als gevolg van de code in zijn militaire boekje, waaruit zijn seksuele voorkeur blijkt, problemen heeft ondervonden bij sollicitaties en het vinden van een studie. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij als man bij elke officiële aanvraag het militair boekje erbij moet doen. Zo ook bij een toelating tot een opleiding en bij het aanvragen van een rijbewijs. Het militair boekje kan ook worden gebruikt als iemand zijn paspoort niet bij zich heeft en die persoon alcohol of sigaretten wilt kopen. Het is een officieel document.

6.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit een ander standpunt inneemt over hetgeen is opgenomen in het militaire boekje van eiser dan in het voornemen (zoals onder r.o. 4 weergegeven) en de verweerschriften van 13 augustus 2019 en

9 september 2019.

In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat:

“Desalniettemin wordt het geloofwaardig geacht dat in het militaire boekje van betrokkene niet alleen de afkeuring op medische gronden, maar ook zijn seksuele geaardheid wordt vermeld. ” (onderstreping rechtbank)

In de verweerschriften stelt verweerder zich ten aanzien van de code in het militaire boekje op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt onder welke categorie hij valt, namelijk:

- grillige compensatie van persoonlijkheids- en gedragsstoornissen, of;

- stoornissen betreffende de seksuele identiteit en seksuele voorkeur.

Hierbij is tevens vermeld dat verweerder in het bestreden besluit een subsidiair standpunt heeft ingenomen, voor zover ervan uit moet worden gegaan dat in het militaire boekje van eiser ook zijn seksuele gerichtheid is opgenomen. De rechtbank is echter van oordeel dat in de hierboven weergegeven overweging uit het bestreden besluit niet blijkt dat dit een subsidiair standpunt is. Verweerder heeft in het bestreden besluit zonder voorbehoud geloofwaardig geacht dat het militaire boekje van eiser ook zijn seksuele geaardheid vermeldt. De rechtbank overweegt dat verweerder niet heeft onderbouwd waarom hij in de verweerschriften een nieuw standpunt heeft ingenomen ten aanzien van hetgeen is opgenomen in het militaire boekje van eiser.

6.3

De rechtbank acht voorts van belang dat in het overgelegde rapport van VluchtelingenWerk Nederland van 25 oktober 2018 melding wordt gemaakt van een zelfde soort zaak als die van eiser. VluchtelingenWerk verwijst naar een artikel op de website UK Gaynews (januari 2009), waarin - kort samengevat - is opgenomen dat een homoactivist toch niet hoefde te dienen in het leger. De militaire autoriteiten vertelde hem dat hij een speciale aantekening kreeg dat hij niet kan dienen wegens zijn manier van leven.

6.4

De rechtbank overweegt voorts dat verweerder eiser heeft tegengeworpen dat hij, ondanks de aantekening in het militaire boekje, gewerkt heeft bij de McDonalds, in een club en (onofficieel) als verkoper van vloeistof voor elektronische sigaretten.

Eiser stelt echter terecht dat hij in het nader gehoor juist heeft verklaard dat hij bij McDonalds niet is aangenomen vanwege zijn psychische aandoening, zie pagina 36 van het nader gehoor. Op pagina 11 van het nader gehoor verklaart eiser dat hij gedurende een jaar geen baan kon vinden, anders dan bij een homoclub in de bediening maar deze baan moest eiser opgeven wegens rugklachten.

6.5

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet aan de hand van individuele feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van deze code in zijn militaire boekje in zijn geheel geen werk zou kunnen verkrijgen dan wel geen opleiding zou kunnen volgen.

Daarbij is tevens van belang dat eiser openlijk homoseksueel is en zich op (kleine) schaal heeft ingezet voor de rechten van LHBT-ers.

6.6

Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit wordt vernietigd omdat dit niet berust op een deugdelijke motivering zoals bedoeld in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op de aanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,-).

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. van Limpt, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.