Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1339

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
NL19.1322, NL19.1371
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ibs tkb & irv; zowel het beroep tegen de maatregel van bewaring als het beroep tegen het inreisverbod gegrond. Het proces-verbaal van gehoor van eiser is identiek aan het proces-verbaal van gehoor van een andere vreemdeling. Uit een aanvullend proces-verbaal blijkt dat het overgelegde proces-verbaal van gehoor niet op eiser ziet, maar op de andere vreemdeling. Er is dus geen proces-verbaal van gehoor van eiser. Dit kan niet worden hersteld door het (achteraf overgelegde) aanvullend proces-verbaal. De rechtbank kan daardoor niet toetsen of voldaan is aan de vereisten voor de motivering van een inreisverbod en een maatregel van bewaring (in het kader van een evt. lichter middel). Zo kan o.a. niet worden getoetst of er gevraagd is naar eisers bijzondere omstandigheden. Het inreisverbod is daarom in strijd met artikelen 4:8 en 3:46 Awb. De maatregel van bewaring is in strijd met artikel 59c Vw en artikel 3:46 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL19.1322 en NL19.1371


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. Y.M. Schrevelius),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Dijcks).


Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2019 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld. Dit beroep strekt van rechtswege ook tot toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 23 januari 2019 de maatregel van bewaring opgeheven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Ter zitting is het onderzoek geschorst en het vooronderzoek heropend om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere uitleg en informatie te geven over het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling. Verweerder heeft op 4 februari 2019 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Eiser heeft op 5 februari 2019 gereageerd en daarbij gronden aangevoerd. De rechtbank heeft verweerder vervolgens in de gelegenheid gesteld te reageren op die gronden. Verweerder heeft op 7 februari 2019 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Partijen hebben op dezelfde dag toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek op 8 februari 2019 gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van bestreden besluit 1

1. Eiser voert aan dat het inreisverbod onrechtmatig is, omdat er sprake is van een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. Het proces-verbaal van gehoor van eiser van 19 januari 2019 om 10.35 uur is identiek aan het proces-verbaal van gehoor in de zaken [X] (NL19.1326 en NL19.1372) van 19 januari 2019 om 10:14 uur. Daardoor is niet gebleken dat eiser bijzondere omstandigheden kon aanvoeren om van het inreisverbod af te zien, dan wel de duur daarvan te verkorten. Dit motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek kan niet hersteld worden door het proces-verbaal van bevindingen van 31 januari 2019 van adjudant-onderofficier [naam]. In dat proces-verbaal worden alleen algemeenheden genoemd in plaats van specifieke individuele omstandigheden.

1.1.

Uit artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat een belanghebbende in de gelegenheid moet worden gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, voordat het bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben. Het terugkeerbesluit en inreisverbod geldt als een dergelijke beschikking, waardoor de vreemdeling gehoord moet worden voorafgaande aan het uitvaardigen daarvan.

Op grond van artikel 3:46 van de Awb moet een besluit berusten op een deugdelijke motivering. Tijdens het gehoor voorafgaande aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit en inreisverbod moet de vreemdeling daarom in de gelegenheid worden gesteld individuele omstandigheden aan te voeren die kunnen leiden tot het afzien van het inreisverbod dan wel het verkorten van de duur daarvan.

1.2.

De rechtbank stelt vast dat de onder 1 genoemde processen-verbaal van gehoor daadwerkelijk geheel gelijk zijn.

Adjudant-onderofficier [naam] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen toegelicht dat het proces-verbaal van gehoor in de zaken [X] abusievelijk bij het proces-verbaal van gehoor in de zaken van eiser is geplaatst. Over het gehoor van eiser verklaart [naam] dat eiser duidelijk zijn zienswijze heeft kunnen geven. Volgens [naam] heeft eiser toen aangegeven dat hij niets meer wenste te verklaren en dat hij niet blij was met de situatie.

1.3.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat er geen proces-verbaal van gehoor van eiser is. Daardoor kunnen de gemachtigde van eiser en de rechtbank niet toetsen of eiser op de hoogte is gesteld van wat het inreisverbod inhoudt en dat hij in dat kader bijzondere omstandigheden kan aanvoeren. Ook kan daardoor niet getoetst worden of hem specifiek hierop gerichte vragen zijn gesteld, zoals de vraag of eiser familie in Europa heeft en de vraag of hij zakelijke belangen in Europa heeft. Eventuele antwoorden op die vragen kunnen ook niet getoetst worden.

Het na de inbewaringstelling overgelegde proces-verbaal van bevindingen van [naam] is geen op het individu toegespitst proces-verbaal van gehoor op de genoemde punten. Uit de verklaringen van [naam] kan niet worden opgemaakt wat eiser is medegedeeld, wanneer dat is meegedeeld, welke vragen aan eiser zijn gesteld en welke concrete antwoorden hij daarop heeft gegeven. Zo staat in het proces-verbaal van [naam] dat eiser zijn zienswijze pas kenbaar kon maken nadat het inreisverbod al was opgelegd. Het inreisverbod is daarom genomen in strijd met de artikelen 4:8 en 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het inreisverbod in stand te laten. De beroepsgrond slaagt.

Ten aanzien van bestreden besluit 2

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. Eiser voert aan dat de maatregel onrechtmatig is, omdat ook daar sprake is van een motiveringsgebrek. Vanwege de onder 1 genoemde reden is niet gebleken dat verweerder vragen heeft gesteld over eisers bijzondere omstandigheden die tot een lichter middel zouden kunnen leiden.

3.1.

Voor de vraag om met een lichter middel dan inbewaringstelling moet worden volstaan, past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. Verweerder moet zelf concrete vragen stellen aan eiser over zijn bijzondere feiten en omstandigheden, zoals de vraag of hij medische problemen heeft, of aan de vreemdeling duidelijk maken dat het aan hem is om bijzondere feiten en omstandigheden aan te voeren die tot een lichter middel zouden moeten leiden. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309), 24 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3083), 5 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3486) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).

3.2.

Zoals is overwogen onder 1.3, is er geen proces-verbaal van gehoor van eiser. Daardoor kan niet worden getoetst of verweerder concrete vragen heeft gesteld over mogelijke bijzondere omstandigheden of dat aan eiser is verteld dat hij zulke omstandigheden zelf naar voren kon brengen. Het proces-verbaal van bevindingen van [naam] maakt dit niet anders om dezelfde redenen als genoemd onder 1.3. De toetsing van bijzondere omstandigheden moet plaatsvinden voorafgaand aan de inbewaringstelling met inachtneming van hetgeen is aangevoerd. Of dat is gebeurd kan niet worden getoetst. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat verweerder onvoldoende grondig onderzoek heeft gedaan naar de feitelijke omstandigheden van het concrete geval en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel dan inbewaringstelling kon worden volstaan. Dat is in strijd met artikel 59c van de Vw en artikel 3:46 van de Awb. De beroepsgrond slaagt.

Ten aanzien van beide beroepen

4. Het beroep tegen het inreisverbod is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit 1 in zoverre vernietigen. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.

5. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 4 dagen onrechtmatige bewaring van 4 x € 80,- (verblijf detentiecentrum) = € 320,-.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt bestreden besluit 1 in zoverre daarbij een inreisverbod is opgelegd;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 320,-, te betalen door de griffier;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Groeneveld, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.