Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:13329

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-09-2019
Datum publicatie
23-12-2019
Zaaknummer
NL19.20461 en NL19.20462
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel - Marokkaanse nationaliteit - biseksueel - WI 2018/9 - veilig land van herkomst - ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.20461


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 september 2019 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Söylemez).

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is ambtshalve besloten dat eiser niet in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Evenmin wordt hem uitstel tot vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Tegen eiser is voorts een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.20462, plaatsgevonden op 17 september 2019. Eiser is niet verschenen, maar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Makkadam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1995. Op

9 augustus 2019 heeft eiser onderhavige asielaanvraag ingediend.

2. Eiser heeft – samengevat weergegeven – aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij biseksueel is, geen militaire dienstplicht wil verrichten en zich niet kan verenigen met het islamitische regime van Marokko. Naar aanleiding hiervan heeft eiser besloten om op 1 augustus 2019 zijn land van herkomst te verlaten.

3. Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiser als relevant gekwalificeerd:

a. a) identiteit, nationaliteit en herkomst;

b) de biseksuele geaardheid van eiser;

c) de problemen die voortvloeien uit de biseksuele geaardheid van eiser;

d) eiser zou kunnen worden opgeroepen voor militaire dienstplicht;

e) eiser kan zich niet verenigen met het islamitische regime in Marokko.

4. Verweerder heeft zich over de geloofwaardigheid van de relevante elementen op het volgende standpunt gesteld. Eiser wordt gevolgd in zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. Verweerder stelt voorts dat Marokko als een veilig land van herkomst wordt beschouwd met een uitzondering voor lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders (LHBT’s). De gestelde biseksuele geaardheid en de problemen die hieruit voortvloeien heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. Samengevat weergegeven is verweerder van mening dat eiser geen dieper inzicht heeft verschaft in zijn persoonlijke beleving van zijn biseksuele geaardheid, maar enkel summier, vaag en oppervlakkig heeft verklaard. Ook wat betreft het proces van zelfacceptatie weet eiser niet te overtuigen en blijft hij steken in vage en niet concrete verklaringen. Daarnaast heeft eiser summier en bevreemdingwekkend verklaard over [A] en kan eiser geen LHBT-organisaties van Marokko noemen en heeft hij summier verklaard over de LHBT in Nederland. Eiser wordt wel gevolgd in zijn stelling dat hij mogelijk kan worden opgeroepen voor militaire dienstplicht, maar niet dat hij bij terugkeer naar Marokko in militaire dienst zal moeten. Voorts wordt eiser wel gevolgd in zijn stelling dat hij zich niet kan verenigen met het islamitische regime in zijn land van herkomst. Eiser is er echter niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat Marokko ten aanzien van hem zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en dat er, indien er zich problemen voordoen in Marokko, voor hem geen mogelijkheid bestaat om tegen deze problemen in de huidige situatie de bescherming van de autoriteiten van Marokko in te roepen. Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag van eiser moet worden afgewezen als kennelijk ongegrond.

5. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. Eiser voert aan dat Marokko ten aanzien van hem persoonlijk, vanwege zijn biseksuele geaardheid, niet als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. In dit verband voert eiser tevens aan dat verweerder zijn verklaringen over zijn seksuele geaardheid ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Ter zitting heeft eiser verklaard last te hebben gehad van stress tijdens het gehoor en daardoor vergeetachtig te zijn geweest tijdens het gehoor. Daarnaast heeft eiser te weinig tijd gehad om alles te kunnen verklaren. Verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld door zonder aanvullend gehoor de biseksuele geaardheid als ongeloofwaardig te bestempelen. Verder is onvoldoende rekening gehouden met de korte duur van het bewustzijn en de leeftijd met de daarbij horende ontwikkelingsfase van eiser. Eiser verwijst hiervoor naar de Werkinstructie 2018/9 (WI 2018/9). Voorts is onvoldoende doorgevraagd naar de ervaringen, gevoelens en emoties van eiser met betrekking tot de ontdekking van zijn biseksualiteit en de Marokkaanse maatschappij. Ten slotte is het besluit ten aanzien van de dienstplicht niet consistent. Gelet op eisers verklaringen is het wel degelijk aannemelijk dat eiser opgeroepen kan worden voor de dienstplicht.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1

Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), onder meer de uitspraak van 27 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2940), dient eiser zelf zijn biseksualiteit en het daarbij behorende bewustwordingsproces aannemelijk te maken. In de WI 2018/9 wordt aan de hand van thema’s (privéleven, huidige en voorgaande relaties, contact met LHBT’ers in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie, discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst) beoordeeld of van de geloofwaardigheid van de geaardheid uit kan worden gegaan. De thema’s worden in samenhang beoordeeld. Het zwaartepunt ligt op de antwoorden op vragen over de eigen ervaringen (onder andere bewustwording en zelfacceptatie) van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die geaardheid in het land van herkomst van de vreemdeling en hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in het algemene beeld passen. Dit geldt te meer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar biseksualiteit maatschappelijk onacceptabel is of strafbaar is gesteld.

6.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de beoordeling van de seksuele geaardheid van eiser de WI 2018/9 heeft toegepast en is van oordeel dat verweerder de gestelde biseksuele geaardheid van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank stelt voorop dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het primair aan eiser is om zijn gestelde seksuele gerichtheid aannemelijk te maken met zijn verklaringen. Het is niet gebleken dat verweerder in strijd met de WI 2018/9 hiervoor onvoldoende gelegenheid heeft geboden of onvoldoende bij eiser heeft doorgevraagd. Tijdens het gehoor zijn namelijk vragen gesteld die uitnodigen tot het geven van een gedetailleerd beeld van eisers geaardheid. Gelet op het feit dat eiser zich moest realiseren dat zijn verklaringen van belang konden zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, mocht verweerder in redelijkheid van eiser verlangen om uitgebreid en gedetailleerd te verklaren over zijn eigen ervaringen en persoonlijke beleving met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser is opgegroeid in een land waar een afwijkende seksuele gerichtheid ernstige problemen kan opleveren en hij juist om die reden thans in Nederland om asiel heeft gevraagd, dat eiser thans een volwassen man is en niet is gebleken van een omstandigheid waardoor hij niet in staat is om uitgebreid en gedetailleerd te verklaren.

De stelling van eiser ter zitting dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn stress en daarom sprake is van een onzorgvuldig afgenomen gehoor, wordt niet ten onrechte niet door verweerder gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het verslag van het nader gehoor van 18 augustus 2019 dat de gehoorambtenaar kennis heeft genomen van het FMMU-advies en dat de gehoorambtenaar op grond van dit advies meerdere malen pauze heeft ingelast, meerdere malen heeft gecontroleerd of het goed gaat met eiser en heeft eiser aangegeven dat hij zich in staat voelt het gehoor te voeren dan wel voort te zetten. Van een onzorgvuldig afgenomen gehoor, waardoor ook de besluitvorming onzorgvuldig zou zijn, is de rechtbank niet gebleken. Verweerder heeft zijn besluitvorming terecht gebaseerd op hetgeen eiser tijdens de gehoren heeft verklaard.

6.3

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser summier, oppervlakkig en niet inzichtelijk heeft verklaard over zijn eigen ervaringen en persoonlijke beleving ten aanzien van zijn biseksuele gerichtheid. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte overwogen dat eiser ten aanzien van zijn bewustwording en gevoelens blijft steken in oppervlakkige verklaringen en algemeenheden. Nu eiser sinds enkele jaren weet zou hebben van zijn geaardheid mag van hem verwacht worden dat hij hier meer inzicht in weet te verschaffen, te meer nu dit één van de hoofdredenen voor hem is om asiel aan te vragen. Voorts is van belang dat eiser ook over het contact met [A] weinig en niet consistent heeft kunnen verklaren, hetgeen verweerder wel van hem heeft mogen verwachten gelet op het feit dat [A] de enige mannelijke persoon was die eiser echt leuk vond en hij meer dan twee jaar contact met hem heeft (gehad). Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat eiser bij zijn beschrijving over de aantrekkingskracht tot [A] zijn gevoelens niet verder kan beschrijven dan ‘een verzameling van gevoelens’. Verder heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser niet is ingegaan op de concrete gevoelens en emoties die hij heeft gehad met betrekking tot de (verdere) ontdekking van zijn gestelde seksuele gerichtheid. Verweerder mag dit wel van eiser verwachten, zeker nu eiser zelf heeft verklaard dat biseksualiteit niet wordt geaccepteerd in Marokko en door zijn familie. Voorts heeft verweerder niet ten onrechte het standpunt ingenomen dat eiser desgevraagd niet (voldoende) kan concretiseren hoe en waarom hij zijn gevoelens uiteindelijk wel heeft geaccepteerd. Eiser volstaat met de mededeling dat hij het aangetrokken voelen tot beide seksen niet accepteerde, maar dit later heeft losgelaten omdat dit in ‘zijn natuur’ zit. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zeer oppervlakkig en onvoldoende concreet heeft verklaard over zijn innerlijke strijd. Dit doet verder afbreuk aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen over zijn seksuele gerichtheid. Verder heeft verweerder zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat eiser summier heeft verklaard over de LHBT-gemeenschap in zijn land van herkomst.

7. Gelet op de ongeloofwaardig geachte biseksuele gerichtheid van eiser heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser op grond daarvan geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dan wel dat sprake is van een gegronde vrees voor vervolging. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

8. Ten aanzien van de stelling van eiser dat de mogelijke oproeping voor de dienstplicht door verweerder onvoldoende is betrokken en gemotiveerd door verweerder bij de beoordeling van de zwaarwegendheid overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat uit de door eiser aangevoerde algemene bronnen, te weten een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 19 februari 2019 met bijlagen, niet is gebleken dat alle Marokkaanse jongeren in dienst zullen moeten, noch op welke termijn jongeren opgeroepen zullen worden voor de dienstplicht. Voorts heeft verweerder terecht opgemerkt dat uit openbare bronnen blijkt dat er diverse vrijstellingen mogelijk zijn. Niet is gebleken dat eiser geen vrijstelling zou kunnen krijgen, noch dat hij heeft onderzocht welke mogelijkheden hiertoe zijn. De enkele stelling dat hij geen vrijstelling zal kunnen krijgen, heeft verweerder onvoldoende mogen achten om anders te concluderen. Verweerder heeft niet ten onrechte niet geloofwaardig geacht dat eiser bij terugkeer naar Marokko in militaire dienst zal moeten.

9. Gelet op het voorgaande is Marokko voor eiser te beschouwen als veilig land van herkomst. Verweerder heeft eiser daarom terecht niet in aanmerking gebracht voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000 en heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van

mr. B.P.C. Vonck, griffier.

griffier rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.