Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:13272

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-10-2019
Datum publicatie
16-12-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 553
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herzieningsbeschikking gedifferentieerde premiepercentage Werkhervattingskas ten nadele van eiseres is terecht gegeven. Het had voor eiseres redelijkerwijs kenbaar kunnen zijn dat de beschikking onjuist was

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2019/2872
FutD 2020-0036
Viditax (FutD), 17-12-2019
V-N 2020/7.8 met annotatie van Redactie
NTFR 2020/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 19/553

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: [A] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft tegen de hierna onder 4 te noemen beschikking bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 december 2018 het bezwaar gegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2019.

Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] en [C] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres, opgericht op 21 december 2005, is een detacheringsbureau. Bij eiseres is van 5 januari 2015 tot met 30 april 2015 [D] (de ex-werknemer) werkzaam geweest. De ex-werknemer is op 5 februari 2015 arbeidsongeschikt geworden.

2. Bij besluit van 22 juli 2015 heeft het Uwv aan de ex-werknemer per 1 mei 2015 een ZW-uitkering toegekend (het toekenningsbesluit). Het Uwv heeft bij brief van 22 juli 2015 een kopie van het toekenningsbesluit aan eiseres verzonden en daarbij aangegeven dat eiseres tegen het toekenningsbesluit bezwaar kan maken. Eiseres heeft tegen het toekenningsbesluit geen bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft bij besluit van 29 april 2016 de ZW-uitkering aan de ex-werknemer, na 104 weken ziekteverzuim, met ingang van 23 mei 2016 beëindigd.

3. Verweerder heeft bij beschikking van 1 december 2017 voor het premiejaar 2018 het gedifferentieerde premiepercentage Werkhervattingskas (Whk) vastgesteld op 0,53% (de beschikking). Eiseres is daarbij als middelgrote werkgever aangemerkt en de premiecomponent voor de ZW-lasten, uitgaande van een individueel werkgeversrisicopercentage van 0,00%, is op 0,23% vastgesteld. Bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage is rekening gehouden met een bedrag van

€ 0,00 voor de in 2016 voor eiseres betaalde ZW-uitkeringen.

4. Op 22 januari 2018 heeft het Uwv verweerder op de hoogte gesteld dat de aan de ex-werknemer toegekende ZW-uitkeringen ten onrechte niet aan eiseres waren toegerekend. Vervolgens heeft verweerder bij beschikking van 17 april 2018 voor het premiejaar 2018 het gedifferentieerde premiepercentage Whk herzien en op 0,99% vastgesteld (de herzieningsbeschikking). Daarbij is de premiecomponent voor de ZW-lasten, uitgaande van een individueel werkgeversrisicopercentage van 2,02%, op 0,69% vastgesteld. Bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage is rekening gehouden met een bedrag van € 17.350 voor de in 2016 voor eiseres betaalde ZW-uitkeringen aan de ex-werknemer.

5. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de aan eiseres toegerekende uitkeringslasten verminderd tot op een bedrag van € 13.502,57 en de premiecomponent voor de ZW-lasten voor het jaar 2018 gehandhaafd op 0,69%. Daarnaast heeft verweerder een kostenvergoeding voor de bezwaarfase van € 498 toegekend.

Geschil
6. In geschil is of verweerder bevoegd was om de onderhavige herzieningsbeschikking ten nadele van eiseres te geven. Voorts is in geschil of eiseres voor een integrale proceskostenvergoeding in aanmerking komt.

Beoordeling van het geschil

De herzieningsbeschikking

7. Op grond van artikel 38, achtste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, tekst 2018 (Wfsv), is verweerder bevoegd tot herziening van een beschikking indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de beschikking is gegeven op grond van onjuiste of onvolledige gegevens. Een herziening ten nadele van de werkgever is uitsluitend mogelijk indien deze tekortkoming een gevolg is van een feit dat aan de werkgever of de gewezen werkgever kan worden toegerekend of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn. Verweerder stelt de herziening vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. De bevoegdheid tot herziening werkt uiterlijk terug tot en met 1 januari van enig jaar waarop de beschikking betrekking heeft en vervalt door verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft.

8. Niet in geschil is dat het Uwv de ZW-uitkeringen ter zake van de ex-werknemer in eerste instantie aan een andere werkgever had toegerekend. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat deze toerekening het gevolg was van een computerfout. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan verweerders verklaring te twijfelen. Aldus moet het er voor worden gehouden dat de beschikking als gevolg van een computerfout op onjuiste gegevens was gebaseerd en dat sprake is van een herziening rechtvaardigend feit. De stelling van eiseres, dat het mogelijk was dat de ZW-uitkeringen van de ex-werknemer aan een andere werkgever konden worden toegerekend, heeft zij, tegenover de betwisting daarvan door verweerder, niet aannemelijk gemaakt nu zij haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd. De in dat kader aangevoerde stelling dat aan eiseres geen uitkeringslasten toekomen omdat deze vallen onder een no-risk polis mist feitelijke grondslag, omdat hiervan bij eiseres geen sprake was, althans zij heeft daar geen enkel bewijs van bijgebracht.

9. Vervolgens dient te worden beoordeeld of verweerder de beschikking mocht herzien ten nadele van eiseres. Daarvoor is bepalend of het voor eiseres redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn dat de beschikking onjuist was. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

10. Per 1 januari 2014 is het onderdeel premiedifferentiatie voor de ZW-lasten en de WGA-lasten voor flexibele werknemers van de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters (Wet Bezava, Staatsblad 2012, 464) in werking getreden.

Dit betekent dat werkgevers naast een gedifferentieerde premie voor zieke of arbeidsongeschikte werknemers met een vast dienstverband, ook een gedifferentieerde premie gaan betalen voor zieke of arbeidsongeschikte werknemers zonder een vast dienstverband, de zogenoemde vangnetters. De ZW-uitkeringen en de WGA-uitkeringen van de vangnetters worden via de gedifferentieerde premie Whk rechtstreeks aan middelgrote- en grote werkgevers doorbelast. De gedifferentieerde premie Whk voor het jaar 2018 wordt berekend op basis van gegevens over 2016. Het gaat daarbij om ZW- en WGA-uitkeringen die in dat jaar zijn toegekend aan (ex-)werknemers. Van deze nieuwe wetgeving had eiseres in haar hoedanigheid als werkgever en inhoudingsplichtige op de hoogte behoren te zijn.

11. Uit het door het Uwv aan eiseres toegezonden toekenningsbesluit had eiseres kunnen opmaken dat zij belanghebbende was bij dit besluit en had zij, gelet op de nieuwe wetgeving, uit het toekenningsbesluit kunnen opmaken dat de aan de ex-werknemer betaalde ZW-uitkeringen aan haar zouden worden toegerekend. Dat eiseres in de begeleidende brief bij het toekenningsbesluit niet is gewezen op de mogelijke rechtgevolgen of het financiële belang van het toekenningsbesluit, maakt dit niet anders. Nu voorts vaststaat dat op de beschikking bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage staat vermeld dat in 2016 € 0,00 aan ZW-uitkeringen voor eiseres is betaald, had het voor eiseres, een en ander in onderlinge samenhang bezien met het vorenstaande, redelijkerwijs kenbaar kunnen zijn dat de beschikking onjuist was. Verweerder was dan ook bevoegd om de beschikking te herzien ten nadele van eiseres. Hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. Eiseres, op wie de bewijslast rust, heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat de ZW-uitkeringen van de ex-werknemer ten onrechte aan eiseres zijn toegerekend. De enkele verwijzing door eiseres ter zitting naar artikel 117b, derde lid, van de Wfsv, in welk artikel de uitkeringen zijn opgenomen die niet ten laste van de Whk komen, is daarvoor onvoldoende.

12. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is geen sprake. De omstandigheid dat in de herzieningsbeschikking niet staat vermeld dat de beschikking wordt herzien, brengt niet mee dat sprake is van schending van het rechtszekerheidsbeginsel. Eiseres kon immers tegen de herzieningsbeschikking bezwaar maken, hetgeen zij ook heeft gedaan. Ook de omstandigheid dat het Uwv dan wel verweerder niet aan eiseres bekend heeft gemaakt dat de ZW-uitkeringen van de ex-werknemer alsnog aan haar worden toegerekend, brengt geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel mee. Daarmee is aan eiseres, anders dan zij betoogd, geen rechtsingang tegen het recht en de hoogte van de ZW-uitkering van de ex-werknemer ontzegd. Het Uwv heeft namelijk eiseres als belanghebbende ter zake van het toekenningsbesluit aangemerkt en eiseres is, middels toezending van een kopie van het toekenningsbesluit, destijds in de gelegenheid gesteld om tegen het toekenningsbesluit bezwaar te maken en in dat bezwaar op te komen tegen het recht en de hoogte van de ZW-uitkering van de ex-werknemer. Dat eiseres destijds geen bezwaar tegen het toekenningsbesluit heeft gemaakt, komt voor rekening en risico van eiseres.

13. Van strijd met het vertrouwensbeginsel is evenmin sprake. Aan de door eiseres aangevoerde omstandigheden - het niet vermelden in de herzieningsbeschikking dat de beschikking wordt herzien en de eerdere toerekening van de ZW-uitkeringen aan een andere werkgever - kan eiseres niet het vertrouwen ontlenen dat verweerder zich bewust op het standpunt heeft gesteld dat de ZW-uitkeringen niet aan haar kunnen worden toegerekend en dat de onderhavige herziening daarom achterwege dient te blijven. De verwijzing door eiseres naar de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 26 september 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:3384, faalt, nu - anders dan ten tijde van de uitspraak van het hof gold - verweerder op grond van artikel 38, achtste lid, van de Wfsv de bevoegdheid heeft om een beschikking ten nadele van de werkgever te herzien. Ook de verwijzing door eiseres naar de uitspraak van rechtbank Noord-Nederland van 5 juli 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:2573, faalt, nu die uitspraak op een geheel andere situatie ziet en bovendien die uitspraak door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 27 maart 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:2607) is vernietigd.

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de herzieningsbeschikking terecht gegeven.

Proceskosten in de bezwaarfase

15. De rechtbank ziet geen aanleiding om voor de bezwaarfase een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen. Ingevolge artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient een verzoek om een dergelijke proceskostenvergoeding te worden gedaan voordat uitspraak op bezwaar is gedaan. Het verzoek kan derhalve niet meer in de beroepsfase worden gedaan.

16. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

17. Voor een proceskostenveroordeling voor de beroepsfase bestaat evenmin aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, voorzitter, en mr. A.D. van Riel en

mr. A.J.M. Arends, leden, in aanwezigheid van mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.