Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:13007

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-11-2019
Datum publicatie
09-12-2019
Zaaknummer
NL19.24929
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak op tussenuitspraak, statushouder Denemarken, onderzoeksplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.24929


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. H.C.Ch. Kneuvels),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.F.M. van Raak).


Procesverloop
Bij besluit van 18 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het beroep is, tegelijk met de zaak NL19.24930, op 14 november 2019 op de zitting besproken. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, heeft in zijn tussenuitspraak van 18 november 2019 (hierna: de tussenuitspraak) een bestuurlijke lus toegepast.

Bij de tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending, met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak bij brief van 20 november 2019 een aanvullende motivering ingediend.

Eiser heeft op 22 november 2019 een schriftelijke zienswijze ingediend in reactie op verweerders aanvullende motivering.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.

2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, samengevat, geoordeeld dat verweerder niet aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan omdat uit de ‘Resultaten Eurodac bevraging’ niet eenduidig blijkt in hoeverre deze gegevens nog actueel zijn en of de eerder in Denemarken verleende internationale bescherming nog van kracht zal zijn op het moment dat eiser naar Denemarken terugkeert.

3. Verweerder heeft bij brief van 20 november 2019 medegedeeld dat hij geen gebruik zal maken van de gelegenheid om het geconstateerde gebrek te herstellen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit het Eurodac-onderzoek voldoende duidelijk blijkt wat de verblijfsrechtelijke positie van eiser is, nu de Deense autoriteiten verplicht zijn om een eventuele intrekking van de verblijfsstatus van de vreemdeling in het Eurodac-systeem te melden1. Verweerder verwijst daarbij ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 10 augustus 20162.

4. Eiser heeft in zijn zienswijze gesteld dat de aangehaalde uitspraak van de Afdeling niet vergelijkbaar is met de onderhavige zaak nu tussen de verlening van de Deense internationale bescherming en de raadpleging van het Eurodac-systeem een grote tijdspanne bestaat. Bovendien was in de aangehaalde uitspraak geen sprake van een zwangere echtgenote en twee kinderen die in Nederland rechtmatig verblijf hebben in afwachting van hun asielprocedure.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Uit verweerders onderzoek in het Eurodac-systeem op 2 oktober 2019 blijkt dat eiser op 26 augustus 2014 in Denemarken asiel heeft aangevraagd en met ingang van 8 januari 2015 daar internationale bescherming heeft gekregen. De rechtbank heeft reeds in haar tussenuitspraak overwogen dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling3 volgt dat verweerder in beginsel mag afgaan op informatie van een andere lidstaat, zoals een Eurodac-resultaat, indien uit die informatie duidelijk blijkt wat de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling is bij terugkeer.

6. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende duidelijk blijkt wat de verblijfsrechtelijke positie van eiser bij terugkeer in Denemarken is. Eiser wordt gevolgd in zijn stelling dat verweerder in zijn brief van 20 november 2019 heeft verwezen naar een Afdelingsuitspraak die niet vergelijkbaar is met de onderhevige zaak. In de aangehaalde zaak komt naar voren dat tussen de daar verleende internationale bescherming (6 mei 2015) en het onderzoek in het Eurodac-systeem (3 november 2015) nog geen zes maanden waren verstreken.

Sinds in de onderhavige zaak Denemarken begin 2015 aan eiser internationale bescherming heeft verleend en het onderzoek in het Eurodac-systeem in oktober 2019 zijn echter bijna vijf jaar verstreken. Hoewel het aflopen van de geldigheidsduur van de aan eiser verstrekte verblijfsvergunning (‘opholdstilladelse’) niet per definitie betekent dat daarmee ook aan de internationale bescherming een einde is gekomen, staat vast dat bedoelde verblijfsvergunning op 23 september 2019 is verlopen. Uit de Eurodac-gegevens van eiser blijkt niet voor welke periode internationale bescherming door Denemarken is verleend. Weliswaar mag verweerder er van uitgaan dat de Deense autoriteiten de internationale bescherming niet actief hebben ingetrokken, onduidelijk is dan hoe actueel de opgenomen gegevens zijn en of de internationale bescherming nog van kracht zal zijn op het moment dat eiser naar Denemarken terugkeert. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat uit het Eurodac-onderzoek niet blijkt wat de door eiser gestelde uitreis uit Denemarken en Europa voor gevolg zal hebben op de verleende internationale bescherming op het moment dat eiser Denemarken weer inreist.

Het had daarom op de weg van verweerder gelegen om nader onderzoek te doen naar de verblijfsrechtelijke positie van eiser bij terugkeer naar Denemarken. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit daarom onzorgvuldig voorbereid en daarom in strijd met artikel 3:2 van de Algemene Wet bestuursrecht.

7. Het beroep is gegrond.

8. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.280 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor indienen van zienswijze na de bestuurlijke lus, met een waarde per punt van €512 en wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser de met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1280.


Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Ingevolge artikel 18, derde lid, van Verordening 603/2013 (de Eurodacverordening)

2 ECLI:NL:RVS:2016:2279

3 Onder meer de uitspraak van 1 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2441)