Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1296

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
22-03-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 7982
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

omgevingsvergunning voor het kappen van bomen in de waterpartij nabij voormalig ministerie van Buza

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/7982

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 februari 2019 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoekster] ([verzoekster]), te Den Haag, verzoekster

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Kaptein-van Beest).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] ([derde-partij]), vergunninghouder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 21 bomen staande in de openbare ruimte ter hoogte van de [adres] te Den Haag, aan de vijverzijde bij het [pad].

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verzoekster heeft de gronden aangevuld en nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2019.

Namens verzoekster zijn verschenen [A] en [B]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, R. Siliakis en R. Bouchier. Namens vergunninghouder zijn verschenen [C] en [D].

Op 11 januari 2019 heeft de voorzieningenrechter het onderzoek heropend en bepaald dat

verzoekster in de gelegenheid wordt gesteld om binnen één week een schriftelijke onderbouwing van haar standpunt omtrent de verplantbaarheid van 14 moerascipressen over te leggen.

Verzoekster heeft bij brief van 17 januari 2019 een rapport van Copijn Bruine Beuk Tuin- en landschapsarchitecten te Groenekan (Copijn) van 16 januari 2019 overgelegd. Verweerder heeft hierop bij brief van 25 januari 2019 gereageerd.

Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven een nadere zitting achterwege te laten.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.1

Op 18 september 2018 heeft [Bouwmanagers] Bouwmanagers en [B.V.] B.V namens het [derde-partij] een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend die - na aanpassing van de aanvraag - betrekking heeft op het kappen van 14 moerascipressen, 4 bolesdoorns,

2 moseiken en een venijnboom. Deze bomen bevinden zich in en nabij een vijver bij het [pad] die plaats moet maken voor een hal met aparte entree ten behoeve van het gebouw [adres] te Den Haag.

2.2

Bij de aanvraag was een Bomen Effect rapportage van Terra Nostra B.V. (Terra Nostra) van 14 mei 2018 gevoegd, waarin is beoordeeld of de bomen duurzaam te behouden zijn. Nadien is op 25 juni 2018 door Terra Nostra een verplantbaarheidsonderzoek uitgevoerd. Op 5 oktober 2018 heeft verweerder het advies van de groenbeheerder van de gemeente Den Haag ontvangen.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend. In dat besluit is overwogen dat de kans dat de moerascipressen succesvol verplant kunnen worden klein is en dat de bolesdoorns en de moeraseik niet duurzaam te verplaatsen zijn. Daarnaast is aan deze vergunning de voorwaarde verbonden dat hiervan geen gebruik mag worden gemaakt alvorens er een storting van € 55.366,- in het Bomenfonds is gedaan.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de bouw van de nieuwe ingang van het gebouw [adres] een andere omgevingsvergunning is verleend, zodat hetgeen verzoekster heeft gesteld over een alternatieve locatie voor de ingang buiten de omvang van het primaire besluit valt. Verder kan volgens verweerder redelijkerwijs niet worden voldaan aan de randvoorwaarden die worden geschetst in het verplantbaarheidsonderzoek. Voorts acht verweerder in het kader van de belangenafweging relevant dat de kosten voor het verplanten van de bomen (zeer) hoog zijn, terwijl de succesgarantie van de herplant niet kan worden gegeven. Tevens wijst verweerder er op dat verzoekster op 7 december 2018 is verschenen op uitnodiging van het [derde-partij] voor overleg en dat verzoekster naar aanleiding van eigen onderzoek in december 2018 heeft aangegeven dat het inderdaad lastig is om de moerascipressen te verplaatsen, zodat niet valt in te zien dat verzoekster onvoldoende is betrokken bij het proces, aldus verweerder.

4. Verzoekster voert aan dat de gevolgde inspraakprocedure onzorgvuldig is, omdat belanghebbende partijen onvoldoende zijn ingelicht voorafgaand aan de aanvraag. Daarnaast voert verzoekster aan dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar alternatieve mogelijkheden voor de bouw van een tweede ingang voor de tijdelijke behuizing van de Tweede Kamer.

Ten slotte voert verzoekster aan dat het ongewenst is dat het parkje, dat in een zeer dicht verstedelijkt gebied ligt, verdwijnt, omdat het een belangrijke functie vervult in het tegengaan van hittestress, hetgeen noodzakelijk is. De bomen vormen een zeer waardevol groenelement op een zeer versteende locatie, aldus verzoekster.

In het aanvullend verzoekschrift heeft verzoekster het verzoek beperkt tot de 14 moerascipressen en betoogd dat deze wel degelijk succesvol verplant kunnen worden.

5. Vergunninghouder wenst de bomen waarvoor vergunning is verleend in verband met de bouwactiviteiten die ter plaatse zullen worden uitgevoerd zo spoedig mogelijk te kappen. Aangezien verzoekster zich inzet voor het behoud van de bomen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van spoedeisend belang.

6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan op basis van de stukken niet worden geoordeeld dat verzoekster door de wijze van communicatie van verweerder in enigerlei opzicht is benadeeld. Dat de informatievoorziening naar andere belanghebbende partijen toe mogelijk gebrekkig is geweest, kan in deze procedure niet aan de orde komen.

7. Ten aanzien van de verzoeksgrond over de locatie van de nieuwe entree van het gebouw is de voorzieningenrechter met verweerder van oordeel dat de vraag of daarvoor al dan niet een alternatieve locatie kan worden gevonden slechts kan worden beantwoord in het kader van een eventueel bezwaar tegen de verleende omgevingsvergunning voor het verbouwen van het pand [adres] 67, aangezien die nieuwe entree onderdeel is van die vergunning en niet van de thans aan de orde zijnde omgevingsvergunning. Deze verzoeksgrond kan dan ook niet slagen.

8. Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geldt, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om houtopstand te vellen of te doen vellen, een zodanige bepaling als een verbod om een project uit te voeren zonder omgevingsvergunning, voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat.

Ingevolge artikel 2.18 van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

Ingevolge artikel 2:87, eerste lid, van de APV is het verboden een houtopstand zonder vergunning of, indien de houtopstand is vermeld op de lijst van monumentale bomen zonder ontheffing, van het bevoegd gezag te vellen of te doen vellen.

Ingevolge artikel 2:88, eerste lid, van de APV, kan het bevoegd gezag de vergunning of ontheffing, als bedoeld in artikel 2:87, eerste lid, weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van:

- natuur-, educatieve en milieuwaarden;

- belevings- en gebruikswaarden.

9. Uit artikel 2:88, eerste lid, van de APV volgt dat verweerder een vergunning alleen mag weigeren, als een of meer van de daar genoemde weigeringsgronden zich voordoen. Bij die beslissing moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden die voor en tegen het vellen van de houtopstand pleiten. Verweerder moet in dit verband een belangenafweging verrichten waarin het belang van het vellen van de houtopstand, bezien in het licht van de toekomstige ontwikkelingen op het perceel, wordt afgewogen tegen het behoud van de waarden van de bomen. Bij deze beoordeling komt verweerder discretionaire bevoegdheid toe. De toetsing door de voorzieningenrechter of verweerder van deze bevoegdheid gebruik heeft mogen maken, dient daarom terughoudend te zijn.

10.1

De voorzieningenrechter wijst er in de eerste plaats op dat blijkens het primaire besluit - in tegenstelling tot hetgeen verzoekster stelt - niet de gehele waterpartij zal verdwijnen, maar dat een gedeelte daarvan met daarin 2 moerascipressen (bomen 16 en 17) behouden blijft. Daarnaast zal een moeraseik worden gespaard die zich aan de overzijde van het [pad] bevindt (boom A).

10.2

De voorzieningenrechter stelt verder vast dat blijkens het belangenafwegings-formulier (BAF) op 11 oktober 2018 ten aanzien van de moerascipressen een belangenafweging heeft plaatsgevonden waarbij de toekomstverwachting van de cipressen als zijnde goed is beoordeeld en de bomen enigszins van belang zijn geacht voor de natuur- en milieuwaarden, omdat zij tamelijk bijzonder of zeldzaam zijn. Verder zijn deze bomen enigszins van belang voor de belevings- en gebruikswaarden, omdat zij zichtbaar zijn vanaf de openbare straat.

Aangezien verzoekster stelt dat het om waardevolle groenelementen gaat, stelt de voorzieningenrechter vast dat partijen van inzicht verschillen over de natuur- en milieuwaarden van de bomen. Voor zover zou moeten worden geoordeeld dat de motivering ten aanzien van de waarden die de moerascipressen vertegenwoordigen in het primaire besluit tekort schiet en verweerder hangende de bezwaarprocedure de natuur- en milieuwaarden van de moerascipressen nader moet motiveren, kan dat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter, gelet op het grote belang van de realisering van de nieuwe hal met entree ter plaatse, nimmer toe leiden dat de belangenafweging in het voordeel van deze bomen zal uitvallen. Dit betekent dat de moerascipressen ter plaatse niet behouden kunnen blijven.

11.1

Verzoekster heeft in het kader van het onderzoek naar de mogelijke verplantbaar-heid van de moerascipressen op basis van het rapport van Copijn van 16 januari 2019 gesteld dat binnen een straal van 4 kilometer drie potentiële locaties gevonden kunnen worden waar de moerascipressen geplaatst kunnen worden. De eerste locatie die Copijn geschikt acht is de nabijgelegen [L1], die de voorkeur heeft van verzoekster. Naast deze locatie heeft Copijn als alternatieve locaties de hoek van de [L2] en de [adres], alsmede de [L3] tussen de spoorbaan en de Schenkwetering genoemd.

11.2

Verweerder heeft in reactie op het rapport van Copijn in zijn brief van 25 januari 2019 aangegeven dat dit rapport een concrete uitwerking ontbeert en daarnaast geen plan van aanpak voor het uitvoeren van de verplanting in dat rapport is opgenomen. Zo zijn er geen kosten in kaart gebracht voor het inrichten van de nieuwe locatie, het verplanten en de nazorg.

Ten aanzien van de door Copijn genoemde alternatieve locatie [L1] heeft verweerder zich, onder verwijzing naar het e-mailbericht van Staatsbosbeheer van 9 januari 2019, onder meer op het standpunt gesteld dat voor het succesvol verplaatsen van bomen van een omvang als de moerascipressen een voorbereidingsperiode van tenminste een groeiseizoen nodig is. Daarnaast heeft Staatsbosbeheer, zijnde eigenaar van de [L1], te kennen gegeven niet open te staan voor verplanting naar dit terrein. Verweerder heeft daar nog aan toegevoegd dat de [L1] ontwikkeld wordt en dat er thans geen vaste plaats is voor de moerascipressen. Daarom acht verweerder de [L1] geen geschikte alternatieve locatie voor de moerascipressen.

Daarnaast acht verweerder de in het rapport van Copijn genoemde locatie aan de [L2] evenmin geschikt als alternatief, omdat de eigenaar, zijnde het Hoogheemraadschap van Delfland, heeft aangegeven dat voor het plaatsen van bomen in een hoofdwatergang een vergunning op grond van de Waterwet is vereist, die niet zal worden verleend.

Ook is de door Copijn voorgestelde locatie aan de [L3] volgens verweerder geen geschikt alternatief, omdat die plaats onderdeel is van een ecologische verbindingszone waar de gemeente vanuit ecologisch gezichtspunt geen uitheemse bomen en struiken wil aanplanten en daarnaast bomen in de oever aan de zonzijde niet langer gewenst zijn.

Verder hebben de door Copijn voorgestelde locaties een venige bodem en komen de bomen in een open gebied te staan waardoor de veiligheid in het geding komt, aldus verweerder.

11.3

De voorzieningenrechter ziet geen reden om de standpunten van verweerder ten aanzien van de geschiktheid van de drie door Copijn voorgestelde alternatieve locaties voor de moerascipressen voor onjuist te houden. Aangezien het in dit geval aan een zodanig lange voorbereidingsperiode als genoemd door Staatsbosbeheer ontbreekt, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gegarandeerd dat de moerascipressen succesvol kunnen worden verplant. Bovendien is, gelet op de reactie van verweerder van 25 januari 2019, onvoldoende komen vast te staan dat er een geschikte alternatieve locatie voor deze bomen kan worden gevonden en heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat - anders dan verzoekster stelt - een ingewikkeld vergunningtraject nodig is om tot verplanting van de moerascipressen te kunnen komen.

12.1

Gezien het vorenstaande heeft verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid het belang van het vellen van de 14 moerascipressen, bezien in het licht van de toekomstige ontwikkelingen op het perceel, kunnen laten prevaleren boven het belang van het behoud van die bomen.

12.2

Dit betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen komen tot het verlenen van de omgevingsvergunning voor de activiteit het vellen van deze houtopstanden.

13. De voorzieningenrechter acht het - aansluitend op hetgeen ter zitting is besproken -wel wenselijk dat partijen met elkaar in overleg blijven om te bezien op welke wijze het verdwijnen van het grootste gedeelte van de waterpartij op korte termijn in de directe omgeving kan worden gecompenseerd.

14. Gelet op vorenstaande zal het primaire besluit naar verwachting bij de heroverweging in bezwaar stand kunnen houden. Het verzoek om voorlopige voorziening zal dan ook worden afgewezen.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.