Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:12945

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-10-2019
Datum publicatie
20-12-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1742
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Geen verschoonbaarheid. Voor zover er bij eiser onduidelijkheid bestond heeft verweerder daaraan door het opleggen van de naheffingsaanslag een einde gemaakt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2019/2958
Viditax (FutD), 24-12-2019
FutD 2020-0129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 19/1742

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. K. Bozia),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 30 januari 2019 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres voor het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting en de daarbij gegeven beschikking tot het opleggen van een vergrijpboete en het in rekening brengen van belastingrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2019.

Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Tevens was aanwezig [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] en [C] .

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiseres is een onderneming die gericht is op beheer en advies in licentie- en vermogensrechten en managementadvies.

2. Per brief van 23 november 2017 is bij eiseres een boekenonderzoek aangekondigd voor het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 (tijdvak 2013-2014). Op 31 mei 2018 is het concept van het controlerapport verzonden aan eiseres en haar toenmalige adviseur. De adviseur heeft hier per e-mail van 14 juni 2018 op gereageerd.

3. Per brief van 5 juli 2018 is bij eiseres een boekenonderzoek aangekondigd voor het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016 (tijdvak 2015-2016).

4. Het definitieve controlerapport inzake het boekenonderzoek voor het tijdvak 2013‑2014 is vervolgens opgemaakt op 12 juli 2018 (het controlerapport) en verzonden naar eiseres.

5. Het concept van het controlerapport inzake het boekenonderzoek voor het tijdvak 2015‑2016 is opgemaakt op 12 juli 2018 (het conceptrapport) en verzonden naar eiseres.

6. Per e-mailbericht van 14 augustus 2018 is namens eiseres inhoudelijk gereageerd op het controlerapport.

7. Met dagtekening 28 augustus 2018 heeft verweerder aan eiseres een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 2013-2014 voor een bedrag van € 55.743 aan omzetbelasting. Bij gelijktijdige beschikking is een vergrijpboete opgelegd ten bedrage van € 26.907 en belastingrente ten bedrage van € 10.314.

8. Eiseres heeft per brief van 26 oktober 2018, door verweerder ontvangen op 29 oktober 2018, bezwaar gemaakt tegen de boete en de belastingrente van de naheffingsaanslag.

9. Bij uitspraak op bezwaar van 8 februari 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

10. In geschil is of het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

11. Eiseres stelt primair dat het e-mailbericht van 14 augustus 2018 moet worden aangemerkt als bezwaarschrift. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat het bezwaar op grond van het vertrouwensbeginsel ontvankelijk is.

12. Verweerder stelt dat het beroep ongegrond is. Het bezwaarschrift is niet binnen de wettelijke termijn ingediend en er is tevens geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.

13. Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt.

14. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Niet in geschil is dat de termijn is aangevangen op 29 augustus 2018, de dag na dagtekening van de naheffingsaanslag, waardoor de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift eindigde op 9 oktober 2018. Het bezwaarschrift met dagtekening 26 oktober 2018 is door verweerder pas op 29 oktober 2018 – en daarmee niet binnen de termijn – ontvangen.

15. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dat hiervan sprake is, is onvoldoende gebleken. Verweerder heeft het bezwaar daarom terecht niet‑ontvankelijk verklaard.

16. Eiseres heeft gesteld dat het proces voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag al voor verwarring en miscommunicatie gezorgd, omdat verweerder zonder dat een reactie op de e-mail van 14 juni 2018 is ontvangen het controlerapport (tijdvak 2013 – 2014) heeft vastgesteld en tevens op dezelfde datum het conceptrapport (tijdvak 2015 – 2016) heeft vastgesteld. Volgens verweerder dient het e‑mailbericht van 14 augustus 2018, waarin eiseres voor een aantal punten van het controlerapport een toelichting dan wel commentaar heeft gegeven, te worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag. De rechtbank is van oordeel dat voor zover verwarring is ontstaan doordat het controlerapport en het conceptrapport dezelfde datum hebben, die alleen betrekking kan hebben op de mogelijkheid voor het indienen van een zienswijze over deze rapporten en niet op de mogelijkheid van bezwaar. Ten tijde van de e-mail van 14 augustus 2018 was de naheffingsaanslag immers nog niet opgelegd. Voor zover er verwarring of onduidelijkheid bestond over de reactietermijn voor de beide rapporten heeft verweerder daaraan door het opleggen van de naheffingsaanslag van 28 augustus 2018 een einde gemaakt. In de naheffingsaanslag is duidelijk vermeld dat deze het tijdvak 2013-2014 betreft. Gesteld noch gebleken is dat een rechtsmiddelverwijzing op de naheffingsaanslag ontbreekt of dat eiseres de aanslag niet heeft ontvangen. Eiseres had daarom ingevolge artikel 6:7 van de Awb een termijn van zes weken voor het indienen van een bezwaar. Nu eiseres daarvan geen gebruik heeft gemaakt, hetgeen voor haar rekening en risico komt, heeft verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Dat eiseres in de veronderstelling verkeerde dat zij middels de e‑mail van 14 augustus 2018 haar bezwaren voldoende kenbaar had gemaakt doet hier niet aan af. Zo eiseres gemeend heeft met de email van 14 augustus 2018 bezwaar te hebben gemaakt is dit een prematuur bezwaar en volgt uit artikel 6:10 van de Awb eveneens dat niet-ontvankelijkheid niet achterwege kan blijven.

17. Het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt (zie onder meer ABRvS van 29 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ9685). Eiseres heeft in dat verband aangevoerd dat in het e-mailbericht van 15 oktober 2018 in navolging van een eerder telefoongesprek wordt bevestigd dat nog bezwaar kan worden ingediend tegen de naheffingsaanslag. Deze stelling is, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, onvoldoende. In hetzelfde e-mailbericht heeft verweerder immers opgemerkt dat de reactie van eiseres niet meer kon worden meegenomen in de definitieve versie van het controlerapport aangezien dit rapport reeds was verzonden. In de mail is gesteld “Desgewenst kunt u bezwaar aantekenen tegen de opgelegde aanslagen” zonder dat verwezen wordt naar de naheffingsaanslag van 28 augustus 2019. Deze opmerking moet dan ook geacht worden een algemeen karakter te hebben.

Daar komt bij dat als eiseres de mogelijkheid van bezwaar nog wilde benutten het op haar weg had gelegen om, nu zij de naheffingsaanslag reeds had ontvangen, de termijn te controleren teneinde zo spoedig mogelijk bezwaar te maken. Eiseres heeft echter nog elf dagen gewacht met het indienen van een bezwaar met beperkte omvang. Ook deze beroepsgrond faalt.

18. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep niet‑ontvankelijk verklaard.

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.