Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:12911

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
12-12-2019
Zaaknummer
C/09/565895 / HA ZA 19-8
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht of samenwerkingsovereenkomst gesloten? Vergoeding? Redelijke uitleg vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/565895 / HA ZA 19-8

Vonnis van 18 september 2019

in de zaak van

[eiseres] te [plaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. H.P.C.W. Strang te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] te [plaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. W. den Harder te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 december 2018 met producties 1 tot en met 16;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 10;

  • -

    het tussenvonnis van 6 maart 2019, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 13 juni 2019;

  • -

    de akte na comparitie, tevens houdende overlegging producties met producties 17 tot en met 19 van de zijde van [eiseres] ;

- de antwoordakte na comparitie van antwoord van de zijde van [gedaagde] .

1.2.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het proces-verbaal dat buiten hun aanwezigheid is opgemaakt. Op 3 juli 2019 hebben zowel [eiseres] als [gedaagde] een reactie op het proces-verbaal aan de rechtbank verzonden. Het proces-verbaal wordt met inachtneming van deze reacties gelezen.

1.3.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In 2014 heeft [eiseres] samen met het architectenbureau [X] meegedaan aan een door de gemeente Den Haag (hierna: de gemeente) uitgeschreven prijsvraag. [eiseres] en het architectenbureau zijn een van de drie winnaars van de prijsvraag geworden. De gemeente heeft in 2014 geen verder gevolg gegeven aan de prijsvraag gezien de economische omstandigheden.

2.2.

Op 8 november 2017 heeft de gemeente de winnaars van de prijsvraag uitgenodigd voor de ontwikkeltender ‘ [de tender] ’ (hierna: de tender). De tender bestond uit twee fases: de selectiefase en de gunningsfase. In de gunningsfase zou de winnende inschrijving worden gekozen.

2.3.

Drie architecten, te weten [architect 1] , [architect 2] en [architect 3] (hierna: de architecten), hebben samen met [eiseres] besloten om deel te nemen aan de tender. Vervolgens hebben [eiseres] en de architecten ontwikkelaars benaderd, waaronder [gedaagde] .

2.4.

Partijen hebben vervolgens met elkaar gesproken, waarna [gedaagde] op 23 november 2017 een e-mail met onder meer de volgende inhoud aan het team heeft gestuurd:

“(…)

In financiële zin vinden wij het altijd belangrijk dat iedereen dezelfde drijfveer heeft: het winnen van de prijsvraag. Daar moet dan ook voor iedereen het verdienmodel in te vinden zijn. Bijzonder in dit geval is natuurlijk dat jullie al een voortraject hebben gehad om te komen tot de selectiefase.

Wij stellen daarom de volgende vergoeding voor:

1) 10.000 euro vergoeding (excl. BTW) na afronding selectiefase. Ook indien we onverhoopt niet zouden worden toegelaten tot de selectiefase.

2) Gunningsfase vraagt vervolgens tijd en inspanning van alle partijen, met een gezamenlijke focus op het winnen van deze tender. Vergoeding/bonus van 50.000 euro (excl. BTW) bij winst en aanvullend uiteraard marktconforme opdracht passend binnen de financials van het plan voor uitwerking van het concept in jullie rollen van architect en constructeur.

Onze intentie is om hier een volwaardige opdracht van te maken, passend binnen de opgave en exploitatie van het project. Die zullen we met elkaar in de gunningsfase handen en voeten moeten geven. Mocht onverhoopt de gunning naar een andere partij gaan dan vergoeden wij aanvullend op de selectiefase nogmaals 10.000 euro excl. BTW voor jullie werkzaamheden in de gunningsfase.

Veel succes en wijsheid met jullie afweging nu en wij staan klaar voor jullie om er een winnend verhaal van te maken.”

2.5.

Diezelfde dag heeft [architect 1] een e-mail met de volgende inhoud aan [gedaagde] verzonden, welke e-mail niet aan [eiseres] is gestuurd:

“(…)

Wij vonden het een zeer positief en enthousiasmerend gesprek gisteren! We zouden dan ook graag met jullie verder gaan mits de juiste referenties aangeleverd kunnen worden en we concretere afspraken kunnen maken betreffende de voorwaarden voor deze fase, de gunningsfase en het vervolgtraject.

Voor dit laatste zouden we op zeer korte termijn een afspraak willen maken. (…)”

2.6.

Op 28 november 2017 zijn partijen en de architecten samengekomen en heeft [eiseres] een “Voorstel advieskosten [eiseres] ” aan [gedaagde] voorgelegd. In het voorstel is een staatje opgenomen dat onder meer het volgende inhoudt:

totaal percentage van de bouwkosten

12,00%

totaal advieskosten

€ 1.200.000

tenderkosten aanmelding: € 10.000 waarvan € 10.000 vergoed gunning: € 50.000 waarvan € 50.000 vergoed

€ 60.000

succes fee 1,5%

€ 150.000

TOTAAL bij winst

€ 1.410.000

Met ‘aanmelding’ is aanmelding voor de selectiefase bedoeld.

2.7.

[eiseres] heeft vervolgens op 30 november 2017 aan [gedaagde] een e-mail met onder meer de volgende inhoud verzonden:

“Zoals afgelopen dinsdag besproken zouden we je nog informeren over de verwachte bestedingen in de aanmeld en gunningsfase.

Voor de aanmeldfase komen we uit op € 10.000,00. Dit sluit dus mooi aan op je voorstel.

Voor de gunningsfase zijn we afhankelijk van wat jullie van ons verwachten. Op basis van de leidraad zou met een relatief geringe inspanning van ons volstaan kunnen worden. Het gaat immers vooral om tekst. Er worden geen afbeeldingen en tekeningen gevraagd. We denken wel dat het goed is dat we wat volumestudies doen inclusief wat verkenningen van de technische implicaties zodat jullie een beeld hebben van het kostenniveau van de gebouwen. We verwachten dan ongeveer € 30.000,00 nodig te hebben.

Maar mogelijk willen jullie om een goede inschatting te kunnen maken van de bouwkosten veel meer gedetailleerde informatie ontvangen zoals geotechnische verkenning, indicatie bouwput en fundering, materialisatie gevel, duurzaamheidsadvies, etc.. Dan verwachten we ongeveer € 50.000 nodig te hebben.

In beide gevallen geldt dat we bereid zijn een risico van 25% te nemen op ons honorarium. Bij winst verwachten we dan wel een bonus van 2 x het door ons genomen risico.

Verder ontvang je het herziene overzicht voor ons honorarium bij winst van het project. We hebben een bandbreedte aangegeven gebaseerd op een bouwsom die varieert tussen de €10.000.000 zoals ooit als bedrag is gaan leven en €17.000.000 zoals wij als [eiseres] op dit moment de kosten inschatten. Zoals afgelopen dinsdag besproken hebben we verder de directievoering eruit gehaald en is het toezicht alleen nog partieel opgenomen.

We zijn benieuwd naar je reactie.”

2.8.

[gedaagde] heeft niet op deze e-mail gereageerd.

2.9.

Op 4 december 2017 hebben partijen en de architecten zich bij de gemeente aangemeld voor de selectiefase in een door een allen ondertekende brief met, voor zover van belang, de volgende inhoud:

“Hartelijk dank voor de uitnodiging om mee te doen in de selectie- en gunningsfase voor de verkoop ‘ [de tender] -Kavel’. Met veel enthousiasme melden we ons aan volgens de voorwaarden uit de selectie en gunningsleidraad. Bijgevoegd zijn alle gevraagde stukken in 6-voud.

Wij zijn als [het Team] ( [het Team] )-team een combinatie aangegaan met de [gedaagde] ( [gedaagde] ) waarbij [gedaagde] in de bijgeleverde stukken de aanmelder is en wij als [het Team] -team in bijlage 5 als onderaannemer vermeld staan. (…)

Wij, [het Team] en [gedaagde] , verklaren bij deze dat de risicodragende partij ( [gedaagde] ) en de (technisch) ontwerpbureaus van [het Team] een samenwerking aangaan waarin gegarandeerd is dat de (technisch) ontwerpbureaus deel uitmaken van de ontwikkeling tot aan de oplevering van het project.”

2.10.

De gemeente heeft op 14 december 2017 aan partijen en de architecten medegedeeld dat de aanmelding succesvol was, waarna partijen zijn begonnen met de werkzaamheden voor de gunningsfase.

2.11.

[eiseres] heeft op 25 januari 2018 een e-mail met onder meer de volgende inhoud aan [gedaagde] verzonden, waarbij onder meer een kopie van haar e-mail aan [gedaagde] van 30 november 2017 als bijlage was toegevoegd:

“Hoewel ik op dit moment niet deelneem aan de ontwerpoverleggen voor [de tender] word ik uiteraard door de anderen wel op de hoogte gehouden van hoe het loopt. Ik hoor alleen maar positieve berichten over de goede en prettige samenwerking en het volle vertrouwen in een mooie indiening.

Dit bericht stuur ik je omdat we zoals eerder besproken naast de aanmelding ook nog de zakelijke kant van onze samenwerking moeten vastleggen.

Eind november voordat we ons samen hadden aangemeld is al wat informatie uitgewisseld over de verwachte bestedingen van ons in de aanmeld en gunningsfase en de wijze waarop we voorstellen hierin gecompenseerd te worden. Ook hadden we al ons honorarium opgegeven bij winst van het project.

We zouden dit graag op korte termijn met jullie schriftelijk willen vastleggen. Ons voorstel is daartoe bijgaande memo van samenwerking te gebruiken. In deze memo zijn onze voorstellen van eind november wat uitvoeriger vastgelegd.

Mocht er behoefte zijn aan een verdere toelichting of nader overleg dan ben ik daar uiteraard graag toe bereid.”

2.12.

Ook op deze e-mail heeft [gedaagde] niet gereageerd.

2.13.

Op 6 februari 2018 heeft [eiseres] nogmaals een e-mail aan [gedaagde] verzonden met de onder meer volgende inhoud:

“Zowel vorige week vrijdag als gisteren heb ik herhaaldelijk geprobeerd telefonisch contact te leggen met [… 1] . Helaas zonder resultaat. Er is geen mogelijkheid een voicemailbericht in te spreken dus daarom heb ik in ieder geval vrijdag een app bericht gestuurd. Nu nog maar weer een poging per mail waarbij ik mij ook richt tot [… 2] .

Voor ons is belangrijk dat we zoals in onderstaande mail van 25 januari jl. is aangegeven, de zakelijke kant van onze gezamenlijke aanmelding en latere samenwerking, verder schriftelijk vastleggen voordat de inschrijving plaatsvindt. Tot nog toe hebben we noch op onze onderstaande mail, noch op onze mail van 30 november vorig jaar een reactie ontvangen. Wie zwijgt stemt toe zegt een goed Hollands gezegde. Op dit moment is er dan ook geen andere conclusie mogelijk dan dat jullie instemmen met de inhoud van de memo van samenwerking die bij onderstaande mail was gevoegd. We zouden deze dan ook graag op korte termijn (vandaag of uiterlijk morgen) rechtsgeldig ondertekend retour ontvangen van jullie.

Als er toch nog behoefte is aan een toelichting of verder overleg dan geldt dat we daar uiteraard nog steeds graag toe bereid zijn.”

2.14.

De heer [A] , werkzaam bij [eiseres] , heeft vervolgens een kort telefoongesprek gevoerd met de heer [B] , directielid van [gedaagde] .

2.15.

Op 15 februari 2018 is de inschrijving bij de gemeente ingediend.

2.16.

[eiseres] heeft op 28 februari 2018 inzake ‘ [het Project] ’ voor de selectiefase een, op 27 februari 2018 gedateerde, factuur aan [gedaagde] verstuurd ad € 10.000,00 exclusief btw, met als toelichting: “Facturatie “fase selectie” conform Memo van 25 januari en bovengenoemd project”.

2.17.

Op 28 februari 2018 heeft de gemeente bekend gemaakt dat partijen en de architecten de tender niet hadden gewonnen.

2.18.

[eiseres] heeft op 12 maart 2018 voor de gunningsfase inzake ‘ [het Project] ’ een tweede factuur, gedateerd 6 maart 2018, aan [gedaagde] verstuurd van € 37.500,00 exclusief btw, met als toelichting: “Facturatie inzake fase gunning en inschrijving voor bovengenoemd project. Conform de “Memo van Samenwerking” van 25 januari 2018”.

2.19.

[gedaagde] heeft de twee facturen onbetaald gelaten.

2.20.

Op 6 april 2018 heeft [gedaagde] aan [eiseres] een e-mail aan verzonden met onder meer volgende inhoud:

“Op 30/3 ontvingen wij een betalingsherinnering voor een factuur die we überhaupt niet ontvangen hadden. Gisteren heb ik op navraag van mijn kant bij jullie administratie de betreffende factuur alsnog ontvangen.

In deze factuur van 27 februari wordt verwezen naar facturatie conform “memo van 25/1”. Deze verwijzing is niet correct. Basis voor facturatie is hoe we met elkaar de tender in zijn gegaan, niet een memo aan het einde van de tenderfase die niet aansluit bij hetgeen we zijn overeengekomen. Deze factuur kunnen we dus ook niet in behandeling nemen.

Vriendelijk verzoek derhalve om een nieuwe factuur op te stellen, waarbij is opgenomen dat deze factuur ook uit naam is van de dames [architect 3] , [architect 1] en [architect 2] is, en dat [eiseres] de verantwoording op zich neemt[t, rb.] voor de verdere onderlinge verdeling tussen partijen.

Basis voor facturatie is onze mail van 23/11/2017. Totaal bedrag van de factuur is 20.000 euro, excl. BTW met daarbij verwijzing dat de facturatie is conform onze mail 23/11/2017. Op deze wijze kunnen we de factuur in behandeling nemen en tot betaling overgaan.”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] heeft gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

primair

  1. voor recht te verklaren dat er een overeenkomst tot stand is gekomen tussen [eiseres] en [gedaagde] conform het aanbod van [eiseres] van 30 november 2017;

  2. [gedaagde] op grond van die overeenkomst te veroordelen tot betaling van € 47.500 exclusief BTW, te vermeerderen met de over dit bedrag verschenen wettelijke (handels)rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van volledige betaling;

subsidiair

3. voor recht te verklaren dat er een overeenkomst tot stand is gekomen tussen [eiseres] en

[gedaagde] waarin geen prijs is bepaald;

4. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 47.500 exclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van volledige betaling;

meer subsidiair

5. voor recht te verklaren dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [eiseres] ;

6. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 139.608 exclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2018 tot aan de dag van volledige betaling;

primair, subsidiair en meer subsidiair

7. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

[eiseres] heeft, samengevat, het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd.

Partijen hebben een overeenkomst van opdracht gesloten op grond waarvan [eiseres] als opdrachtnemer advieswerkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht. De architecten hebben als onderopdrachtnemer werkzaamheden voor [eiseres] verricht. Op grond van de overeenkomst tussen [gedaagde] en [eiseres] dient [gedaagde] het tussen partijen overgekomen loon (bij verlies van de tender) te betalen, bestaande uit € 10.000 voor de selectiefase en € 37.500 voor de gunningsfase. De facturen van [eiseres] zijn ten onrechte onbetaald gebleven. Indien partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van het loon, dient [gedaagde] aan [eiseres] het gebruikelijke loon dan wel het redelijke loon te betalen, in totaal een bedrag van € 47.500. Mochten partijen in het geheel geen overeenkomst hebben gesloten, dan is [gedaagde] ongerechtvaardigd verrijkt door de werkzaamheden van [eiseres] , waarbij een schadevergoeding van € 139.608 redelijk is, aldus [eiseres] .

3.3.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Vorderingsgerechtigheid [eiseres]

4.1.

Allereerst ligt ter beoordeling voor de vraag of uitsluitend [eiseres] jegens [gedaagde] vorderingsgerechtigd is, dan wel dat tevens de architecten, die geen partij zijn in deze procedure, vorderingsgerechtigd zijn. Dit is van belang omdat gesteld noch gebleken is dat [eiseres] gevolmachtigd is om een eventuele vordering op [gedaagde] mede namens de architecten te innen.

4.2.

[eiseres] heeft na de comparitie van partijen, op verzoek van de rechtbank, (kopieën van) ondertekende verklaringen van de architecten in het geding gebracht, waarin zij ieder verklaren met [eiseres] overeengekomen te zijn dat de door hen verrichte werkzaamheden contractueel onder [eiseres] vallen, dat [eiseres] aan hen een vergoeding heeft betaald voor tijdens de tender gemaakte kosten en dat zij ter zake jegens [gedaagde] geen vorderingsrecht hebben. [gedaagde] heeft op grond daarvan geconcludeerd dat de architecten geen vorderingsrecht jegens haar pretenderen. Hierom moet ervan worden uitgegaan dat enkel [eiseres] jegens [gedaagde] vorderingsgerechtigd is, zodat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van die vordering.

Kwalificatie overeenkomst

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat zij ten behoeve van de tender een overeenkomst hebben gesloten, maar wel hoe deze overeenkomst dient te worden gekwalificeerd. Volgens [eiseres] hebben partijen een overeenkomst van opdracht gesloten, terwijl zij volgens [gedaagde] een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten.

4.4.

Een overeenkomst van opdracht is - kort gezegd - een overeenkomst waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt werkzaamheden te verrichten (artikel 7:400 Burgerlijk Wetboek). Kenmerkend voor een overeenkomst van opdracht is dat de opdrachtgever bepaalde verrichtingen aan de opdrachtnemer opdraagt.

4.5.

[eiseres] stelt zich - zo begrijpt de rechtbank - op het standpunt dat haar door [gedaagde] is opgedragen om in de selectiefase en de gunningsfase advieswerkzaamheden te verrichten ten behoeve van de aanmelding op 4 december 2017 en de uiteindelijke inschrijving op 15 februari 2018.

4.6.

[gedaagde] heeft gemotiveerd weersproken dat zij [eiseres] tijdens de tender kon opdragen bepaalde werkzaamheden te verrichten. Zij heeft erop gewezen dat [eiseres] met een architectenbureau al eerder aan de prijsvraag had deelgenomen en zij vervolgens samen [gedaagde] hebben benaderd. Volgens [gedaagde] hebben partijen vervolgens een samenwerkingsovereenkomst gesloten, waarbij [eiseres] , [gedaagde] en de architecten als gelijkwaardige partijen samenwerkten aan de aanmelding en de inschrijving.

4.7.

Dat [gedaagde] binnen de overeenkomst in de positie was om [eiseres] op te dragen bepaalde (advies)werkzaamheden te verrichten en dat zij voor [gedaagde] werkzaamheden heeft verricht is niet komen vast te staan. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.8.

Tussen partijen staat vast dat [eiseres] met een architectenbureau met de deelname aan de prijsvraag een voortraject hebben gehad waarbij [gedaagde] niet betrokken is geweest. Vaststaat dat [eiseres] en de architecten samen [gedaagde] hebben benaderd. Dit maakt het niet voor de hand liggend dat [gedaagde] als opdrachtgever is opgetreden. Uit de aanmelding die door partijen op 4 december 2017 naar de gemeente is verstuurd kan evenmin worden afgeleid dat [gedaagde] daadwerkelijk tijdens de tenderfase [eiseres] heeft opgedragen bepaalde werkzaamheden te verrichten. Allereerst geldt dat hoe partijen zich extern presenteren (in dit geval naar de gemeente) niet gelijk hoeft te zijn aan hun interne rechtsverhouding. Daarnaast is het volgende van belang. In bijlage 5 bij de inschrijving staat [eiseres] vermeld als onderaannemer. Nog daargelaten dat in de aanmelding geen ‘opdrachtnemer’ staat vermeld, heeft, zoals volgt uit de tekst van bijlage 5, het woord ‘onderaannemer’ enkel betrekking op de rol van [eiseres] na de tenderfase, te weten vanaf het moment dat partijen de gunning zouden hebben gewonnen. Reeds hierom kan dit stuk niet worden meegenomen bij de kwalificatie van de overeenkomst die partijen vóór de tenderfase zijn aangegaan. Daarbij komt dat in de begeleidende brief bij de aanmelding van 4 december 2017 juist staat vermeld dat partijen een combinatie (tweede alinea) en een samenwerking (derde alinea) zijn aangegaan.

4.9.

Uit de omstandigheid tot slot dat tussen partijen is gesproken over een door [gedaagde] aan [eiseres] te betalen vergoeding kan evenmin worden afgeleid dat [gedaagde] binnen de overeenkomst in de positie was om [eiseres] op te dragen bepaalde (advies)werkzaamheden te verrichten. Er zijn immers legio overeenkomsten denkbaar waarbij betaling van een vergoeding wordt afgesproken. [eiseres] heeft ook geen concrete voorbeelden genoemd waaruit volgt dat [gedaagde] tot het opdragen van werkzaamheden gerechtigd was. Van een overeenkomst van opdracht is geen sprake.

4.10.

Beide partijen hebben onderschreven dat zij hebben samengewerkt om te komen tot de aanmelding en de inschrijving. De rechtbank zal de overeenkomst daarom aanmerken als een (samenwerkings)overeenkomst tussen [eiseres] , [gedaagde] en de architecten waarbij allen op voet van gelijkwaardigheid werkzaamheden ten behoeve van de aanmelding hebben verricht.

Vergoeding

4.11.

Partijen verschillen van mening over de vraag welke vergoeding er is overeengekomen. [eiseres] stelt daartoe dat [gedaagde] haar aanbod van 30 november 2017, zoals uitgewerkt in de memo van 25 januari 2018, heeft aanvaard. Dat betekent volgens [eiseres] dat [gedaagde] , bij verlies van de tender, aan [eiseres] een vergoeding verschuldigd is van € 47.500 exclusief BTW, namelijk € 10.000 voor de selectiefase en € 37.500 voor de gunningsfase.

4.12.

[gedaagde] bestrijdt dat op basis van het aanbod van [eiseres] van 30 november 2017 een vergoeding is overeengekomen. Zij stelt dat ook haar aanbod van 23 november 2017 niet is aanvaard, zodat er geen wilsovereenstemming bestond over de door [gedaagde] te betalen vergoeding. Bij gebreke van overeenstemming moet worden teruggevallen op het algemene uitgangspunt dat bij iedere aanbesteding inschrijvers elk hun eigen kosten dragen. Subsidiair heeft [gedaagde] gesteld dat een prijs van € 20.000 exclusief BTW is overeengekomen. Zij heeft betoogd met haar aanbieding van 23 november 2017 een eindbod te hebben gedaan, hetgeen met name ook blijkt uit de slotzin van die e-mail: “Veel succes en wijsheid met jullie afweging nu en wij staan klaar voor jullie om er een winnend verhaal van te maken.” Het heeft [gedaagde] gestoord dat [eiseres] heeft getracht om, toen het traject al liep, alsnog een hogere vergoeding te bedingen. Daarom heeft zij niet op e-mails gereageerd.

4.13.

De rechtbank overweegt als volgt. [eiseres] heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] , onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde] op basis van een door [gedaagde] geaccepteerd aanbod van [eiseres] van 30 november 2017 aan haar nog een vergoeding van

€ 47.500 exclusief BTW dient te voldoen. Nog daargelaten dat de rechtbank niet kan vaststellen dat de e-mail van [eiseres] van 30 november 2017 [gedaagde] daadwerkelijk heeft bereikt, nu [gedaagde] dit heeft betwist, heeft [gedaagde] op die e-mail niet gereageerd. [gedaagde] heeft met het aanbod in de e-mail van 30 november 2017 dus niet uitdrukkelijk ingestemd. [eiseres] heeft geen aanknopingspunten gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat [gedaagde] stilzwijgend met dit aanbod heeft ingestemd, noch heeft zij feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [gedaagde] met dit aanbod akkoord ging. Integendeel, uit de e-mail van 25 januari 2018 van [eiseres] aan [gedaagde] volgt reeds dat [eiseres] daar niet van uit ging. Daarin schreef [eiseres] immers onder meer dat partijen zoals eerder besproken naast de aanmelding ook nog de zakelijke kant van hun samenwerking moesten vastleggen, dat eind november al wat informatie was uitgewisseld over de verwachte bestedingen in de aanmeld en gunningsfase en de wijze waarop [eiseres] voorstelde hierin gecompenseerd wenste te worden, dat [eiseres] haar honorarium had opgegeven bij winst van het project, alsmede dat zij dit graag op korte termijn met [gedaagde] schriftelijk wilde vastleggen. Ook op de e-mail van 25 januari 2018 heeft [eiseres] van [gedaagde] vervolgens geen akkoord gekregen. [eiseres] heeft dit zelf bevestigd in haar e-mail van 6 februari 2018 aan [gedaagde] , waarin zij nogmaals heeft geprobeerd een reactie van [gedaagde] te krijgen. [eiseres] schreef toen: “Voor ons is belangrijk dat we zoals in onderstaande mail van 25 januari jl. is aangegeven, de zakelijke kant van onze gezamenlijke aanmelding en latere samenwerking, verder schriftelijk vastleggen voordat de inschrijving plaatsvindt. Tot nog toe hebben we noch op onze onderstaande mail, noch op onze mail van 30 november vorig jaar een reactie ontvangen. Wie zwijgt stemt toe zegt een goed Hollands gezegde. Op dit moment is er dan ook geen andere conclusie mogelijk dan dat jullie instemmen met de inhoud van de memo van samenwerking die bij onderstaande mail was gevoegd. We zouden deze dan ook graag op korte termijn (vandaag of uiterlijk morgen) rechtsgeldig ondertekend retour ontvangen van jullie.” Verder volgt uit de mail van 6 februari 2018 genoegzaam dat [eiseres] (inmiddels min of meer wanhopig) poogde om [gedaagde] (die niet reageerde) te bereiken en dat zij, blijkens de verzochte ondertekening, heel wel wist dat [gedaagde] nog niet akkoord was gegaan met het aanbod van 30 november 2017. [eiseres] heeft niet gesteld dat [gedaagde] tijdens het korte telefoongesprek na 6 februari 2018 akkoord is gegaan met haar voorstel. [eiseres] heeft evenmin andere feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden geoordeeld dat zij op enig moment na 25 januari 2018 er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [gedaagde] met het voorstel van [eiseres] van 30 november 2017 akkoord was gegaan. Overigens zou het [gedaagde] hebben gesierd op de e-mails van [eiseres] te reageren, al was het maar met een korte mededeling dat en waarom zij daarmee niet akkoord was.

4.14.

Het subsidiaire argument van [gedaagde] (dat een prijs van € 20.000 exclusief BTW is overeengekomen voor het geval de gunning mislukt) sluit aan op hetgeen zij bij e-mail van 6 april 2018 na afloop van de werkzaamheden aan [eiseres] heeft geschreven. In die e-mail heeft [gedaagde] verwezen naar haar e-mail van 23 november 2017, welke zij voorafgaand aan de werkzaamheden aan [eiseres] heeft verstuurd. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [eiseres] (tenminste) het eindbod van [gedaagde] heeft aanvaard, althans dat [gedaagde] op 6 april 2018, onder verwijzing naar haar eindbod, na afloop van de werkzaamheden uitdrukkelijk betaling van € 20.000 ex BTW heeft toegezegd, aan welke toezegging [gedaagde] rechtens gebonden is. Dat een hogere vergoeding is overeengekomen is niet komen vast te staan.

Beoordeling van de vorderingen

4.15.

De rechtbank zal nu beoordelen wat het voorgaande betekent voor de toewijsbaarheid van de vorderingen van [eiseres] .

4.16.

[eiseres] heeft primair gevorderd voor recht te verklaren dat er een overeenkomst tot stand is gekomen tussen [eiseres] en [gedaagde] conform het aanbod van [eiseres] van 30 november 2017 en verder om [gedaagde] op grond van die overeenkomst te veroordelen tot betaling van

€ 47.500 exclusief BTW te vermeerderen met wettelijke (handels)rente. Uit het in 4.13 overwogene volgt dat de primair gevorderde verklaring voor recht moet worden afgewezen.

4.17.

Bij het subsidiair gevorderde is [eiseres] ervan uitgegaan dat geen prijs is overeengekomen en heeft zij het gevorderde bedrag gebaseerd op een overeenkomst van opdracht. Van een overeenkomst van opdracht kan in rechte echter niet worden uitgegaan en bovendien is de rechtbank van oordeel dat wel een prijs is overeengekomen, dan wel dat [gedaagde] aan [eiseres] heeft toegezegd dat zij het meergenoemde bedrag van € 20.000 exclusief BTW zou betalen voor het geval de gunning zou mislukken.

4.18.

De meer subsidiaire vordering heeft [eiseres] gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking. Nu partijen een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten is daarvan geen sprake.

4.19.

Evident is dat [eiseres] door middel van de ingestelde vorderingen op enigerlei wijze betaling van [gedaagde] beoogt te verkrijgen voor de door haar ingevolge de samenwerkingsovereenkomst verrichte werkzaamheden. Bij deze stand van zaken brengt een redelijke uitleg van het tweede gedeelte van het primair gevorderde mee dat daaronder niet alleen valt de situatie dat een vergoeding is overeengekomen conform het aanbod van 30 november 2017, maar ook valt de situatie dat op een ander moment tussen partijen een bepaalde vergoeding is overeengekomen, dan wel deze dat deze vergoeding aan [eiseres] is toegezegd. Aldus is het bedrag van € 20.000 exclusief BTW toewijsbaar.

4.20.

Nu de aan [gedaagde] verzonden facturen onjuist waren, want deze zijn op een onjuist uitgangspunt gebaseerd, is [gedaagde] door de niet-betaling daarvan niet in verzuim geraakt. [eiseres] is ook niet ingegaan op de uitnodiging van [gedaagde] om aan haar een factuur tot een bedrag van € 20.000 exclusief BTW te versturen. Hierom zal de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente worden bepaald op veertien dagen na de betekening van dit vonnis. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

4.21.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 20.000 (twintig duizend euro) exclusief BTW, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW over het toegewezen bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.2.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 uitgesproken veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2019.1

1 type: 2579