Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1288

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
14-02-2019
Zaaknummer
09/765021-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor het plegen van ontucht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/765021-18

Datum uitspraak: 14 februari 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats],

BRP-adres: [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 31 januari 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. W. Bos en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. J. Rens naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 1juni 2016 tot en met 13 december 2016 te ’s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten:

- het brengen van zijn penis in haar vagina, en/of

- het heen en weer bewegen van zijn penis in haar vagina, en/of

- het zich door die [slachtoffer] laten pijpen;

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De verdachte heeft het tenlastegelegde feit bekend en de verdediging heeft geen vrijspraak bepleit. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met onderstaande opsomming van de bewijsmiddelen1:

- de aangifte van [slachtoffer], d.d. 12 april 2017, blz. 32, d.d. 22 september 2017, blz. 44-46;

- het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], d.d. 24 juli 2017, blz. 121-123;

- de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 31 januari 2019.

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hieronder is bewezenverklaard.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

hij in de periode van 1 juni 2016 tot en met 13 december 2016 te ’s-Gravenhage meermalen met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten:

- het brengen van zijn penis in haar vagina en

- het heen en weer bewegen van zijn penis in haar vagina en

- het zich door die [slachtoffer] laten pijpen.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betwist dat de verdachte een beroep op afwezigheid van alle schuld toekomt. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een strafbare dader is.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld, omdat de verdachte niet wist dat aangeefster vijftien jaar oud was en hij er voldoende aan heeft gedaan om zichzelf ervan te vergewissen dat zij (boven de) achttien jaar oud was. De rechtbank begrijpt dat de raadsman daartoe heeft willen aanvoeren dat de verdachte op grond van na te melden omstandigheden verontschuldigbaar heeft gedwaald over de daadwerkelijke leeftijd van aangeefster.

De raadsman heeft voorop gesteld dat de verdachte aangeefster heeft leren kennen via een advertentie op een achttienplus website. Zij vertelde hem dat zij geld nodig had voor haar studie geneeskunde (en voor een verkeersboete). De verdachte leidde hieruit af dat zij meerderjarig was. Volgens de raadsman kan de verdachte redelijkerwijs niet worden verweten dat hij onbekend was met de minderjarigheid van aangeefster en dat hij geen nader onderzoek heeft gedaan, omdat hij actief door haar is misleid. Hij heeft nimmer getwijfeld aan de informatie die aangeefster hem gaf en is zich van geen kwaad bewust geweest. Dit blijkt ook uit het feit dat hij gewoon in zijn eigen praktijk met haar heeft afgesproken. Bovendien heeft hij bij de politie melding gemaakt van het feit dat aangeefster hem nadien chanteerde met de omstandigheid dat zij minderjarig was.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Anders dan door de verdediging bepleit, is de rechtbank van oordeel dat bij de verdachte geen sprake is geweest van een zodanig verontschuldigbare dwaling ten aanzien van de leeftijd van aangeefster dat dit tot ontslag van rechtsvervolging zou moeten leiden, zodat dit verweer wordt verworpen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van de ontuchtige handelingen in artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voldoende is dat komt vast te staan dat de minderjarige tussen de twaalf en zestien jaar oud was. Opzet of schuld daaromtrent is niet vereist. Het is voor een bewezenverklaring dus niet van belang of de verdachte wist dat aangeefster minderjarig was. De bescherming van de lichamelijke integriteit van minderjarigen staat immers centraal in artikel 245 Sr en strekt zich ook uit tot eventuele door de minderjarige zelf geïnitieerde gedragingen. Dit betekent dat de verdachte een verstrekkende onderzoeksplicht had om achter de (werkelijke) leeftijd van aangeefster te komen. Een beroep op dwaling omtrent de leeftijd heeft slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kans van slagen. In dat geval is noodzakelijk dat gesproken kan worden van het volledig ontbreken van verwijtbare onwetendheid bij de verdachte over de ware leeftijd van aangeefster. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in de onderhavige zaak geen sprake.

De verdachte heeft aangeefster ontmoet via een sekswebsite en genoegen genomen met de mededeling dat zij geneeskundestudent was. Dat het een achttienplus website betrof, maakt niet dat hij zomaar van de juistheid van de informatie op die website mocht afgaan, ook niet nu aangeefster er naar zijn mening als een meerderjarige uitzag. Daar waar hij ervoor gekozen heeft om seks te hebben met een meisje dat hij niet kende, waarvan hij wist dat zij aanzienlijk jonger was dan hijzelf, had het op de weg van de verdachte gelegen om meer onderzoek te verrichten naar haar werkelijke leeftijd, bijvoorbeeld door naar haar legitimatiebewijs te vragen. Door in de gegeven omstandigheden slechts af te gaan op de informatie van aangeefster en zijn eigen inschatting, heeft de verdachte niet voldaan aan zijn onderzoeksplicht die in deze situatie op hem rustte. Het beroep op afwezigheid van alle schuld wordt dan ook verworpen.

Er zijn ook overigens geen andere feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht – gelet op de omstandigheden van het geval en op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte – een gevangenisstraf voor de duur van één dag en een werkstraf van 200 uren op te leggen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, laat staan een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, zoals door de officier van justitie geëist, zal desastreuze gevolgen hebben voor het gezin en het werk van de verdachte.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht met een meisje van vijftien jaar. De verdachte heeft via een sekswebsite een afspraak met het meisje gemaakt en zonder nader onderzoek naar haar leeftijd seksueel contact met haar gehad tegen betaling. Kinderen van die leeftijd, in elk geval beneden de zestien jaar verdienen een grote mate van bescherming. Die mate van bescherming is zo groot dat ook sprake is van ontucht als zij, zoals in dit geval, zichzelf via internet aanbieden of contact zoeken. Dat de verdachte in de veronderstelling zou hebben verkeerd dat het meisje meerderjarig was, doet aan het strafbare karakter van zijn handelen dan ook niet af. Minderjarigen, en hun seksuele integriteit, dienen in dit opzicht in alle omstandigheden beschermd te worden, ook tegen de consequenties van hun eigen gedragingen. Daarom is de wetenschap van de verdachte over de leeftijd van het meisje voor een bewezenverklaring onder artikel 245 Sr ook niet relevant.

Het meisje was slachtoffer van mensenhandel. De rechtbank houdt er rekening mee dat de verdachte hiervan niet op de hoogte was en hier ook geen rol bij heeft gespeeld. De verdachte heeft desondanks door zijn handelen wel een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het jeugdige slachtoffer. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte niet eerder voor soortelijke feiten met politie en justitie in aanraking is gekomen. De rechtbank heeft voorts acht geslagen op een reclasseringsrapport van 3 december 2018 betreffende verdachte.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met de strafbedreiging die is neergelegd in artikel 245 Sr, te weten een maximale gevangenisstraf voor de duur van acht jaren of een geldboete van de vijfde categorie, en met de in artikel 22b Sr neergelegde beperkingen ten aanzien van de oplegging van een taakstraf. De wetgever heeft hiermee het grote belang aangegeven dat aan de bescherming van minderjarige in zedenzaken moet worden gehecht. Gezien de ernst van het feit en de gevolgen die een feit als het onderhavige in het algemeen voor het slachtoffer met zich brengen, neemt de rechtbank bij een veroordeling wegens overtreding van het bepaalde in artikel 245 Sr een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als uitgangspunt. In beginsel kan niet kan worden volstaan met een andere, lichtere, strafmodaliteit.

In lijn hiermee zal de rechtbank aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. De persoonlijke belangen van de verdachte, in het bijzonder zijn belang bij het behoud van zijn werk, wegen daarbij niet op tegen de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer . Bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte op twee verschillende tijdstippen seksueel contact heeft gehad met het slachtoffer en dat hij, hoewel hij niet op zoek was naar een minderjarige, heeft nagelaten te controleren of zij meerderjarig was.

Alles afwegende, komt de rechtbank tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden.

De rechtbank komt tot een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie geëist, omdat niet is gebleken dat de verdachte op de hoogte was van de uitbuitingssituatie waarin het slachtoffer verkeerde op het moment dat de verdachte seks met haar had tegen betaling.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard, en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) MAANDEN.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.J. van As, voorzitter,

mr. B. Hammer, rechter,

mr. P. Burgers, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. F. Verkijk, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 februari 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het onderzoeksnummer DHRCC17011 en het proces-verbaalnummer BVH-nummer 2017 073 960 van de politie Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 129).