Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1283

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-02-2019
Datum publicatie
22-03-2019
Zaaknummer
NL19.746 en NL19.748
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Tsjechië

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummers: NL19.746 en NL19.748


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer],

[eiseres] , eiseres, V-nummer [V-nummer]

mede namens hun minderjarige kinderen,

[kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2013 en

[kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2016

hierna tezamen: eisers

(gemachtigde: mr. Y. Tamer),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

Procesverloop

Bij besluiten van 11 januari 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvraag van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Tsjechië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvragen.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2019.

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen B. Nasseri Raveshti. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1986, eiseres is geboren op [geboortedatum] 1993. Eiser en eiseres zijn met elkaar gehuwd. Eisers hebben allen de Azerbeidzjaanse nationaliteit. Zij hebben op 11 november 2018 een asielaanvraag ingediend.

2. Uit Eurodac is gebleken dat eisers op 25 maart 2016 in Zweden en op 1 september 2017 in Tsjechië een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend. Uit EU-Vis is gebleken dat eisers door de buitenlandse vertegenwoordiging van Tsjechië in het bezit zijn gesteld van een visum, welke geldig was van 20 maart 2016 tot 11 april 2016. De Zweedse autoriteiten hebben daarom geoordeeld dat Tsjechië verantwoordelijk was voor de asielaanvraag van eisers. Eisers hebben verklaard dat hun aanvraag door de Tsjechische autoriteiten is afgewezen. Verweerder heeft de Tsjechische autoriteiten op 5 december 2018 op grond van Verordening (EU) 604/2013 (hierna: Dublinverordening) verzocht om eisers terug te nemen. Op 12 december 2018 hebben de Tsjechische autoriteiten op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening hiermee ingestemd.

3. Eisers betogen dat verweerder ten aanzien van Tsjechië ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid de asielaanvraag van eisers aan zich te trekken op grond van artikel 19 van de Dublinverordening. Zij hebben daartoe aangevoerd dat de Tsjechische autoriteiten hebben verklaard geen vluchtelingen meer op te willen nemen. Eisers verwijzen voorts naar het rapport “Pushed Back at the Door: Denial of Acces to Asylum in Eastern EU Member States” van 23 januari 2017 en het rapport van OPU van 14 september 2015, “Refugees being treated like criminals in Czech detention centres”. De opvang in Tsjechië biedt onvoldoende waarborgen. Asielzoekers kunnen geen effectieve rechtsmiddelen aanwenden en lopen daardoor het risico op refoulement. Verweerder heeft niet voldaan aan zijn vergewisplicht. Voorts blijkt uit recente informatie dat 99% van de asielaanvragen door de Tsjechische autoriteiten worden afgewezen, aldus eisers. Zij hebben daartoe verwezen naar een brief van 24 januari 2019 van Vluchtelingenwerk Nederland.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit mag gaan dat de autoriteiten van Tsjechië zich houden aan internationale verplichtingen. Bij dreigende schending geldt het uitgangspunt dat daarover geklaagd kan worden bij de Tsjechische autoriteiten. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eisers aannemelijk maken dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan Tsjechië een risico lopen op een behandeling strijdig met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna het EVRM).

4.2

Eisers hebben dit met verwijzing naar de door hen genoemde rapporten niet aannemelijk gemaakt. De rapporten zien op de toegang van asielzoekers tot Tsjechië. Niet is gebleken dat eisers geen toegang tot Tsjechië zullen krijgen. Eisers hebben eerder een asielaanvraag in Tsjechië ingediend waarop bovendien is beslist. Voorts hebben de Tsjechische autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat zij het verzoek van eisers om internationale bescherming in behandeling zullen nemen. Voorts blijkt uit de rapporten niet dat de opnamestop betrekking heeft op Dublinclaimanten. Evenmin is gebleken dat Dublinclaimanten in Tsjechië niet goed worden behandeld en zonder meer in detentie worden genomen. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit de door eisers overgelegde stukken geen beeld naar voren komt waaruit geconcludeerd moet worden dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Voor zover eisers ter zitting, onder verwijzing naar door Vluchtelingenwerk Nederland geraadpleegde statistieken, hebben gesteld dat de behandeling van hun asielaanvraag niet voldoet aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel omdat slechts 8 van de 1.096 aanvragen in 2017 zijn ingewilligd, heeft verweerder er terecht op gewezen dat dit niet inhoudt dat de rest van de aanvragen zijn afgewezen. Uit de statistieken over 2017 blijkt namelijk dat op een groot deel van de aanvragen nog niet is beslist. Bovendien blijkt uit de toelichting bij de statistieken dat de beslissingen in 2017 ook kunnen zien op aanvragen die zijn gedaan in de voorgaande jaren. Verder is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eisers zich in voorkomende gevallen dienen te beklagen bij de Tsjechische autoriteiten, en eventueel bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), indien zij menen dat Tsjechië zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. De rechtbank verwijst hierbij, evenals verweerder, naar het arrest K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk van het EHRM van 2 december 2008 (ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308). Niet is gebleken dat dit voor eisers niet mogelijk is.

4.3

Gelet op het vorenstaande bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder, gelet op zijn vergewisplicht, nader had moeten onderzoeken of eisers daadwerkelijk toegang krijgen tot de asielprocedure en tot de opvangvoorzieningen en of overdracht van eisers zal leiden tot een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden strijdige situatie.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.