Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1279

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
22-03-2019
Zaaknummer
NL19.429 en NL19.431
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: NL19.429 en NL19.431

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer],

[eiseres] , eiseres, V-nummer [V-nummer]

mede namens hun minderjarige kinderen

[minderjarig kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2006,

[minderjarig kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2011,

[minderjarig kind 3] , geboren op [geboortedatum] 2014,

[minderjarig kind 4] , geboren op [geboortedatum] 2016,

hierna tezamen: eisers

(gemachtigde: mr. H.W.F. Klarenaar),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 8 januari 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvragen.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2019.

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen N. Epstein. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1984. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1988. Zij hebben beiden de Moldavische nationaliteit en zijn met elkaar gehuwd. Zij hebben op 2 december 2018 een asielaanvraag ingediend.

2. Uit Eurodac is gebleken dat eisers op 7 september 2018 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend. Eisers hebben verklaard dat hun aanvraag is afgewezen. Verweerder heeft de Duitse autoriteiten op 13 december 2018 op grond van Verordening (EU) 604/2013 (hierna: Dublinverordening) verzocht om eisers terug te nemen. Op 19 december 2018 hebben de Italiaanse autoriteiten op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening hiermee ingestemd.

3. Eisers betogen dat overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigd en dat verweerder hun asielaanvragen ten onrechte niet op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich heeft getrokken. Zij voeren daartoe aan dat de medische zorg voor hun jongste zoon in Duitsland tekort schoot. Zij willen dat hun zoon in Nederland wordt behandeld. Voorts stellen eisers dat de opvang en het eten in Duitsland niet goed was, dat zij geen aanspraak konden maken op een advocaat in hun beroeps- en hoger beroepsprocedure. Ook voelden zij zich in Duitsland onder druk gezet terug te keren naar hun land van herkomst. Zij zijn naar Nederland gekomen om rust en veiligheid te vinden, aldus eisers.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Onder de werking van de Dublinverordening mag verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eisers hebben in het door hem in beroep gevoerde betoog niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen. Eisers’ stelling dat sprake is van systematische tekortkomingen omdat niet in alle gevallen wordt voorzien in gefinancierde rechtsbijstand, kan niet worden gevolgd. Zowel artikel 27, zesde lid, van de Dublinverordening, als artikel 20, derde lid, van de Richtlijn 2013/32/EU (hierna: de Procedurerichtlijn) staat immers toe dat de toegang tot gefinancierde rechtsbijstand afhankelijk kan worden gesteld van de reële kans van slagen van de procedure. De kans van slagen dient te worden beoordeeld door de onafhankelijke rechter of een andere bevoegde instantie. Als een andere instantie de beoordeling verricht, dient die beoordeling vatbaar te zijn voor beroep bij de rechter. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat aan die bepalingen in Duitsland niet wordt voldaan.

4.2

Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder ervan uitgaan dat de nodige zorg in Duitsland voor eisers beschikbaar is en eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit in hun geval niet opgaat. Uit de aanmeldgehoren van eisers blijkt immers dat hun zoon door een medisch specialist is onderzocht. Voorts heeft verweerder zich op standpunt mogen stellen dat ervan wordt uitgegaan dat de medische voorzieningen in Duitsland vergelijkbaar zijn met die in Nederland en dat deze ook voor Dublinclaimanten ter beschikking staan. Voorts is niet gebleken dat Nederland het meest aangewezen land is om de minderjarige zoon van eisers te behandelen. Voor zover eisers van mening zijn dat de medische behandeling in Duitsland tekortschiet, dienen zij daarover in Duitsland te klagen.

4.3

Met de enkele stelling van eisers dat de opvang en het eten niet goed was en dat zij onder druk zouden zijn gezet om terug te keren naar hun land van herkomst, hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland handelt in strijd met de Procedurerichtlijn en de Opvangrichtlijn. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat eisers daarover bij de Duitse autoriteiten dienen te klagen en dat niet is gebleken dat dit voor eisers niet mogelijk was.

4.4

In hetgeen eisers hebben aangevoerd heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat overdracht aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt.

5. De beroepen zijn ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.