Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:12650

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-10-2019
Datum publicatie
03-12-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1986
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verklaring omtrent gedrag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/1986

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.M. Dezfouli),

en

de Minister voor Rechtsbescherming, verweerder

(gemachtigde: mr. V.N. Chaudron).

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Bij besluit van 21 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 3 september 2018 verzocht om afgifte van een VOG voor de functie van gemeentelijk opsporingsambtenaar bij Gemeente Den Haag, Dienst Stadsbeheer.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat is voldaan aan het objectieve criterium en dat toepassing van het subjectieve criterium evenmin tot afgifte van de VOG leidt. Verweerder heeft in de justitiële documentatie binnen de op eiser van toepassing zijnde terugkijktermijn van tien jaar het volgende aangetroffen: bij strafbeschikking van 27 juni 2017 is een geldboete opgelegd van € 325,- wegens het rijden onder invloed en bij strafbeschikking van 24 september 2014 is een geldboete van € 360,- opgelegd wegens het rijden onder invloed.

Verweerder heeft daarbij overwogen dat eiser in de functie van gemeentelijk opsporingsambtenaar bij de gemeente Den Haag werkzaam zal zijn als (buitengewoon) opsporingsambtenaar (BOA), hetgeen inhoudt dat eiser een gezagspositie zal bekleden en dat aan hem bijzondere bevoegdheden worden toegekend. Eiser zal in de functie belast zijn met het houden van toezicht, heeft een verbaliserende bevoegdheid en wordt geacht corrigerend op te treden naar burgers. De functie heeft een dienstverlenend karakter waarbij veel met burgers in aanraking wordt gekomen. Rijden onder invloed is niet te verenigen met de hoedanigheid van BOA, waarin immers burgers moeten worden aangesproken op hun gedrag en zo mogelijk verbaliserend dient te worden opgetreden. Gezien de positie van BOA kunnen de justitiecontacten van eiser daarom leiden tot het wegvallen van het vertrouwen dat door de burger in het openbaar bestuur is gesteld.

Als gevolg van het feit dat eiser binnen de terugkijktermijn voorkomt in de justitiële documentatie, zijn de gegevens zonder tijdsbeperking ontvangen. Gebleken is dat eiser in 2006 met justitie in aanraking is geweest vanwege bedreiging. Aan dit feit komt onvoldoende gewicht toe om zelfstandig ten grondslag te worden gelegd aan de beoordeling, maar is wel betrokken bij de belangenafweging in het kader van het subjectieve criterium.

In het kader van het subjectieve criterium heeft verweerder bij zijn beoordeling naast de hoeveelheid antecedenten, de strafrechtelijke afdoening daarvan en de mate van tijdsverloop sinds het laatste justitiële gegeven ook eisers persoonlijke belang bij de verlening van een VOG betrokken. Verweerder meent echter dat het belang van beperking van de risico’s voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser bij afgifte van een VOG. Daartoe heeft verweerder overwogen dat eiser recent met justitie in aanraking is gekomen wegens meerdere strafbare feiten, die bij uitstek niet te verenigen zijn met het doel van de aanvraag. Herhaling van de strafbare feiten in de hoedanigheid van BOA kan, gezien de bijzondere status en verantwoordelijkheid in de functie, leiden tot het wegvallen van het vertrouwen dat door de burger in het openbaar bestuur is gesteld.

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt dat verweerder ten onrechte het strafbare feit uit 2006 heeft meegenomen bij de beoordeling van het objectieve criterium. Ook meent eiser dat de belangenafweging bij de beoordeling van het subjectieve criterium onjuist is, omdat niet naar de pleegdatum van de begane feiten is gekeken. Zo is het strafbare feit dat ten grondslag ligt aan de strafbeschikking van 27 juni 2017 gepleegd op 23 september 2015. Eiser heeft nadien geen strafbare feiten meer gepleegd.

4. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens weigert de minister de afgifte van een verklaring, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Op de functie van BOA is het screeningsprofiel (buitengewoon) opsporingsambtenaar van toepassing. Het screeningsprofiel vermeldt dat gelet op de toegekende bevoegdheden van de BOA een hoge mate van integriteit wordt vereist. Bij de toets aan dit screeningsprofiel geldt een terugkijktermijn van tien jaren.

5. Bij de beoordeling van het risico voor de samenleving hanteert verweerder de criteria die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG NP 2018 (de Beleidsregels). Daarin is neergelegd dat de vraag of de VOG kan worden afgegeven wordt beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium. De afgifte van de VOG wordt in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. Het subjectieve criterium houdt de beoordeling in of het belang van een aanvrager bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het subjectieve criterium ziet op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een afwijzing. Relevante omstandigheden van het geval zijn onder meer de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat aan het objectieve criterium is voldaan. Tussen partijen is niet in geschil dat binnen de terugkijktermijn van tien jaar relevante justitiële gegevens zijn aangetroffen in de justitiële documentatie. Verweerder heeft kunnen overwegen dat de strafbare feiten, indien herhaald, kunnen leiden tot het wegvallen van het vertrouwen dat door de burger in het openbaar bestuur is gesteld. Rijden onder invloed is immers naar zijn aard bij uitstek niet te verenigen met de functie van BOA.

7. Ook heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat het belang van eiser bij afgifte van de gevraagde VOG niet zwaarder dient te wegen dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het vastgestelde risico voor de samenleving. Aan het subjectieve criterium is dan ook voldaan. Daarbij heeft verweerder de omstandigheden van het geval op zorgvuldige wijze in zijn beoordeling betrokken. De hoeveelheid antecedenten, die naar hun aard niet te verenigen zijn met het doel van de aanvraag, alsmede het tijdsverloop sinds de laatste veroordeling, heeft verweerder in het nadeel van eiser kunnen meewegen. Daarbij is van belang dat bij de functie van BOA bewust is gekozen voor een langere terugkijktermijn, gelet op de specifieke bevoegdheden van een BOA. Er wordt dan ook een hogere mate van integriteit verlangd van deze ambtenaren. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de verstreken periode sinds eiser voor het laatst met justitie in aanraking is gekomen, namelijk op 27 juni 2017, bezien in het licht van de hiervoor genoemde terugkijktermijn, op dit moment nog te kort is om te kunnen concluderen dat het risico voor de samenleving in voldoende mate is afgenomen om een toewijzing van de VOG te rechtvaardigen. Dat de feiten in 2014 en 2015 zijn gepleegd, doet aan vorenstaande niet af. Herhaling van de strafbare feiten in de hoedanigheid van BOA kan, gezien de bijzondere status en verantwoordelijkheid in de functie, leiden tot het wegvallen van het vertrouwen dat door de burger in het openbaar bestuur is gesteld.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van

mr. L. Heekelaar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.