Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:12635

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-11-2019
Datum publicatie
28-11-2019
Zaaknummer
6835238 RL EXPL 18-8055
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde heeft werkzaamheden verricht voor eisers. De kantonrechter heeft gedaagde ter zitting de mogelijkheid gegeven om inzichtelijk te maken welke werkzaamheden door gedaagde zijn verricht. Gedaagde heeft daarna – onder andere – inkoopfacturen overgelegd. Uiteindelijk is vast komen te staan dat gedaagde een gefalsificeerde factuur heeft overgelegd. Daarmee heeft gedaagde (ernstig) in strijd gehandeld met artikel 21 Rv. De enige sanctie die de kantonrechter in dit geval passend acht, is dat alle door gedaagde overgelegde stukken die ter onderbouwing strekken van haar stellingen buiten beschouwing worden gelaten. De kantonrechter kan namelijk niet vertrouwen op de echtheid en juistheid van die stukken. Gelet op het vermoeden van valsheid in geschrifte zal de zaak ter kennis worden gebracht van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

RvV

Zaak-/rolnummer: 6835238 RL EXPL 18-8055

Datum: 27 november 2019

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1 [eiser 1] ,

2. [eiser 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie, verweerders in reconventie,

gemachtigde: mr. M.B. van Munster,

tegen

de besloten vennootschap BMN Aannemers B.V.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagden in conventie, eiseres in reconventie,

gemachtigde: [naam gemachtigde] .

Partijen worden hierna aangeduid als “eisers” en “BMN”.

1 Het procesverloop

1.1.

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding van 13 april 2018;

- de conclusie van antwoord, tevens houdende conclusie van eis in reconventie;

- de conclusie van antwoord in reconventie;

- de fax van 30 januari 2019 van de zijde van BMN;

- de fax van 14 februari 2019 van de zijde van eisers;

- de akte houdende overlegging producties van de zijde van BMN, ingekomen bij de griffie op 21 maart 2019;

- de fax van 16 mei 2019 van de zijde van eisers;

- de fax van 9 juli 2019 van de zijde van eisers;

- de brief van 12 augustus 2019 van de zijde van BMN;

- de brief van 14 augustus 2019 van de zijde van BMN;

- de akte overlegging producties van de zijde van eisers;

- de in het geding gebrachte producties.

1.2.

Op 5 februari 2019 heeft de comparitie van partijen plaatsgevonden. Partijen zijn ter zitting in de gelegenheid gesteld om nadere stukken in het geding te brengen. Daarna heeft op 18 juni 2019 de voortzetting van de comparitie van partijen plaatsgevonden.

1.3.

Tijdens de voortgezette comparitie van partijen heeft de kantonrechter geconstateerd dat er door beide partijen (inkoop)facturen zijn overgelegd die op cruciale onderdelen van elkaar afwijken en dat één van de partijen zich daarom mogelijk schuldig maakt aan het plegen van een misdrijf (valsheid in geschrifte op grond van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht). De kantonrechter heeft partijen toen de gelegenheid geboden om opheldering te verschaffen over de vraag welke factuur de juiste is.

1.4.

Eisers hebben vervolgens (onder andere) een verklaring van een accountant overgelegd. BMN is in de gelegenheid gesteld om op die verklaring te reageren.

1.5.

Gelet op twee zittingen die hebben plaatsgevonden en de na de voortgezette comparitie van partijen gegeven mogelijkheid om de standpunten schriftelijk naar voren te brengen, heeft er in het kader van de goede procesorde voldoende hoor en wederhoor plaatsgevonden. De kantonrechter acht zich bovendien voldoende ingelicht om op de vorderingen van partijen te kunnen beslissen.

1.6.

De datum van de uitspraak is daarom bepaald op heden.

2 De feiten in conventie en in reconventie

2.1.

[betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) is de enig aandeelhouder van BMN. [betrokkene 1] is de zoon van [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ). [betrokkene 2] was bestuurder en enig aandeelhouder van B.G.N. Bouwbedrijf B.V. (hierna: BGN).

2.2.

Op of omstreeks 24 mei 2017 hebben eisers en BGN een aanneemovereenkomst gesloten. Op grond van die overeenkomst hebben eisers tegen betaling van een bedrag van € 39.321,21 (inclusief BTW) de opdracht aan BGN verstrekt om werkzaamheden aan de woning van eisers te verrichten. Eisers hebben nadien een bedrag van € 21.630,63 voldaan aan BGN.

2.3.

Op de hierboven besproken overeenkomst is te lezen dat werkzaamheden worden verricht volgens de offerte 2017005-101. Op die offerte is het volgende, voor zover relevant, te lezen:

“(…)

De werkzaamheden welke wij voor u verrichten zijn:

AANBOUW ACHTERZIJDE WONING (…)

STUT- EN SLOOPWERKZAAMHEDEN (…)

GRONDWERKEN (…)

BUITENRIOOL EN DRAINAGE (…)

HEIWERKEN (…)

BETONWERKEN (…)

METSELWERKEN (incl. stelpost(en) (…)

PREFAB BETONELEMENT (…)

HOUT CONSTRUCTIES (…)

STAALWERKEN (…)

KOZIJNEN RAMEN EN DEUREN (…)

DAKBEDEKKINGEN (…)

STUKADOORWERK (…)

TEGELWERK (incl. stelposten) (…)

DEKVLOEREN EN VLOERSYSTEMEN (…)

SCHILDERWERK (…)

(…)

TECHNISCHE INSTALLATIES (…)”

2.4.

BGN is op of omstreeks 5 juni 2017 gestart met het uitvoeren van de werkzaamheden aan de woning van eisers.

2.5.

Op 8 augustus 2017 is BGN failliet verklaard.

2.6.

BMN heeft vanaf omstreeks 31 augustus 2017 werkzaamheden verricht aan de woning van eisers.

2.7.

Op 1 september 2017 hebben eisers een bedrag van € 7.195,- per bankoverschrijving voldaan aan BMN.

2.8.

Op 11 september 2017 heeft BMN een factuur verzonden aan eisers en een bedrag van € 5.530,91 in rekening gebracht bij eisers. Eisers hebben op 12 september 2017 een bedrag van € 3.530,91 voldaan aan BMN.

2.9.

Op 16 september 2017 hebben eisers een e-mail verzonden aan BMN. Daarin hebben eisers (onder meer) verzocht om de hierboven in rov. 2.3 te lezen werkzaamheden uiterlijk op 1 oktober 2017 af te ronden. BMN heeft op de e-mail van eisers per e-mail geantwoord. Daarin is het volgende, voor zover relevant, te lezen:

“(…)

Er is een factuur betaald voor de kozijnen 7195 incl. btw. incl. plaatsen.

Er is een deelbetaling van 3500 incl. btw van een factuur 5530,91 incl. btw voor bepaalde werkzaamheden zie factuur.

(…)”

2.10.

Op 27 september 2017 heeft BMN een factuur verzonden aan eisers en een bedrag van € 2.171,77 in rekening gebracht bij eisers.

2.11.

Op 4 oktober 2017 heeft de (toenmalige) gemachtigde van eisers een brief verzonden aan BMN. Daarin is het volgende, voor zover relevant, te lezen:

“(…)

Op 31 augustus 2017 heeft uw cliënten een factuur gestuurd ad € 7.195,00 voor de levering van de kozijnen en het plaatsen daarvan. Zij hebben dit bedrag op 1 september 2017 voldaan. Tot op heden is echter alleen de schuifpui geleverd en geplaatst. (…)

Ik verzoek u daarom, en zo nodig sommeer ik u, om de resterende kozijnen binnen een week na dagtekening van deze brief te leveren en binnen twee weken na dagtekening van deze brief te plaatsen.

(…)”

Verder geeft de gemachtigde aan BMN te kennen dat er een bouwkundig expert zal worden ingeschakeld om de uitvoering van de door BMN uitgevoerde werkzaamheden te beoordelen.

2.12.

Op 5 oktober 2017 heeft het Bureau voor Bouwpathologie (hierna: BB) een e-mail verzonden aan BMN. In die e-mail heeft BB BMN uitgenodigd om aanwezig te zijn bij het onderzoek naar de door BMN uitgevoerde werkzaamheden aan de woning van eisers.

2.13.

Op 13 oktober 2017 heeft op verzoek van eisers een onderzoek plaatsgevonden door BB. BMN was bij dat onderzoek niet aanwezig. Van het onderzoek heeft BB op 13 november 2017 een onderzoeksrapport opgesteld. Daarin is het volgende, voor zover relevant, te lezen:

“(…)

Getracht is om in onderstaande opsomming de gebreken, voor zover bekend en inzichtelijk voor ondergetekende, weer te geven.

(…)

- Schuifpui, te laag waardoor vloerafwerking niet gerealiseerd kan worden, (…). Er is te weinig ruimte gehouden tussen schuifmechanisme en zandcement dekvloer. Foutieve plaatsing door BMN. Herstel door pui te demonteren en opnieuw te monteren. Schaderaming circa € 750,-- (excl. BTW).

(…)

- Vloer foutief geëgaliseerd. De vloer van de begane grond, de keuken, de woonkamer en uitbouw is geegaliseer, edoch niet correct. (…) De vloer loopt scheef, (…) Foutieve uitvoering door BMN. Herstel door alsnog te egaliseren, gehele oppervlak. Schaderaming circa € 1.500,-- (excl. BTW).

(…)”

2.14.

De gemachtigde van eisers heeft, voorafgaand aan het hiervoor besproken onderzoeksrapport, op 6 november 2017 een brief verzonden aan BMN en BMN gesommeerd om de hierboven in het onderzoeksrapport te lezen gebreken binnen één week te herstellen. Verder wordt BMN in de brief gesommeerd om tot levering over te gaan van plavuizen, alsmede om over te gaan tot het infrezen van de vloerverwarming.

2.15.

Op 7 november 2017 heeft BMN een factuur verzonden aan eisers en een bedrag van € 2.232,45 in rekening gebracht bij eisers.

2.16.

Op 22 november 2017 hebben eisers aan BMN een brief verzonden. In de brief hebben zij de overeenkomst met BMN gedeeltelijk ontbonden voor zover de overeenkomst ziet op (1) de levering en plaatsing van kozijnen, (2) de levering van de plavuizen en (3) het infrezen van de vloerverwarming. Verder hebben eisers zich in die brief op het standpunt gesteld dat BMN aan eisers een bedrag van € 9.460,45 dient te betalen.

3 Het geschil

In conventie

3.1.

Eisers vorderen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van BMN om aan eisers te betalen een bedrag van € 10.308,47, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 9.460,45 vanaf 18 oktober 2017, dan wel vanaf 6 december 2017, tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over € 848,02 vanaf 14 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, met de veroordeling van BMN in de kosten van dit geding, alsmede in de nakosten.

3.2.

Eisers leggen aan deze vordering het navolgende – samengevat – ten grondslag. Eisers hebben met BGN een aanneemovereenkomst gesloten en afgesproken dat BGN werkzaamheden aan de woning van eisers zal verrichten. Omdat BGN op 8 augustus 2017 failliet is verklaard en [betrokkene 2] , althans [betrokkene 1] , de werkzaamheden wenste af te ronden, hebben eisers met BMN op of omstreeks 31 augustus 2017 afgesproken dat BMN de op dat moment nog uit te voeren werkzaamheden zal verrichten. Deze werkzaamheden bestonden uit het leveren en plaatsen van kozijnen (inclusief schuifpui), alsmede uit het leveren en plaatsen van een vloerverwarming en plavuizen in de woonkamer. Voor deze werkzaamheden hebben eisers een totaalbedrag van € 10.725,91 voldaan aan BMN. Volgens eisers heeft BMN de werkzaamheden ondeugdelijk uitgevoerd. Dit is bevestigd door BB in haar onderzoeksrapport van 13 november 2017. BB heeft daarnaast in haar rapport geconcludeerd dat het een bedrag van € 2.722,50 (inclusief BTW) kost om de werkzaamheden alsnog deugdelijk uit te voeren. BMN is op 6 november 2017 per brief gesommeerd om de door BB geconstateerde gebreken binnen een week te herstellen. Ook is BMN in die brief gesommeerd om de nog te verrichten werkzaamheden – de levering en het plaatsen van kozijnen, het infrezen van de vloerverwarming en het leveren van plavuizen – alsnog uit te voeren. Dat heeft BMN niet gedaan. Omdat BMN de werkzaamheden niet, althans ondeugdelijk heeft uitgevoerd, is zij tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen bestaande overeenkomst. BMN verkeert bovendien in verzuim. Eisers hebben de overeenkomst daarna op 22 november 2017 partieel ontbonden. BMN dient daarom een bedrag van € 6.737,95 aan wel door eisers betaalde, maar niet door BMN uitgevoerde werkzaamheden, aan eisers terug te betalen. Daarnaast maken eisers aanspraak op een bedrag van € 2.722,50. Dat is het bedrag dat door BB is begroot om de overeengekomen werkzaamheden alsnog deugdelijk uit te voeren. Verder maken eisers aanspraak op de buitengerechtelijke incassokosten van € 848,02. Tot slot stellen eisers zich op het standpunt dat BMN dient te worden veroordeeld in de proceskosten.

3.3.

BMN heeft verweer gevoerd tegen de vordering van eisers. Op dat verweer zal hierna – voor zover van belang – worden ingegaan.

In reconventie

3.4.

BMN vordert in reconventie bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van eisers om aan BMN te betalen een bedrag van € 4.264,04, met veroordeling van eisers in de kosten van dit geding.

3.5.

BMN legt aan deze vordering het navolgende – samengevat – ten grondslag. BMN heeft, na het faillissement van BGN, in opdracht van eisers werkzaamheden verricht. BMN heeft de kosten van deze werkzaamheden in rekening gebracht bij eisers en facturen aan eisers verzonden. Op dit moment resteert nog een totaalbedrag van € 4.264,04 dat eisers aan BMN verschuldigd zijn. BMN vordert dit bedrag in onderhavige procedure vordert van eisers.

3.6.

Eisers hebben verweer gevoerd tegen de vordering van eisers. Op dat verweer zal – voor zover noodzakelijk – hierna worden ingegaan.

4 Beoordeling

4.1.

Gelet op de nauwe samenhang tussen de kwesties in conventie en in reconventie zal een en ander tezamen behandeld worden.

Welke werkzaamheden zijn door BMN verricht?

4.2.

Het staat in onderhavige procedure vast dat BGN en eisers op of omstreeks 14 mei 2017 een overeenkomst hebben gesloten. Op de bij die overeenkomst gevoegde offerte zijn een groot aantal werkzaamheden opgenomen (zie rov. 2.3). Met het uitvoeren van de werkzaamheden is BGN op 5 juni 2017 begonnen. Op 8 augustus 2017 is BGN failliet verklaard. Daarna heeft BMN aangeboden de nog te verrichten werkzaamheden door haar te laten uitvoeren. Daarmee zijn eisers akkoord gegaan en BMN heeft daarna werkzaamheden uitgevoerd aan de woning van eisers. Tussen partijen bestaat discussie over de vraag welke werkzaamheden BMN aan de woning heeft uitgevoerd en welk bedrag eisers daarvoor dienden te betalen.

4.3.

Eisers stellen zich ten aanzien van de door BMN uitgevoerde werkzaamheden op het standpunt dat BMN een schuifpui heeft geplaatst en dat BMN – overigens zonder overleg met eisers – cement heeft gestort op de vloer van de woning van eisers.

4.4.

BMN betwist de stelling van eisers en stelt zich van haar kant op het standpunt dat zij (veel) meer werkzaamheden heeft verricht dan eisers stellen. Volgens BMN heeft zij, naast het plaatsen van een schuifpui en het storten van cement op de vloer van de woning, namelijk ook werkzaamheden aan de tuin verricht, werkzaamheden aan het dak verricht, electra in de woning van eisers aangelegd, stuukwerkzaamheden verricht en een verlaagd plafond aangebracht.

4.5.

Omdat ten tijde van de (eerste) comparitie van partijen onduidelijkheid bestond over de vraag welke van de door BGN geoffreerde werkzaamheden door BMN zijn verricht, heeft de kantonrechter BMN ter zitting verzocht urenspecificaties over te leggen om zodoende inzichtelijk te maken wanneer door BMN werkzaamheden zijn verricht, door wie die werkzaamheden zijn verricht en waaruit de werkzaamheden exact bestonden. Ook heeft de kantonrechter BMN verzocht om aankoopnota’s over te leggen.

4.6.

BMN heeft daarna op 21 maart 2019 een akte ingediend. Bij de akte zijn onder andere een vijftal inkoopfacturen bijgevoegd van Bouwcenter Dijkstra. Deze facturen hebben de volgende factuurnummers: 00164780, 00165006, 00165008, 00165137, 00165390. Op de facturen is bij de omschrijving een leverdatum opgenomen waarop het materiaal door Bouwcenter Dijkstra aan BMN zou zijn geleverd. Op de factuur met nummer 00164780 is te lezen dat het door BMN aangeschafte materiaal op 21 augustus 2017 aan BMN is geleverd.

4.7.

Eisers hebben vervolgens op 18 mei 2019 een fax verzonden en daarbij ook een factuur van Bouwcenter Dijkstra overgelegd. De factuur is gericht aan BMN en bevat het factuurnummer 00164780. Anders dan op de door BMN in het geding gebrachte factuur met hetzelfde factuurnummer, bevat de factuur die door eisers in het geding is gebracht 20 juli 2017 als datum waarop de materialen door Bouwcenter Dijkstra aan BMN zouden zijn geleverd (en niet 21 augustus 2017).

4.8.

Tijdens de voortgezette comparitie van partijen hebben beide partijen zich op het standpunt gesteld dat de factuur die zij hebben overgelegd, de juiste is. Omdat de kantonrechter op dat moment niet kon vaststellen welke van beide partijen gelijk had (en welke niet), heeft de kantonrechter de comparitie geschorst. Partijen zijn toen in de gelegenheid gesteld om zich gezamenlijk te wenden tot Bouwcenter Dijkstra, teneinde duidelijkheid te verschaffen over de factuur met kenmerk 00164780. De gemachtigde van eisers heeft daarna een e-mail verzonden aan (de gemachtigde van) Bouwcenter Dijkstra en heeft haar verzocht om de aan BMN verzonden facturen. De gemachtigde van Bouwcenter Dijkstra heeft daarna op 2 juli 2019 een e-mail verzonden aan de gemachtigde van eisers en in de bijlage een aantal facturen opgenomen, waaronder een factuur met kenmerk 00164780. Deze factuur bevat, evenals de door eisers per fax op 18 mei 2019 overgelegde factuur, de leverdatum 20 juli 2017. Vervolgens hebben eisers de opdracht aan de accountant van Bouwcentrum Dijkstra (Deloitte Accountants B.V., hierna Deloitte) verstrekt om een onderzoek te verrichten naar de juistheid van de factuur met kenmerk 00164780. Deloitte heeft in haar rapport van feitelijke bevindingen van 28 oktober 2019 – kort gezegd – geconcludeerd dat de leveringen van Bouwcenter Dijkstra aan BMN op 20 juli 2017 hebben plaatsgevonden.

4.9.

Met de e-mail van Bouwcenter Dijkstra en het onderzoeksrapport van Deloitte is naar het oordeel van de kantonrechter vast komen te staan dat BMN een gefalsificeerde factuur in het geding heeft gebracht. Nog los van de vraag of BMN, althans [betrokkene 2] of [betrokkene 1] , zich daarmee schuldig heeft of hebben gemaakt aan het plegen van een misdrijf (over die vraag dient de strafrechter immers te beslissen), heeft BMN hiermee de kantonrechter (doelbewust) op het verkeerde been willen zetten. BMN, althans haar gemachtigde, heeft bovendien getracht het onderzoek naar de (gefalsificeerde) factuur te belemmeren door een beroep te doen op de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en – met ronkende woorden – jegens Bouwcenter Dijkstra, althans jegens eisers, te dreigen dat de Autoriteit Persoonsgegevens boetes kan opleggen van maximaal € 20.000.000,-. Daarmee heeft BMN (ernstig) in strijd gehandeld met artikel 21 Rv, waarin bepaald is dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. De enige sanctie die de kantonrechter in dit (zeer ernstige) geval passend acht, is dat alle door BMN overgelegde inkoopfacturen, urenstaten – die overigens niet door of namens eisers zijn ondertekend – en werkbonnen buiten beschouwing worden gelaten. De kantonrechter kan, zoals nu is gebleken, namelijk niet vertrouwen op de echtheid en juistheid van die stukken.

4.10.

Nu de kantonrechter de stukken van BMN buiten beschouwing laat, heeft BMN haar verweer tegen de stelling van eisers, althans haar vordering in reconventie, dat zij meer werkzaamheden heeft verricht dan het plaatsen van een schuifpui en het storten van cement, onvoldoende feitelijk onderbouwd. Het verweer van BMN zal dan ook worden verworpen en de vordering in reconventie zal worden afgewezen. In deze procedure is daarom (slechts) vast komen te staan dat BMN een schuifpui heeft geplaatst en dat BMN cement heeft gestort in de woning van eisers.

Heeft BMN de uitgevoerde werkzaamheden deugdelijk verricht en dient BMN een bedrag van € 6.737,95 aan eisers terug te betalen?

4.11.

De vervolgvraag die beantwoord dient te worden, is of BMN de hierboven genoemde werkzaamheden deugdelijk heeft uitgevoerd. Ook dient de vraag beantwoord te worden of BMN een bedrag aan eisers dient terug te betalen voor wel betaalde, maar niet uitgevoerde werkzaamheden. De kantonrechter overweegt hierover als volgt.

4.12.

Artikel 6:74 lid 1 BW bepaalt dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar – in dit geval BMN – verplicht de schade die de schuldeiser – in dit geval eisers – daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend. Het tweede lid van het hiervoor genoemde wetsartikel bepaalt dat, voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, lid 1 slechts toepassing vindt indien de schuldenaar – kort gezegd – in verzuim verkeert. Verder bepaalt artikel 6:265 lid 1 BW dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. Evenals het tweede lid van artikel 6:74 BW, bestaat de bevoegdheid tot ontbinding op grond van het tweede lid van artikel 6:265 BW pas wanneer de schuldenaar in verzuim is.

4.13.

Eisers hebben ter onderbouwing van hun stelling, dat BMN de werkzaamheden ondeugdelijk heeft uitgevoerd en dat BMN dus tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst, een onderzoeksrapport van BB overgelegd. De kantonrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dit goed (met foto’s en uitleg) onderbouwde onderzoeksrapport en neemt de conclusies uit dat rapport daarom tot uitgangspunt bij de vraag of het werk deugdelijk is uitgevoerd. Dat geldt te meer nu BMN wel (per e-mail op 4 oktober 2017) is uitgenodigd om het onderzoek bij te wonen, maar dat om de haar moverende redenen niet heeft gedaan. Omdat in het rapport – kort gezegd – te lezen is dat de Schuifpui te laag is geplaatst en dat de vloer foutief is geëgaliseerd, is naar het oordeel van de kantonrechter vast komen te staan dat BMN de werkzaamheden – het plaatsen van een schuifpui en het storten van cement – ondeugdelijk heeft uitgevoerd.

4.14.

Omdat de werkzaamheden ondeugdelijk zijn uitgevoerd, is BMN tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen bestaande overeenkomst. Daarnaast verkeert BMN sinds één week na 6 november 2017 in verzuim omdat zij, ook na daartoe door eisers schriftelijk in gebreke te zijn gesteld, niet is overgegaan tot het uitvoeren van herstelwerkzaamheden. BMN is daarom op grond van artikel 6:74 BW verplicht de schade als gevolg van de (toerekenbare) tekortkoming aan eisers te vergoeden. BMN heeft de hoogte van het schadebedrag niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken. De kantonrechter zal de vordering ad € 2.722,50, zijnde de kosten die eisers volgens het onderzoeksrapport van BB dienen te maken voor het uitvoeren van herstelwerkzaamheden, van eisers dan ook toewijzen.

4.15.

Tot slot stellen eisers zich op het standpunt dat zij een bedrag van € 6.737,95 aan BMN hebben voldaan en dat dit bedrag zag op het leveren en plaatsen van de kozijnen, alsmede op het leveren en plaatsen van de plavuizen en het infrezen van de vloerverwarming. BMN heeft deze werkzaamheden, ook na daartoe op 6 november 2017 schriftelijk in gebreke te zijn gesteld, echter nooit uitgevoerd. Eisers stellen zich daarom op het standpunt dat zij gerechtigd waren de overeenkomst, voor zover die ziet op de hiervoor genoemde werkzaamheden, partieel te ontbinden. Omdat de overeenkomst is ontbonden, bestaat er een ongedaanmakingsverplichting aan de zijde van BMN. BMN dient het bedrag daarom aan eisers terug te betalen.

4.16.

BMN heeft van haar kant als verweer aangevoerd dat het op 1 september 2017 door eisers betaalde bedrag van € 7.195,- slechts zag op de levering van de kozijnen en niet ook op de plaatsing daarvan. Ter onderbouwing van dat verweer heeft zij gewezen op een factuur van 31 augustus 2017. Op die factuur is te lezen dat de betaling ziet op het plaatsen van de schuifpui en toebehoren en dat de kozijnen alleen geleverd worden. Ook deze factuur wijkt af van de factuur die door eisers in de dagvaarding als productie 7 is overgelegd en waarop te lezen is dat betaling ziet op het plaatsen van de kozijnen inclusief toebehoren. Zoals reeds hierboven onder rov. 4.9 is overwogen, heeft de kantonrechter (gerede) aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door BMN in het geding gebrachte stukken. Dat geldt te meer nu BMN haar verweer in de in rov. 2.9 besproken e-mail zelf weerspreekt omdat BMN in die e-mail aan eisers heeft geschreven dat er een bedrag van € 7.195,- (inclusief BTW) is betaald voor de kozijnen (inclusief het plaatsen daarvan). Bovendien heeft BMN haar verweer, dat de kozijnen bij eisers slechts worden geleverd en dat de kozijnen niet worden geplaatst, ook niet met nadere feiten en omstandigheden onderbouwd. Dat had wel van BMN mogen worden verwacht omdat eisers dit verweer gemotiveerd hebben betwist. Een en ander leidt er daarom toe dat ook dit verweer van BMN als onvoldoende onderbouwd zal worden verworpen.

4.17.

De kantonrechter zal eisers daarom ook in dit kader volgen in hun stelling dat zij een bedrag van € 6.737,95 aan BMN hebben voldaan en dat dit bedrag zag op het leveren en plaatsen van de kozijnen, alsmede op het leveren en plaatsen van de plavuizen en het infrezen van de vloerverwarming. Omdat BMN deze werkzaamheden niet heeft uitgevoerd en BMN dat ook niet heeft gedaan nadat eisers BMN daartoe schriftelijk in gebreke hebben gesteld, is BMN tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en verkeerde BMN vanaf één week na 6 november 2017 in verzuim. Eisers waren daarom gerechtigd de overeenkomst (partieel) te ontbinden op grond van artikel 6:265 BW, hetgeen zij per brief op 22 november 2017 ook hebben gedaan. Nu de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden, is BMN gehouden het door eisers betaalde bedrag van € 6.737,95 aan eisers terug te betalen. Ook deze vordering zal daarom worden toegewezen.

4.18.

Tegen de buitengerechtelijke incassokosten ad € 848,02 en de wettelijke rente heeft BMN geen inhoudelijk verweer gevoerd. Deze vorderingen zullen dan ook, als onweersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen. In onderhavige procedure zal BMN daarom worden veroordeeld om een totaalbedrag van € 10.308,47 (€ 2.722,50 plus € 6.737,95 plus € 848,02) aan eisers te betalen.

4.19.

BMN zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Omdat eisers noodgedwongen kosten hebben moeten maken om duidelijkheid te verkrijgen over de hierboven in rov. 4.6 tot en met 4.9 besproken factuur, zal de kantonrechter BMN ook veroordelen in de kosten die eisers hebben moeten maken voor het inschakelen van Deloitte. De kantonrechter zal deze kosten schatten op een bedrag van € 3.630,- (inclusief BTW).

4.20.

Gelet op het vermoeden van valsheid in geschrifte zal de kantonrechter deze zaak ter kennis brengen van justitie, mede gelet op de brief die de gemachtigde van BMN op 12 augustus 2019 aan de kantonrechter heeft verzonden en waarin het volgende is opgenomen: “Cliënt juicht de eventuele inzet van justitie ten zeerste toe. De onderste steen moet boven komen en met name dient er extra aandacht worden geschonken aan de vraag waarom Bouwcenter Dijkstra zijn verplichtingen uit de AVG zo makkelijk prijsgeeft en of er een connectie bestaat tussen dit bouwbedrijf en [eisers] . en of dit bouwbedrijf hier enig belang bij had”.

5 Beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

- veroordeelt BMN om aan eisers te betalen een bedrag van € 10.308,47, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 9.460,45 vanaf 18 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over € 848,02 vanaf 14 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt BMN in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van eisers vastgesteld op € 4.941,79 en bestaande uit een bedrag van:

- € 226,- aan griffierecht;

- € 85,79 aan explootkosten;

- € 1.200,- aan salaris gemachtigde (4 punten ad € 300,-);

- € 3.630,- ( inclusief BTW) aan kosten die eisers in deze procedure hebben moeten maken voor het inschakelen van Deloitte;

- veroordeelt BMN tot betaling van € 120,- aan nasalaris, voor zover eisers daadwerkelijk nakosten zullen maken, en voorts, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de explootkosten van betekening van het vonnis;

in reconventie:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt BMN in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van eisers vastgesteld op € 480,- (2 punten ad € 240,-) als het aan de gemachtigde van eisers toekomende salaris;

in conventie en in reconventie:

- verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.C. Vink en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 november 2019.