Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1253

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
13-02-2019
Zaaknummer
C/09/512171 / HA ZA 16 - 639
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Thuiskopievergoeding. Ontvankelijkheid collectieve actie. Verjaring. AmvB’s onrechtmatig ivm i) verdisconteren schade privé kopiëren uit illegale bron, ii) niet aanwijzen ‘nieuwe dragers’ in bevriezings-AmvB’s ? Staat aansprakelijk ivm uitleg begrip importeur in artikel 16c Aw ? Richtlijn conforme uitleg. Toerekening onrechtmatig handelen aan de Staat. Doorberekeningsverweer staat niet in de weg aan toewijzing verklaring voor recht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Vonnis van 13 februari 2019

in zaak C/09/512171 / HA ZA 16 - 639 van

1 STICHTING OVERLEGORGAAN BLANCO INFORMATIEDRAGERS,

te ’s-Hertogenbosch,

2. CONREXX TECHNOLOGY B.V.,

te Ridderkerk,

3. DEXXON DATAMEDIA AND STORAGE B.V.,

te Alphen aan den Rijn,

4. FREECOM TECHNOLOGIES B.V.,

te Alphen aan den Rijn,

5. MAXELL EUROPE LTD.,

te Maidenhead, Verenigd Koninkrijk,

6. SONY EUROPE LTD.,

te Badhoevedorp,

eisers,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE),

te Den Haag

gedaagde,

advocaat: mr. S.M. Kingma te Den Haag.

Partijen worden hierna aangeduid als “Stobi cs” en “de Staat”. Eiseres sub 1 wordt afzonderlijk aangeduid als “Stobi”. Waar hierna wordt gesproken over Stobi cs wordt gedoeld op de de bij Stobi aangesloten fabrikanten en importeurs van traditionele dragers en de individuele eisers tezamen.

De zaak is voor Stobi cs inhoudelijk behandeld door mr. P.J. Kreijger en voor de Staat door de advocaat voornoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit

  • -

    de dagvaarding van 27 mei 2016;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    het vonnis waarin een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van de op 22 april 2018 gehouden comparitie van partijen en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de akte overlegging productie van Stobi cs;

  • -

    de akte van de Staat.

1.2.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Stobi is in 1999 opgericht en behartigt sindsdien de belangen van alle partijen (fabrikanten, importeurs, distributeurs en agenten) die geraakt worden door thuiskopieheffing op “blanco informatiedragers”, waarmee wordt gedoeld op alle voorwerpen die bestemd zijn om beelden, geluid of informatie vast te leggen, waaronder blanco cd’s en dvd’s.

2.2.

In artikel 2 van haar statuten staat – voor zover van belang:

“1. De Stichting heeft ten doel het behartigen en versterken van de gemeenschappelijke belangen van de Nederlandse fabrikanten, importeurs en agenten van blanco informatiedragers bij al hetgeen verband houdt met de in artikel 16c van de Auteurswet bedoelde vergoeding en bij het bevorderen en verkrijgen van afdoende juridische bescherming van de belangen van die partijen, alles in de ruimste zin.

2. De Stichting tracht dit doel onder meer te bereiken door:

f. het voeren en doen voeren van rechtsgedingen ter bescherming van de rechten en belangen van de in lid 1 genoemde partijen, onder meer in verband met de als gevolg van onjuiste inrichting en toepassing van het thuiskopiestelsel geleden en te lijden schade, waarbij de Stichting zowel ter verwezenlijking en bescherming van haar doel als ten behoeve van de in lid 1 genoemde partijen in eigen naam in rechte kan optreden.”

2.3.

De andere eiseressen zijn aangesloten bij Stobi. Zij zijn allen actief als importeur en fabrikant van informatiedragers, voornamelijk de “traditionele” blanco informatiedragers, cd’s en dvd’s. Zij hebben thuiskopievergoeding betaald over de door hen geïmporteerde en/of gefabriceerde informatiedragers.

3 Juridisch kader van de thuiskopievergoeding

3.1.

Artikel 2 van Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten (Arl) bepaalt – voor zover relevant:

“De lidstaten voorzien ten behoeve van:

a) auteurs, met betrekking tot hun werken,

(…)

in het uitsluitende recht, de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie van dit materiaal, met welke middelen en in welke vorm ook, toe te staan of te verbieden.”

3.2.

Artikel 5 lid 2 Arl bepaalt – voor zover van belang:

“De lidstaten kunnen beperkingen of restricties op het in artikel 2 bedoelde reproductierecht stellen ten aanzien van:

(…)

b. de reproductie, op welke drager dan ook, door een natuurlijke persoon voor privégebruik gemaakt, en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk, mits de rechthebbenden een billijke compensatie ontvangen waarbij rekening wordt gehouden met het al dan niet toepassen van de in artikel 6 bedoelde technische voorzieningen op het betrokken werk of het betrokken materiaal;

(…)

5. De in de leden 1, 2, 3 en 4 bedoelde beperkingen en restricties mogen slechts in bepaalde bijzondere gevallen worden toegepast mits daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van werken of ander materiaal en de wettige belangen van de rechthebbenden niet onredelijk worden geschaad.”

3.3.

De considerans bij de Arl vermeldt – voor zover relevant:

“(31) Er moet een rechtvaardig evenwicht van rechten en belangen worden gewaarborgd tussen de verschillende categorieën rechthebbenden en tussen de verschillende categorieën rechthebbenden en gebruikers van beschermd materiaal. (…)

(…)

(35) Rechthebbenden dienen, in bepaalde uitzonderlijke gevallen, een billijke compensatie te ontvangen om hen naar behoren te compenseren voor het gebruik van hun beschermde werken of ander beschermd materiaal. Bij de bepaling van de vorm, de modaliteiten en het mogelijke niveau van die billijke compensatie moet rekening worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van elk geval. Bij de beoordeling van deze omstandigheden zou een zinvol criterium worden gevormd door het mogelijke nadeel voor de rechthebbenden als resultaat van de betreffende handeling. In gevallen waarin de rechthebbenden reeds betaling in een andere vorm hebben ontvangen, bijvoorbeeld als onderdeel van een licentierecht, is eventueel geen specifieke of afzonderlijke betaling nodig. Bij de bepaling van het niveau van de billijke compensatie dient ten volle rekening te worden gehouden met de mate waarin gebruik wordt gemaakt van de in deze richtlijn bedoelde technische voorzieningen. In bepaalde situaties waar de schade voor de rechthebbende minimaal zou zijn, is het mogelijk dat geen betalingsverplichting ontstaat.”

3.4.

De uiterlijke implementatiedatum van de Arl was 22 december 2002.

3.5.

Met artikel 16c Aw heeft de Nederlandse wetgever gebruik gemaakt van de in artikel 5 lid 2 sub b Arl geboden mogelijkheid beperkingen te stellen op het reproductierecht ten behoeve van, kort gezegd, privégebruik onder de voorwaarde dat de rechthebbenden een billijke compensatie ontvangen. Artikel 16c Aw luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“1. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd het reproduceren van het werk of een gedeelte ervan op een voorwerp dat bestemd is om een werk ten gehore te brengen, te vertonen of weer te geven, mits het reproduceren geschiedt zonder direct of indirect commercieel oogmerk en uitsluitend dient tot eigen oefening, studie of gebruik van de natuurlijke persoon die de reproductie vervaardigt.

2. Voor het reproduceren, bedoeld in het eerste lid, is ten behoeve van de maker of diens rechtverkrijgenden een billijke vergoeding verschuldigd. De verplichting tot betaling van de vergoeding rust op de fabrikant of de importeur van de voorwerpen, bedoeld in het eerste lid.

3. Voor de fabrikant ontstaat de verplichting tot betaling van de vergoeding op het tijdstip dat de door hem vervaardigde voorwerpen in het verkeer kunnen worden gebracht. Voor de importeur ontstaat deze verplichting op het tijdstip van invoer.

(…)

5. De vergoeding is slechts eenmaal per voorwerp verschuldigd.

6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gegeven met betrekking tot de voorwerpen ten aanzien waarvan de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, verschuldigd is. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorts nadere regelen worden gegeven en voorwaarden worden gesteld ter uitvoering van het bepaalde in dit artikel met betrekking tot de hoogte, verschuldigdheid en vorm van de billijke vergoeding.”

3.6.

Thuiskopie, die krachtens artikel 16d Aw is belast met de inning en verdeling van de thuiskopievergoeding, int de thuiskopievergoeding bij fabrikanten en importeurs van daartoe aangewezen dragers waarop thuiskopieën worden gemaakt. Thuiskopie betaalt de geïnde vergoeding door aan verschillende collectieve beheersorganisaties, die de vergoedingen doorbetalen aan de rechthebbenden.

3.7.

De tarieven en voorwerpen van de thuiskopievergoeding zijn tussen 22 december 2002 en 30 april 2007 bepaald door de op de voet van artikel 16e Aw aangewezen Stichting Onderhandelingen Thuiskopievergoeding (hierna: SONT). Daarin zijn (organisaties van) rechthebbenden respectievelijk betalingsplichtigen vertegenwoordigd. De rechthebbenden worden vertegenwoordigd door Thuiskopie en de betalingsplichtigen door de Vereniging van Fabrikanten, Importeurs en Agenten op radiogebied (FIAR) en Stobi. Het bestuur van SONT heeft een onafhankelijke, door de minister benoemde, voorzitter, die op grond van de statuten de hoogte van de thuiskopievergoeding bepaalt indien de in SONT vertegenwoordigde partijen niet tot overeenstemming kunnen komen.

3.8.

Bij AmvB van 17 februari 20071is het tot dan toe bestaande systeem van thuiskopievergoeding bestendigd tot 1 januari 2008.

3.9.

Bij AmvB van 16 november 20092is het daarvoor bestaande thuiskopiestelsel opnieuw bestendigd tot 1 januari 2013.

Deze twee in r.o. 3.8 en 3.9 genoemde AmvB’s worden hierna tezamen ook aangeduid als ‘de bevriezings-AmvB’s’.

3.10.

In de brief van de staatssecretaris van veiligheid en justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 11 april 20113– de “Speerpuntenbrief Auteursrecht 20@20” – staat (op p. 10) – voor zover hier van belang – het volgende:

“Als downloaden uit evident illegale bron niet langer onder de thuiskopie-exceptie valt, is er geen aanleiding meer voor een stelsel met thuiskopie-heffingen. Het kabinet kiest niet de weg van heffingen op apparaten zoals mp-3 spelers, laptops, mobiele telefoons, tablets, usb-sticks en dvd-recorders.”

3.11.

Op 12 oktober 2012 heeft het bestuur van SONT in een “Besluit op hoofdlijnen” advies uitgebracht over de thuiskopievergoeding dat – voor zover hier van belang – onder het kopje “Uitwerking hoogte totaalbedrag en verdeling over dragers” het volgende vermeldt:

“9. Onder heffingsplichtig gebruik wordt daarbij verstaan het gebruik van opslagcapaciteit voor audio, film en video, foto’s en e-boeken of luisterboeken, wanneer gekopieerd vanaf gekochte, gehuurde of geleende dragers, gekopieerd van radio of tv, of gratis gedownload uit legale of illegale bron. (...)”

3.12.

Bij AmvB van 23 oktober 20124 zijn overeenkomstig het SONT-advies nieuwe voorwerpen aangewezen als bedoeld in artikel 16c Aw en is de hoogte van de thuiskopievergoeding opnieuw vastgesteld. Deze AmvB trad op 1 januari 2013 in werking.

3.13.

De looptijd van de in 3.12 genoemde AmvB is verlengd bij AmvB van 15 oktober 2013.5

3.14.

In het arrest van het HvJEU van 10 april 2014 (in zaak C435/12, ACI Adam e.a./Thuiskopie) is geoordeeld dat artikel 5 Arl:

“in die zin moet worden uitgelegd dat, binnen de context van de uitzondering voor het kopiëren voor privégebruik die de lidstaten krachtens die bepaling mogen invoeren, een lidstaat de daarmee gepaard gaande verplichting enkel mag innen over reproducties van door auteursrecht en naburige rechten beschermd werk of materiaal die zijn vervaardigd uit geoorloofde bronnen.”

3.15.

Naar aanleiding van het arrest van het HvJEU in de zaak ACI Adam e.a./Thuiskopie zijn de bedragen van de thuiskopievergoeding bij AmvB van 28 oktober 20146 met ingang van 1 januari 2015 verlaagd met 30%. Deze AmvB was geldig tot 1 januari 2018. De toelichting bij deze AmvB vermeldt – voor zover hier van belang:

“Op 10 april 2014 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie arrest gewezen in de zaak ACI Adam B.V. e.a. tegen Stichting de Thuiskopie en Stichting Onderhandelingen Thuiskopie vergoeding. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht, met name artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (hierna: de auteursrechtrichtlijn) juncto artikel 5, vijfde lid, van de auteursrechtrichtlijn, in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling die het maken van een privékopie van een op grond van de Auteurswet beschermd werk of ander op grond van de Wet naburige rechten beschermd materiaal voor eigen oefening, studie of gebruik uit een ongeoorloofde bron toestaat. Het Hof heeft ook geoordeeld dat het Unierecht er evenzeer aan in de weg staat dat rechthebbenden voor privékopiëren uit ongeoorloofde bron via de thuiskopievergoedingen worden gecompenseerd.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft de Stichting onderhandelingen thuiskopievergoedingen (Sont) onverwijld gevraagd welke tarieven passend zijn na het arrest.

(…)

De Sont heeft een generieke verlaging van alle tarieven met 30% geadviseerd. De Sont heeft daarbij rekening gehouden met het hiervoor reeds genoemde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 april 2014 (ACI Adam B.V. e.a. tegen Stichting de Thuiskopie). Verder heeft de Sont rekening gehouden met de in de praktijk geconstateerde sterk verminderde ontduiking, en met de omstandigheid dat minder aanvragen zijn gedaan voor teruggave in verband met professioneel gebruik. Het advies van de Sont de tarieven over de volle breedte met 30% te verlagen, wordt overgenomen. De thuiskopievergoeding voor bijvoorbeeld een tablet komt dan op € 3,50.”

4 Het geschil

4.1.

Stobi cs vorderen dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis

  1. voor recht verklaart dat de Staat door het vaststellen en (doen) effectueren van de AmvB’s van 23 oktober 2012 en 15 november 2013 onrechtmatig heeft gehandeld jegens Stobi cs en dat de AmvB’s dientengevolge onverbindend zijn ten opzichte van Stobi cs, alsmede dat de Staat door het (doen) effectueren van de AmvB’s in zoverre onrechtmatig heeft gehandeld jegens Stobi cs;

  2. voor recht verklaart dat de Staat deswege vanaf 1 januari 2013 schadeplichtig is jegens eiseressen, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de wet;

  3. voor recht verklaart dat de Staat door het vaststellen en (doen) effectueren van de AmvB’s van 17 februari 2007, 7 november 2007 en 16 november 2009 onrechtmatig heeft gehandeld jegens Stobi cs en dat de AmvB’s dientengevolge onverbindend zijn ten opzichte van Stobi cs, alsmede dat de Staat door het (doen) effectueren van de AmvB’s in zoverre onrechtmatig heeft gehandeld jegens Stobi cs;

  4. voor recht verklaart dat de Staat deswege vanaf 1 mei 2007 schadeplichtig is jegens eiseressen, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de wet;

  5. voor recht verklaart dat de Staat door het verzuim om in artikel 16c, lid 2, Aw Richtlijn 2001/29/EU adequaat te implementeren onrechtmatig heeft gehandeld jegens Stobi cs;

  6. voor recht verklaart dat de Staat deswege vanaf 22 december 2002 schadeplichtig is jegens eiseressen, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de wet;

  7. de Staat te veroordelen in de kosten van het geding inclusief de nakosten en de wettelijke rente daarover.

4.2.

Stobi cs stellen daartoe dat de fabrikanten en importeurs van traditionele gegevensdragers als gevolg van onjuiste implementatie van artikel 5 lid 2 sub b Arl in de periode van 1 mei 2007 tot en met 31 december 2014 substantieel te hoge bedragen aan thuiskopievergoeding hebben betaald en voorts schade hebben ondervonden. Zij maken de Staat daartoe drie verwijten:

  1. de Staat heeft de heffingen in de AmvB’s zodanig bepaald dat deze strekten ter compensatie van schade die rechthebbenden lijden als gevolg van privé-kopieën die natuurlijke personen maken, zonder dat daarbij onderscheid wordt gemaakt al naar gelang het (on-)geoorloofde karakter van de bron van de kopie, terwijl het Unierecht zich verzet tegen een vergoedingsstelsel waarin voor de berekening van de billijke compensatie dit onderscheid niet wordt gemaakt (vordering A en B);

  2. de heffingen zijn in de periode van 1 mei 2007 tot en met 31 december 2012 uitsluitend berekend over de “traditionele” blanco dragers, cd’s en dvd’s, en niet over andere, in belang toenemende dragers, zoals mp3-spelers, waarmee het stelsel op incoherente en willekeurige wijze de lasten eenzijdig op de gebruikers van deze dragers legde en daarmee ook op de betalingsplichtigen, zoals Stobi cs (vordering C en D);

  3. de Staat heeft verzuimd om bij implementatie van de Arl artikel 16c Aw aldus aan te passen dat buiten twijfel stond dat het begrip “importeur” mede partijen omvat die vanuit het buitenland door middel van (online) verkoop op afstand aan in Nederland gevestigde consumenten heffingsplichtige dragers verkopen, waardoor deze partijen zonder heffingen aan Thuiskopie af te dragen in concurrentie met Stobi cs actief hebben kunnen zijn (vordering E en F).

4.3.

Stobi cs stellen dat de individuele eisers en de achterban van Stobi als gevolg van verwijt i) en ii) teveel thuiskopievergoeding hebben betaald en daardoor schade hebben geleden. Verwijt iii) heeft volgens Stobi cs geleid tot schade ten gevolge van concurrentie uit het buitenland die door onjuiste implementatie van de Arl geen heffingen heeft hoeven afdragen en daarmee dus een voorsprong in de concurrentiestrijd genoot.

5 De beoordeling

Ontvankelijkheid Stobi

5.1.

De rechtbank dient eerst te bezien of Stobi ontvankelijk is in haar vorderingen. De Staat betwist op verschillende gronden dat Stobi kan worden ontvangen in haar collectieve actie als bedoeld in de zin van artikel 3:305a BW.

5.2.

Op grond van artikel 3:305a lid 1 BW kan een stichting of een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt. De belangen die met de vorderingen in een collectieve actie worden gediend, moeten niet alleen in overeenstemming zijn met de statutaire doelstelling, maar ook feitelijk worden behartigd.

5.3.

Stobi komt op voor de gebundelde belangen van de bij haar aangesloten fabrikanten en importeurs van traditionele dragers. De door haar gevorderde verklaringen voor recht hebben betrekking op de belangen van haar achterban. Artikel 3:305a lid 3 BW, dat in de weg staat aan het vorderen van schadevergoeding in een collectieve actie, staat niet in de weg aan het vorderen van een verklaring voor recht dat de Staat schadeplichtig is jegens (de achterban van) Stobi. De Staat wordt dus niet gevolgd in zijn betoog dat Stobi niet kan worden ontvangen in de vorderingen B, D en F.

5.4.

Het verweer van de Staat is verder gebaseerd op een eerdere versie van de inmiddels gewijzigde statuten van Stobi. De rechtbank gaat voorbij aan dit verweer. De vorderingen zijn ingesteld ter behartiging van de statutaire doelstelling, die in de huidige versie van de statuten voldoende concreet is geformuleerd en ook feitelijk door Stobi wordt behartigd; raadpleging van de gepubliceerde jurisprudentie over de thuiskopievergoeding leert namelijk dat Stobi vaker procedures voert over dit onderwerp.

5.5.

De slotsom luidt dat het verweer van de Staat over artikel 3:305a BW niet opgaat. Nu ook overigens is voldaan aan de in artikel 3:305a BW gestelde eisen, is Stobi ontvankelijk in haar collectieve actie.

Verjaring ?

5.6.

De gevorderde verklaringen voor recht strekken ertoe de aansprakelijkheid en schadeplichtigheid van de Staat vast te stellen. Naar terecht niet in geschil is, wordt de verjaring van deze vorderingen beheerst door artikel 3:310 BW. De Staat stelt dat de in deze bepaling bedoelde verjaringstermijn voor de schadevorderingen op 23 december 2002 – de uiterste implementatiedatum van de Arl – is gaan lopen en dat deze ruimschoots voltooid was ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding op 20 oktober 2015. Stobi cs gronden hun vorderingen echter op de stelling dat de Nederlandse tarieven voor de thuiskopieheffing en de berekeningsgrondslagen daarvan niet in overeenstemming met de Arl zijn. Daarmee is het onrechtmatig handelen waarop Stobi cs het oog hebben gelegen in een nalaten door de Staat te voldoen aan zijn verplichting om de Arl juist te implementeren. Volgens Stobi cs is de verjaringstermijn pas gaan lopen toen de arresten ACI Adam e.a./Thuiskopie (voor vorderingen A en B), Staat/Norma7(voor vorderingen C en D) en Opus8 (voor vorderingen E en F) waren gewezen, omdat daarmee pas duidelijk werd wat de juiste uitleg van de Arl op verschillende punten was.

5.7.

EU-richtlijnen, zoals de Arl, verplichten de lidstaten een bepaald resultaat te bereiken en laten aan de lidstaten de bevoegdheid vorm en middelen voor de uitvoering te kiezen. De omzetting van een EU-richtlijn in nationaal recht vereist van de lidstaten dat deze de volledige toepassing van de EU-richtlijn in het nationale recht verzekeren. De Staat is dus gehouden EU-richtlijnen in de Nederlandse rechtsorde tot gelding te laten komen door deze tijdig en op juiste wijze te implementeren. Indien de Staat EU-richtlijnen te laat of onjuist implementeert en het met de richtlijn beoogde doel niet door middel van richtlijnconforme interpretatie kan worden bereikt, roept hij daarmee een onrechtmatige toestand in het leven. Zolang de EU-richtlijn in kwestie niet of niet juist is geïmplementeerd, is sprake van een continue niet-naleving van een Europeesrechtelijke implementatieverplichting. De niet-tijdige of onjuiste implementatie van een EU-richtlijn komt in strijd met de verplichting van de Staat op grond van artikel 4 lid 3 VEU en artikel 288 VWEU en is om die reden onrechtmatig. Indien aan de overige vereisten voor die aansprakelijkheid is voldaan, kan dit onrechtmatig handelen tot schadeplichtigheid van de Staat uit hoofde van onrechtmatige daad leiden.9 Dit geldt evenzeer voor zover Stobi cs mede het oog hebben op onrechtmatig handelen van de Staat bestaande uit het vaststellen van met de Arl strijdige AmvB’s en de Staat zich ook in dit verband op verjaring beroept.10 Daadwerkelijke bekendheid met de juiste juridische uitleg van een richtlijn is voor het gaan lopen van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW, anders dan Stobi cs betoogt, niet vereist.11

5.8.

Iedere dag dat de door Stobi cs gestelde continue inbreuk op de Arl voortduurt, laat de Staat na te voldoen aan zijn verplichting om de Nederlandse rechtsorde in overeenstemming te brengen met de Arl. Daarmee gaat iedere dag een nieuwe verjaringstermijn ex artikel 3:310 BW lopen12. Zonder stuiting van de lopende verjaringstermijn zijn de op dit onrechtmatig nalaten van de Staat gebaseerde schadevorderingen verjaard voor zover zij betrekking hebben op de periode van meer dan vijf jaren voor het uitbrengen van de dagvaarding of een andere stuiting. Nu de verjaring is gestuit met de aansprakelijkstelling van 21 januari 2015 van Stobi cs slaagt het verjaringsverweer van de Staat voor de periode voor 21 januari 2010.

5.9.

Stobi cs betogen voorts dat de in artikel 3:3110 BW neergelegde verjaringstermijn van vijf jaar strijdig is met het Unierechtelijk doeltreffendeheidsbeginsel, dat inhoudt dat de nationale procedureregels voor vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht ontlenen, de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken. In zaken waarin het ging om terugbetaling van onverschuldigd betaalde heffingen en over te late omzetting van een richtlijn heeft het HvJEU geoordeeld dat het met het Unierecht verenigbaar is dat in het belang van de rechtszekerheid, waarin zowel de justitiabele als de betrokken administratie bescherming vindt, redelijke vervaltermijnen worden vastgesteld, aangezien dergelijke termijnen de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken. Een nationale vervaltermijn van drie jaar is in dit opzicht redelijk bevonden.13 In deze jurisprudentie ziet de rechtbank voldoende aanknopingspunt voor het oordeel dat de op de vorderingen van Stobi cs toepasbare, voor stuiting vatbare verjaringstermijnen van vijf jaar van artikel 3:309 en 3:310 BW verenigbaar zijn met het Unierechtelijk doeltreffendheidsbeginsel. Dit betoog van Stobi cs gaat dus niet op.

Verwijt i) – vordering A en B

5.10.

Stobi cs stellen dat het ACI Adam-arrest zich verzet tegen het in de thuiskopievergoeding verdisconteren van schade als gevolg van kopiëren uit niet-geoorloofde bron.

5.11.

De rechtbank stelt voorop dat nu de Nederlandse wetgever met artikel 16 Aw gebruik gemaakt heeft van de in artikel 5, lid 2, aanhef en onder b, Arl geboden mogelijkheid beperkingen te stellen op het reproductierecht ten behoeve van privégebruik onder de voorwaarde dat de rechthebbenden een billijke compensatie ontvangen, artikel 16c Aw dient te worden uitgelegd in overeenstemming met de Arl.14

5.12.

Wanneer de Nederlandse wetgever bij de totstandkoming van de implementatiewetgeving een bepaalde uitleg aan de wet heeft gegeven die in strijd met de richtlijn blijkt te zijn, kan de nationale rechter niet vanwege die totstandkomingsgeschiedenis met een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel afzien van de voor haar geldende verplichting tot richtlijnconforme uitleg, indien de wetgever heeft beoogd de richtlijn getrouw om te zetten en de tekst van de wettelijke regeling ook een richtlijnconforme uitleg toelaat.15 Bij deze richtlijnconforme interpretatie dient de rechtbank ervan uit te gaan dat de Nederlandse wetgever de bedoeling heeft gehad ten volle uitvoering te geven aan de uit de richtlijn voorvloeiende verplichtingen. Bij richtlijnconforme interpretatie moeten uitlatingen in de parlementaire geschiedenis van de implementatiewet die zouden kunnen wijzen op de bedoeling van de wetgever de richtlijn niet correct te implementeren worden genegeerd.16

5.13.

Voor de richtlijnconforme interpretatie van artikel 16c Aw en de AmvB’s is voorts van belang dat het HvJEU heeft geoordeeld dat de billijke compensatie moet worden beschouwd als de vergoeding van de door de rechthebbende geleden schade als gevolg van de betrokken reproductiehandeling. In dit verband wordt het maken van een kopie voor privégebruik door een natuurlijke persoon beschouwd als een handeling die de rechthebbende benadeelt.17 Voorts heeft het HvJEU geoordeeld dat artikel 5 Arl in die zin moet worden uitgelegd dat de daar bedoelde billijke vergoeding enkel mag worden geïnd over het vervaardigen van kopieën uit geoorloofde bronnen en zich verzet tegen een nationale regeling die voorziet in een billijke compensatie voor het vervaardigen van kopieën vanaf onrechtmatige bronnen.18

5.14.

Gezien het voorgaande houdt richtlijnconforme uitleg van artikel 16c Aw in dat deze bepaling moet worden geacht slechts betrekking te hebben op vergoeding van kopieën die privépersonen maken uit geoorloofde bron, niet op kopieën van deze personen uit ongeoorloofde bron. Het lijdt geen twijfel dat de Kroon bij het vaststellen van de AMvB’s de bedoeling heeft gehad ten volle uitvoering te geven aan de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen. De bedragen van de thuiskopievergoeding die zijn opgenomen in de krachtens artikel 16c lid 6 Aw vastgestelde AmvB’s moeten daarmee eveneens geacht worden slechts betrekking te hebben op vergoeding van kopieën die privépersonen maken uit geoorloofde bron.

5.15.

Vaststaat echter dat de Nederlandse wetgever bij de implementatie van artikel 5 Arl de – niet met artikel 5 Arl overeenstemmende – opvatting huldigde dat de in deze bepaling bedoelde billijke vergoeding eveneens zag op kopiëren uit illegale bron. Daarmee had de Nederlandse wetgever een niet correcte implementatie van de Arl voor ogen. Deze opvatting van de Nederlandse wetgever, die ook is geuit in de parlementaire geschiedenis, moet buiten beschouwing worden gelaten bij richtlijnconforme interpretatie van artikel 16c Aw en de krachtens artikel 16c lid 6 Aw vastgestelde AmvB’s. Dat neemt niet weg dat – naar ook niet in geschil is – in de berekening van de tarieven in de AmvB’s ook de kopieën zijn verdisconteerd die privépersonen maken uit ongeoorloofde bron. Uit de in r.o. 3.10 geciteerde speerpuntennota kan worden afgeleid dat destijds tot uitgangspunt werd genomen dat het kopiëren uit ongeoorloofde bron een substantieel deel vormde van het totaal van de door privépersonen gemaakte kopieën.

5.16.

De Staat betoogt met juistheid dat het enkele hanteren van dit onjuiste, met de Arl strijdige uitgangspunt onvoldoende is om te kunnen concluderen dat in de AmvB’s neergelegde thuiskopievergoeding strijdig is met de Arl en dus onrechtmatig is jegens Stobi cs. Eerst indien het in de AmvB’s neergelegde tarief van de thuiskopievergoeding niet richtlijnconform kan worden uitgelegd, zijn de AmvB’s op dit punt onrechtmatig jegens Stobi cs. Hun betoog dat de mogelijkheid van richtlijnconforme interpretatie niets afdoet aan de verplichting om nationale wetgeving in overeenstemming te brengen met het Unierecht, gaat eraan voorbij dat eerst van onjuiste en daarmee onrechtmatige implementatie van de Arl kan worden gesproken indien de AmvB’s niet richtlijnconform kunnen worden uitgelegd.

5.17.

Richtlijnconforme uitleg op dit punt is niet mogelijk indien het meetellen van schade door thuiskopiëren uit ongeoorloofde bron heeft geleid tot een daadwerkelijk te hoog bedrag aan thuiskopievergoeding. Dit moet worden berekend op basis van het licentiemodel, dat wil zeggen dat ervan uitgegaan wordt dat iedere gemaakte thuiskopie een bepaalde licentiewaarde vertegenwoordigt die door de rechthebbende wordt gederfd19 en de conclusie van de advocaat-generaal in het daartegen ingestelde cassatieberoep20 dat de Hoge Raad met toepassing van artikel 81 RO heeft afgedaan.21

5.18.

Bij beantwoording van de vraag of het meetellen van schade door thuiskopiëren uit ongeoorloofde bron al dan niet heeft geleid tot een daadwerkelijk te hoog bedrag aan thuiskopievergoeding dient in aanmerking te worden genomen dat:

( a) de lidstaten een grote mate van vrijheid hebben om de vorm, modaliteiten en het niveau van de in artikel 5 lid 2 sub b Arl bedoelde billijke vergoeding te bepalen en daarbij een ruime beoordelingsmarge hebben;22

( b) uitganspunt is dat die billijke vergoeding verband moet houden met de schade geleden door de rechthebbenden als gevolg van het kopiëren voor privégebruik’;23

( c) indien – zoals in Nederland – de thuiskopievergoeding wordt betaald door personen die apparaten/dragers ter beschikking stellen, de heffing niet anders dan forfaitair kan zijn aangezien het bedrag wordt vastgesteld vóórdat effectief reproducties worden gemaakt, dus voordat de omvang van de daadwerkelijke schade bekend is.24

5.19.

Niet ter discussie staat dat lange tijd ook door de Staat is aangenomen en uitgedragen – onder meer in de in r.o. 3.10 geciteerde speerpuntennota – dat het kopiëren uit ongeoorloofde bron een substantieel deel vormde van het totaal van de door privépersonen gemaakte kopieën. Daarbij werd gerept van percentages van meer dan 90% en werd gesteld dat er geen aanleiding meer was voor de thuiskopieheffing als kopiëren uit niet-geoorloofde bron niet onder de thuiskopie-exceptie viel. Volgens Stobi cs volgt uit de verlaging van de tarieven met 30% dat nu duidelijk is dat deze in de ogen van de Staat als regelgever in ieder geval 30% lager zouden moeten liggen als geen rekening wordt gehouden met thuiskopiëren uit ongeoorloofde bron. Gelet op de werkelijke omvang hiervan, zou het bedrag volgens Stobi cs nog verder neerwaarts moeten worden bijgesteld.

5.20.

Onder verwijzing naar het Sman-rapport van 1 november 2016 (hierna: het Sman(2016)-rapport) dat de Staat voor de comparitie van partijen in het geding heeft gebracht en dat hij ook had overgelegd in de Acer cs/Nokia-procedures, betoogt de Staat dat de bedragen in de AmvB’s niet daadwerkelijk te hoog zijn vastgesteld. Ook betoogt de Staat dat het door de Hoge Raad in de procedure Staat/Norma gegeven oordeel dat de Staat met de in de bevriezings AmvB’s opgenomen bedragen per saldo niet heeft voldaan aan zijn resultaatsverplichting om een billijke vergoeding voor de rechthebbenden te innen, in de weg staat aan de conclusie dat het op grond B gehanteerde verkeerde uitgangspunt daadwerkelijk heeft geleid tot vaststelling van een te hoge thuiskopievergoeding in de AmvB’s en wijst de Staat op de schikking die hij na deze procedure heeft getroffen met Norma en Thuiskopie. Daaruit volgt volgens de Staat dat de thuiskopievergoeding juist te laag was.

5.21.

Het Sman(2016)-rapport is twee weken voor de comparitie van partijen in het geding gebracht. Stobi cs hebben te kennen gegeven dat zij onvoldoende in staat zijn geweest zich hierover uit te laten. Gezien dit bezwaar en de inhoud van dit rapport vergen hoor en wederhoor dat Stobi cs in staat worden gesteld de inhoud van het rapport nader te bestuderen en daarop te reageren.

5.22.

Als na deze uitlatingen wordt geconcludeerd dat de thuiskopievergoeding vanwege het verdisconteren van schade als gevolg van kopiëren uit illegale bron daadwerkelijk te hoog is vastgesteld in de AmvB’s, heeft de Staat op deze grond een met het Unierecht strijdig voorschrift uitgevaardigd en is gegeven dat hij onrechtmatig heeft gehandeld. Bij onrechtmatig handelen van de Staat bestaande uit het uitvaardigen van een met een hogere regeling strijdig voorschrift, is in beginsel de toerekenbaarheid aan de Staat gegeven. Het ligt op de weg van de Staat de feiten en omstandigheden te stellen die in het voorliggende geval een uitzondering op dat beginsel rechtvaardigen.25

toerekenbaarheid

5.23.

De rechtbank volgt de Staat niet in zijn betoog dat over de band van de toerekenbaarheid invulling dient te worden gegeven aan het door het HvJEU voor lidstaataansprakelijkheid voor schending van het Unierecht gestelde vereiste van gekwalificeerde schending van Unierecht. De door het HvJEU ontwikkelde eisen voor de in het Unierecht verankerde lidstaataansprakelijkheid voor schendingen van Europees recht – waaronder het door de Staat aangehaalde vereiste van een gekwalificeerde schending – vormen de door de nationale rechter toe te passen ondergrens, die op grond van het Unierechtelijke beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid moeten worden toegepast indien de nationale regels minder bescherming aan de benadeelde bieden dan deze vereisten. Daar waar op grond van het nationale recht minder zware eisen gelden, is er geen grond voor het stellen van de eis van een gekwalificeerde schending, ook niet over de band van de toerekening van het naar Nederlands recht zonder meer onrechtmatig handelen door een met het Unierecht strijdig voorschrift vast te stellen.

5.24.

Het uitgangspunt van toerekening van een onrechtmatig besluit geldt ook indien het betrokken overheidsorgaan geen enkel verwijt treft.26 De omstandigheid dat een rechtsopvatting ten tijde van het besluit niet voorzienbaar was doet niet af aan de toerekenbaarheid van een onrechtmatig besluit aan een overheidsorgaan.27 Onzekerheid over de betekenis of de interpretatie van een wet staan niet in de weg aan toerekenbaarheid van een onrechtmatig besluit aan een overheidsorgaan.28 Deze rechtspraak over de toerekenbaarheid van onrechtmatige beschikkingen aan overheidsorganen geldt ook voor de toerekenbaarheid van onrechtmatige AmvB’s aan de Staat.

5.25.

In het licht van deze rechtspraak staan de door de Staat genoemde omstandigheden niet in de weg aan toerekenbaarheid. De Staat stelt dat artikel 5 lid 2 sub b Arl niet duidelijk is op het punt van thuiskopiëren uit illegale bron, dat vaststaat dat de Staat de bedoeling had de Arl getrouw om te zetten, dat van de Raad van State en de Tweede Kamer nooit aanmerkingen zijn gekomen op de AmvB’s, dat de advocaat-generaal bij de Hoge Raad, noch de Hoge Raad het een acte clair vonden en dat tot aan het HvJEU moest worden geprocedeerd totdat duidelijk werd dat de AmvB’s niet in overeenstemming waren met artikel 5 lid 2 sub b Arl. Deze omstandigheden komen krachtens verkeersopvattingen zowel ieder voor zich als in onderling verband bezien voor rekening van de Staat.

Verwijt ii) de bevriezings AmvB’s – vordering C en D

5.26.

Stobi cs stellen dat de fabrikanten en importeurs als gevolg van de bevriezing van het stelsel van heffing van thuiskopievergoeding hebben betaald voor het nadeel dat werd veroorzaakt door het kopiëren op de nieuwe dragers zoals MP3-spelers en harddiskrecorders. Dit betekent volgens Stobi cs dat de bedragen te hoog zijn vastgesteld in de opeenvolgende AmvB’s. Zij wijzen ter onderbouwing van dit verwijt op het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad in de zaak Staat/Norma, het arrest van het HvJEU in de zaak Copydan/Nokia en de AmvB van 2012, waarin lagere bedragen voor cd’s en dvd’s zijn vastgesteld.

5.27.

Niet ter discussie staat dat in deze AmvB’s de heffingen waaruit de billijke vergoeding werd gefinancierd volledig rustte op één of twee (in betekenis afnemende) dragers en in het geheel niet op andere (in belang toenemende) dragers. Nu in dat geval zonder goede reden – en dus op willekeurige wijze – de lasten eenzijdig worden gelegd op de gebruikers van cd's en dvd's, kan niet worden gesproken van een coherent stelsel in de zin van de Arl. (zie r.o. 4.3.2 van de Hoge Raad in Staat/Norma).

5.28.

De Staat wijst erop dat het in de zaak Staat/Norma aannemelijk is geacht dat de rechthebbenden schade leden en dus geen daadwerkelijk billijke vergoeding hadden ontvangen. Ook wijst hij op de schikkingen die hij na deze procedure heeft getroffen met Norma en Thuiskopie. Nu de thuiskopievergoeding te laag was vastgesteld, kunnen Stobi cs volgens de Staat niet teveel hebben betaald. Verder voert de Staat aan dat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste omdat de geschonden norm in de zaak Staat/Norma, waarop Stobi cs zich beroepen alleen strekt ter bescherming van de rechthebbenden.

5.29.

Met deze verweren, gaat de Staat eraan voorbij dat de in de zaak Staat/Norma geschonden norm tweeledig is, te weten (i) de verplichting van de Staat om de parameters van die vergoeding op coherente wijze in te vullen, alsmede in (ii) de resultaatsverplichting van de Staat dat de benadeelde rechthebbenden daadwerkelijk betaling van de billijke vergoeding wordt verzekerd (zie Staat/Norma, r.o. 4.3.1). De Staat wijst alleen op de resultaatsverplichting dat belanghebbenden daadwerkelijk betaling van de billijke vergoeding wordt verzekerd. Die norm regardeert Stobi cs niet. De norm die is geschonden met het niet nakomen van de verplichting het thuiskopiestelsel op coherente wijze in te richten, strekt wel ter bescherming van Stobi cs.

5.30.

Ook hier geldt dat het enkele hanteren van een met artikel 5 lid 2 sub b Arl strijdig uitgangspunt onvoldoende is om te kunnen concluderen dat de in de AmvB’s neergelegde thuiskopievergoeding strijdig is met artikel 5 lid 2 sub b Arl. Eerst indien het in de AmvB’s neergelegde tarief van de thuiskopievergoeding niet richtlijnconform kan worden uitgelegd, treft verwijt ii) doel en zijn de AmvB’s op deze grond onrechtmatig. De jegens Stobi cs geschonden norm vergt dat hier bij richtlijnconforme uitleg wordt bezien of met de tarieven voor de traditionele dragers – met inachtneming van het onder r.o. 5.18 overwogene – werd voorzien in een billijke vergoeding van de schade voor privékopiëren met deze dragers. Dit betekent ook dat het betoog van de Staat dat de thuiskopievergoeding per saldo te laag was om de schade van de rechthebbenden te compenseren, in dit verband niet relevant is. De rechtbank verstaat het standpunt van de Staat aldus dat daarin begrepen is de stelling dat de thuiskopievergoeding voor traditionele dragers niet daadwerkelijk te hoog was en een billijke compensatie vormde voor het thuiskopiëren met deze dragers.

5.31.

Partijen, eerst Stobi cs op wie de bewijslast rust, dienen zich uit te laten over de vraag of de in de AmvB’s bepaalde thuiskopievergoeding daadwerkelijk te hoog was, in de zin dat de totale opbrengst van de op de traditionele dragers geheven thuiskopievergoeding daadwerkelijk hoger was dan hetgeen een billijke compensatie vormde voor het thuiskopiëren met deze dragers.

5.32.

Na deze uitlatingen zal de rechtbank beslissen of verwijt ii) doel treft en leidt tot aansprakelijkheid en schadeplichtigheid van de Staat. Daarbij geldt dat het hiervoor gegeven oordeel over toerekening van onrechtmatig handelen bestaande uit vaststelling van met het Unierecht strijdige thuiskopievergoeding ook geldt ten aanzien van verwijt ii).

Verwijt iii) – vordering E en F

5.33.

Stobi cs bestrijden niet dat het begrip ‘importeur’ in artikel 16c Aw richtlijnconform uitgelegd kan worden. Zij betogen evenwel dat die uitleg geen adequate remedie is voor de door Stobi cs geleden schade, aangezien de constatering achteraf dat richtlijnconforme uitleg mogelijk was geweest, niet wegneemt dat die uitleg niet is gevolgd maar, integendeel, in twee instanties is verworpen in een door Thuiskopie geëntameerde procedure.

5.34.

Stobi cs betogen dat de mogelijkheid van richtlijnconforme interpretatie niets afdoet aan de verplichting om nationale wetgeving in overeenstemming te brengen met het Unierecht. Met dat betoog gaan zij er echter aan voorbij dat alleen van onjuiste en daarmee onrechtmatige implementatie van de Arl kan worden gesproken, indien de AmvB’s niet richtlijnconform kunnen worden uitgelegd. Bij deze richtlijnconforme interpretatie dient de rechtbank ervan uit te gaan dat de Nederlandse wetgever de bedoeling heeft gehad ten volle uitvoering te geven aan de uit de richtlijn voorvloeiende verplichtingen.

5.35.

Het betoog van Stobi cs dat de onjuiste, op de wetsgeschiedenis gebaseerde – met het Unierecht strijdige – bedoeling van het begrip ‘importeur’ in artikel 16c lid 2 Aw voor rekening van de Staat dient te komen, stuit af op het voorgaande. Daarmee luidt de slotsom dat verwijt iii) geen doel treft en dat de vorderingen E en F voor afwijzing gereed liggen.

Schade en doorberekening

5.36.

Indien en voor zover de verwijten i) en ii) doel treffen, is de Staat op die grond(en) aansprakelijk en schadeplichtig jegens Stobi cs. Voor toewijzing van de vorderingen van Stobi cs is tevens vereist, dat de mogelijkheid van schade bij de achterban van Stobi en de individuele eisers aannemelijk is. Op grond van artikel 150 Rv ligt de bewijslast hiervan op Stobi cs. Zij stellen dat het aannemelijk is dat de mogelijkheid bestaat dat zij – voor zover zij de te hoge thuiskopievergoeding hebben kunnen doorberekenen aan hun klanten – schade hebben geleden in de vorm van omzetderving. Deze stelling impliceert dat de prijs van hun producten lager zou zijn geweest zonder de doorberekende te hoge thuiskopievergoeding.

5.37.

De Staat betwist dat Stobi cs schade (kunnen) hebben geleden en betoogt dat de vorderingen reeds op die grond dienen te worden afgewezen. De Staat voert daartoe aan dat Stobi cs de thuiskopievergoeding geheel hebben doorberekend en dat – samengevat – alle fabrikanten en importeurs de thuiskopieheffing verschuldigd waren, zodat een te hoog bedrag aan thuiskopievergoeding niet leidt tot een concurrentienadeel met de gestelde omzetderving als gevolg. De rechtbank merkt dit doorberekeningsverweer aan als een schadeverweer.

5.38.

Aangenomen moet worden dat, indien en voor zover verwijt i) en/of verwijt ii) doelt treft/treffen, de thuiskopievergoeding te hoog is bepaald. De Staat betwist niet dat een te hoge thuiskopievergoeding op zichzelf kan leiden tot de gestelde omzetschade. Of en in hoeverre deze schade zich heeft voorgedaan, hangt af van de vraag hoeveel te hoog de thuiskopievergoeding op grond i) en/of ii) is en wat – in de hypothetische situatie zonder ‘te hoge’ thuiskopievergoeding – het prijspeil zou zijn geweest van de traditionele dragers en wat in die situatie het effect van dat prijspeil zou zijn geweest op de verkoop van traditionele dragers. Er zijn geen aanknopingspunten gesteld of gebleken op grond waarvan moet worden aangenomen dat in de feitelijke situatie (met een ‘te hoge’ thuiskopievergoeding) a) de gehele achterban van Stobi en de individuele eisers de thuiskopievergoeding volledig hebben doorberekenend en b) het door Stobi cs gestelde concurrentienadeel in die situatie onder geen enkele omstandigheid aan de orde kon zijn. Het doorberekeningsverweer van de Staat neemt dus de mogelijkheid van schade niet weg. Dit betekent dat voldaan is aan het voor toewijzing van de vorderingen geldende vereiste van aannemelijkheid van schade, indien en voor zover verwijt i) en/of ii) doel treft/treffen. Dat zal na de hierna te bevelen aktewisseling worden beoordeeld.

Slotsom

5.39.

De zaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een akte door Stobi cs, waarin zij:

  1. zich uitlaten over het door de Staat in het geding gebrachte Sman(2016)-rapport;

  2. zich uitlaten over de vraag of de in de AmvB’s bepaalde thuiskopievergoeding daadwerkelijk te hoog was, in de zin dat de totale opbrengst van de op de traditionele dragers geheven thuiskopievergoeding daadwerkelijk hoger was dan hetgeen een billijke compensatie vormde voor het thuiskopiëren met deze dragers.

5.40.

De Staat zal bij antwoordakte kunnen reageren op punt ii).

5.41.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

verwijst de zaak naar de rol van 22 mei 2019 voor een akte door Stobi cs, waarin zij:

i) zich uitlaten over het door de Staat in het geding gebrachte Sman(2016)-rapport;

ii) zich uitlaten over de vraag of de in de AmvB’s bepaalde thuiskopievergoeding daadwerkelijk te hoog was, in de zin dat de totale opbrengst van de op de traditionele dragers geheven thuiskopievergoeding daadwerkelijk hoger was dan wat een billijke compensatie vormde voor het thuiskopiëren met deze dragers;

6.2.

bepaalt dat de Staat op de rol van 14 augustus 2019 bij antwoordakte kan reageren op punt ii);

6.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. L. Alwin, M.C. Ritsema van Eck- van Drempt en F.M. Bus en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2019.

1 Besluit van 17 februari 2007, houdende aanwijzing van de voorwerpen, bedoeld in artikel 16c van de Auteurswet 1912, Stb. 2007, 75.

2 Besluit van 16 november 2009 tot wijziging van het Besluit van 5 november 2007, houdende aanwijzing van de voorwerpen, bedoeld in artikel 16c van de Auteurswet 1912, en tot vaststelling van nadere regels over de hoogte en de verschuldigdheid van de vergoeding, bedoeld in artikel 16c van de Auteurswet 1912, Stb. 2009, 480.

3 TK 29 838, nr. 29.

4 Besluit van 23 oktober 2012, houdende aanwijzing van de voorwerpen, bedoeld in artikel 16c van de Auteurswet, en tot vaststelling van nadere regels over de hoogte en de verschuldigdheid van de vergoeding, bedoeld in artikel 16c van de Auteurswet, Stb. 2012, 515.

5 Besluit van 15 oktober 2013, houdende wijziging van het Besluit van 23 oktober 2012 tot aanwijzing van de voorwerpen, bedoeld in artikel 16c van de Auteurswet, en tot vaststelling van nadere regels over de hoogte en de verschuldigdheid van de vergoeding, bedoeld in artikel 16c van de Auteurswet, Stb. 2013, 400.

6 Besluit van 28 oktober 2014, houdende wijziging van het Besluit van 23 oktober 2012 tot aanwijzing van de voorwerpen, bedoeld in artikel 16c van de Auteurswet, en tot vaststelling van nadere regels over de hoogte en de verschuldigdheid van de vergoeding, bedoeld in artikel 16c van de Auteurswet, Stb. 2014, 410

7 HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:523 (https://www.navigator.nl/document/id7e88c6862e38454584d6a29b8027f005?anchor=id-88162630-1a13-4c6f-aefc-0756eee456e5)

8 HvJEU 16 juni 2011, ECLI:EU:C:2011:397

9 zie HR 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:AE8462 (Waterpakt), HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:AO8913 (Faunabescherming))

10 verg. HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2722 (Vakantiedagen)).

11 zie HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1739 (Bosman/G), HR 5 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY8771 (Bijenkorf/Boersma) en HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552 (Mispelhoef/Staat)

12 zie HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:677 (TMG/Staat).

13 zie bijvoorbeeld HvJEU 15 september 1998, ECLI:EU:C:1998:401 (Edis), punt 35, en HvJEU 24 maart 2009, ECLI:EU:C:2009:178 (Danske Slagterier), punt 32.

14 zie HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5879, (ACI Adam e.a./Thuiskopie), r.o. 5.1.2 en 5.1.3 en het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad in de zaak Staat/Norma, r.o. 4.2.2.

15 zie de Hoge Raad in de zaak ACI Adam e.a./Thuiskopie, r.o. 5.1.2 en 5.1.3.

16 zie HvJEU 29 april 2004, in zaak C-371/02 (Björekulla Fruktindustrier), punt 13.

17 zie het HvJEU in het Padawan-arrest en het in 5.7 genoemde Opus-arrest.

18 zie het HvJEU in ACI Adam e.a../Thuiskopie en in Copydan/Nokia.

19 verg. gerechtshof Den Haag van 23 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1359 in de procedures van Acer cs en Nokia (hierna: de Acer/Nokia procedures).

20 ECLI:NL:PHR:2018:1177.

21 HR 8 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2254.

22 verg. HvJ EU 21 april 2016, ECLI:EU:C:2016:286 (Amazon), punt 18, en HvJ EU 22 september 2016, ECLI:EU:C:2016:717 (Microsoft), punt 27.

23 verg. het Padawan-arrest, punt 45-46 en Copydan-arrest, punt 21.

24 verg. het HP/Reprobel-arrest, punt 71.

25 verg. Vakantiedagen-arrest , r.o. 3.5.2.

26 verg. HR 31 mei 1991, 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0261, (Van Gog/Nederweert) r.o. 3.3.

27 verg. HR 26 september 1986, ECLI:NL:PHR:1986:AC9505, (Staat/Hoffman La Roche), r.o. 3.

28 verg. HR 1 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1036, (Staat/NCB), r.o. 3.2 en HR 20 februari 1998, 02-1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2588, (Boeder/Staat), r.o. 5.2.