Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1250

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
C/09/563982 / FA RK 18-8743
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 18-8743

Zaaknummer: C/09/563982

Datum beschikking: 12 februari 2019

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 27 november 2018 ingekomen verzoek van:

[Y]

de vader,

wonende te [woonplaats vader] , Canada,

advocaat: mr. J.H. Weermeijer te Delft.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[X]

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. B. Wernik te Haarlem.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    twee brieven van 10 december 2018, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

- de brief van 7 januari 2019, met bijlagen, van de zijde van de vader;

- de brief van 30 januari 2019, met als bijlage een door beide partijen op 26 januari 2019 ondertekende spiegelovereenkomst (mirror agreement), van de zijde van de vader.

Op 11 december 2018 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van de vader, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, alsmede mevrouw [medew. RvdK] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna ook: de Raad). De vader is niet ter zitting verschenen. Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. H.M. Boone. De behandeling ter zitting is aangehouden.

Op genoemde regiezitting is aan partijen de gelegenheid geboden om een crossborder mediation traject te volgen, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, teneinde tot een minnelijke regeling te komen. Partijen hebben daar op dat moment om hen moverende redenen geen gebruik van gemaakt.


Op 14 januari 2019 is de behandeling ter zitting van de meervoudige kamer voortgezet, met als behandelend rechters mrs. A.C. Olland, J.Th.W. van Ravenstein en J.C. Sluymer.

Ter zitting zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat en door een tolk, mevrouw [naam tolk] , alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en namens de Raad mevrouw [medew. RvdK] .

Na genoemde zitting van de meervoudige kamer hebben de vader en de moeder alsnog getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Partijen hebben ermee ingestemd dat bij het uitblijven van algehele overeenstemming in mediation de beslissing zal worden meegewezen door een andere rechter, te weten mr. H.M. Boone, nu mr. A.C. Olland is vertrokken bij de rechtbank Den Haag en partijen geen nieuwe inhoudelijke behandeling wensen. Op 28 januari 2019 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen heeft geresulteerd in een spiegelovereenkomst. Partijen hebben echter geen overeenstemming bereikt over de gewone verblijfplaats van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vader handhaaft daarom zijn teruggeleidingsverzoek.

Verzoek en verweer

De vader heeft verzocht:

- met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet), de onmiddellijke terugkeer van na te melden minderjarigen te bevelen, doch te bevelen dat de kinderen vóór of uiterlijk op 1 januari 2019 zullen dienen terug te keren naar hun gewone verblijfplaats in Canada, althans dat de terugkeer zal plaatsvinden op een datum en wijze als de rechtbank in goede justitie juist zal achten, waarbij de moeder de minderjarigen dient terug te brengen naar Canada, meer specifiek [woonplaats vader] , althans de staat waar de gewone verblijfplaats is gelegen, dan wel indien de moeder dit nalaat, te bevelen dat de moeder de minderjarigen op eerste verzoek dient af te geven aan de vader met een geldig reisdocument, zodat de vader de minderjarigen kan teruggeleiden naar Canada;

- te bepalen, voor zover rechtens vereist nu dit voortvloeit uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Uitvoeringswet, dat de minderjarigen zo nodig met behulp van de sterke arm der wet, althans met medewerking van het Openbaar Ministerie zullen worden teruggeleid;

- te bepalen dat de moeder de kosten van teruggeleiding, voor zover de vader die noodgedwongen zal moeten maken, aan hem dient te vergoeden.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 2011 te [huwelijksplaats] , Canada.

- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2018 te [geboorteplaats] , Canada;

- [minderjarige 2] geboren op [geboortedag] 2018 te [geboorteplaats] , Canada.

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige kinderen uit.

- De moeder heeft de Nederlandse nationaliteit. De vader heeft de Canadese nationaliteit. De kinderen hebben de Nederlandse en de Canadese nationaliteit.

- De vader heeft zich gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit (CA). De zaak is bij de CA geregistreerd onder IKO nr. [nr.] .

Beoordeling

Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Canada zijn partij bij het Verdrag.

Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Niet ter discussie staat dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , voordat zij naar Nederland gingen, hun gewone verblijfplaats in Canada hadden. Evenmin staat ter discussie dat de vader en de moeder naar het recht van Canada gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen en dat dit gezagsrecht door de vader daadwerkelijk werd uitgeoefend. Daarnaast is tussen partijen niet in geschil dat de vader zijn toestemming heeft verleend voor de overbrenging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Nederland voor een verblijf met de moeder bij haar familie.

Ter discussie staat de vraag of de vader toestemming heeft verleend voor, dan wel heeft ingestemd met of heeft berust in, een definitief verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland, waardoor de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is gewijzigd naar Nederland.

Het verweer van de moeder berust op de stelling dat de vader toestemming heeft verleend voor, dan wel heeft ingestemd met of heeft berust in, een permanent verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland, waardoor de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is gewijzigd naar Nederland. De ouders zijn samen naar Nederland gereisd voor familiebezoek bij de familie van de moeder. De moeder stelt dat de vader de tickets heeft geboekt. De moeder was in de veronderstelling dat partijen ongeveer een maand in Nederland zouden blijven. Toen de ouders op 26 september 2018 op Schiphol aankwamen heeft de vader de moeder echter verteld dat hij meteen weer zou teruggaan naar Canada, dat de moeder met de kinderen hier moest blijven en dat ze niet hoefde terug te komen naar Canada, aldus de moeder. De moeder heeft nog geprobeerd de vader om te praten, maar dit lukte niet. De vader is dezelfde dag nog teruggekeerd naar Canada.

De vader betwist de stelling van de moeder. De moeder is met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Nederland gegaan voor familiebezoek. De vader heeft de moeder en de kinderen vergezeld tijdens de reis, omdat luchtvaartmaatschappijen het niet toestaan om als ouder alleen met twee hele jonge kinderen te reizen. Het was de bedoeling en de intentie van de ouders dat de kinderen en de moeder na ongeveer een maand weer zouden terugkeren naar Canada, maar dit is niet gebeurd. De vader heeft de moeder meermalen gevraagd wanneer zij met de kinderen weer zou terugkeren. Vanaf 23 oktober 2018 heeft de moeder alle communicatie met de vader verbroken. Sindsdien heeft de vader geen contact meer met de moeder gehad. Tijdens een bliksembezoek aan Nederland op 25 oktober 2018 heeft de vader van de politie vernomen dat de moeder met de kinderen in de vrouwenopvang verblijft. De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook al die tijd niet meer gezien.

De rechtbank stelt voorop dat aangenomen wordt dat berusting op zowel actieve als passieve wijze kan plaatsvinden en volgt op de ongeoorloofde achterhouding, terwijl toestemming aan die overbrenging of achterhouding daaraan voorafgaat. Gelet hierop komt de beoordeling of vader zijn toestemming heeft gegeven aan de orde bij de vaststelling van de gewone verblijfplaats van de kinderen en ziet de vraag of sprake is van berusting of instemming met het verblijf op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag. Het bewijs dat een weigeringsgrond zich voordoet, rust op de moeder.

De rechtbank overweegt als volgt. Op 25 of 26 september 2018 zijn de moeder en de vader met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanuit Canada, waar het gezin woonde, naar Nederland gegaan. Ter zitting is komen vast te staan dat het bij vertrek vanuit Canada de intentie van moeder was om met de vader en de kinderen naar Nederland te reizen om familie te bezoeken en ook dat zij hier ongeveer een maand zouden blijven. De vader heeft zijn toestemming hiervoor verleend. Dat hij de moeder óók toestemming heeft gegeven om zich definitief met de kinderen in Nederland te vestigen, wordt door de vader betwist en is naar het oordeel van de rechtbank door de moeder onvoldoende onderbouwd. Uit de in het geding gebrachte WhatsApp gesprekken volgt eerder dat de moeder niet terug wilde naar Canada, dan dat de vader niet wilde dat de moeder en de kinderen terugkwamen. De moeder heeft weliswaar gesteld dat de vader dit in telefoongesprekken wel (steeds) tegen haar heeft gezegd, maar de moeder heeft dit standpunt niet verder onderbouwd. In het licht van de betwisting door de vader is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet komen vast te staan dat de vader toestemming heeft gegeven voor een permanent verblijf van de kinderen in Nederland.

De verklaringen van de familie van de moeder – te weten dat de vader haar op Schiphol onverwachts zou hebben achtergelaten en zou hebben gezegd dat de kinderen in Nederland zouden mogen blijven – maken dat niet anders. De rechtbank hecht aan die verklaringen niet de waarde die de moeder daaraan toekent, met name gelet op de kennelijk gespannen relatie van de vader en de moeder met hun beide schoonfamilies. Het voorgaande geldt te meer nu de vader al kort na aankomst in Nederland en zijn terugkeer naar Canada de moeder meermalen (via WhatsApp) heeft gevraagd wanneer zij weer zou terugkomen naar Canada. Dat strookt niet met het verhaal van de moeder dat hij haar en de kinderen heeft achtergelaten en dat zij niet meer terug naar Canada hoefden te komen.

Verder duiden ook de feitelijke gedragingen van de vader er juist op dat hij de moeder geen toestemming heeft gegeven om zich met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland te vestigen. Zo is de vader, toen de moeder alle communicatie met hem heeft verbroken, naar Nederland afgereisd, om te achterhalen waar de moeder met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verbleef en heeft hij niet lang daarna het teruggeleidingsverzoek ingediend.

Evenmin is gebleken dat de vader op enig moment heeft berust in of heeft ingestemd met een definitief verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland. Het had op de weg van de moeder gelegen haar standpunt ook op dit punt voldoende te onderbouwen, wat zij naar het oordeel van de rechtbank niet heeft gedaan.

Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd dat zij toestemming heeft gekregen van de vader voor een definitief verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland, dan wel dat de vader heeft ingestemd of berust in het verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] alhier. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet de overbrenging, maar wel de vasthouding van de kinderen in Nederland in ieder geval vanaf 23 oktober 2018 is geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat de vasthouding van de kinderen in Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel
3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de vasthouding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland zijn geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

De moeder heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgrond, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag. Daarnaast heeft de moeder betoogd dat er sprake is van de weigeringsgrond, zoals genoemd in artikel 20 van het Verdrag.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd.

De moeder stelt dat zij en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door terugkeer naar Canada ernstig risico lopen dat zij worden blootgesteld aan lichamelijke of geestelijke mishandeling. Het huwelijk tussen partijen is al een tijd niet goed en de vader heeft de moeder mishandeld en bedreigd.

Voorts kan de vader niet tegen het gehuil en het geschreeuw van de kinderen. Hij heeft op enig moment in Canada ook met een van de kinderen gegooid.

De vader betwist dat hij de moeder heeft mishandeld en bedreigd. Ook betwist de vader dat hij met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft gegooid en dat hij niet goed voor ze zou zorgen.

De rechtbank is van oordeel dat de moeder in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vader niet (voldoende) heeft aangetoond dat de situatie van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag zich hier voordoet. Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken kan niet kan worden vastgesteld dat, zoals de moeder stelt, huiselijk geweld in de voorgaande jaren in Canada tussen de echtelieden heeft plaatsgevonden. Tegenover de gemotiveerde betwisting van de verklaring van de moeder daarover door de vader, staat immers het gegeven dat de moeder in Canada geen aangifte tegen de vader heeft gedaan of op andere wijze (professionele) hulp ter bescherming van zichzelf en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft ingeschakeld. Daarnaast is niet gebleken dat de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het bijzijn van de vader in het geding is. Niet is gebleken dat de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft mishandeld of dat hij hun veiligheid op enigerlei andere wijze in gevaar heeft gebracht. De moeder heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat een dergelijk gevaar in de nabije toekomst bij terugkeer naar Canada wel reëel dient te worden geacht.

Daarnaast beschouwt de rechtbank Canada als een modern land waar voldoende hulpverlening voorhanden is om zo nodig maatregelen te treffen om de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te kunnen waarborgen. In Canada zijn voldoende (juridische) voorzieningen aanwezig om de moeder in staat te stellen een zelfstandig bestaan, los van de vader, te leiden.

Het beroep van de moeder op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag kan dan ook niet slagen.

Weigeringsgrond ex artikel 20 van het Verdrag

De moeder stelt voorts dat de teruggeleiding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Canada in strijd is met artikel 20 van het Verdrag. Volgens de moeder bestaat er een serieus te nemen risico op eerwraak. Beide partijen zijn van Pakistaanse afkomst, waarbij de familie-eer een grote rol speelt.

Ingevolge artikel 20 van het Verdrag kan de terugkeer van het kind overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van het Verdrag worden geweigerd wanneer deze op grond van de fundamentele beginselen van de aangezochte Staat betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet zou zijn toegestaan. Deze bepaling ziet op uitzonderlijke gevallen waarin wordt aangetoond dat het kind in de staat van herkomst dreigt te worden tekort gedaan in de bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden. Voorts worden de fundamentele rechten van kinderen (en ouders) geacht te zijn geïncorporeerd in het Verdrag. Een aparte toetsing van het belang van het kind in het kader van artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in samenhang met het Verdrag kan niet aan de orde zijn.

Los van het feit dat de moeder haar beroep op deze weigeringsgrond niet nader heeft onderbouwd, is ook overigens niet gebleken dat sprake is van omstandigheden die een beroep op deze weigeringsgrond kunnen rechtvaardigen. Zo is het de rechtbank niet gebleken dat door toewijzing van het verzoek tot teruggeleiding afbreuk wordt gedaan aan het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , dat ook in zaken van internationale kinderontvoering voorop staat. Voorts heeft de moeder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat er – nog daargelaten of dit een ondragelijke toestand in de zin van het Verdrag oplevert – een concreet en reëel risico bestaat voor eerwraak indien zij met de minderjarige terugkeert naar Canada.

Conclusie

Nu er geen sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 20 en artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag en ook niet gebleken is dat er sprake is van een van de overige in artikel 13 van het Verdrag genoemde weigeringsgronden – de moeder heeft hierop ook geen beroep gedaan –, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde vasthouding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te volgen.

Op grond van artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kunnen afwachten.

De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk 27 februari 2019, zijnde de dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.

Wijze van terugkeer

De rechtbank zal voorbij gaan aan het verzoek van de vader om de teruggeleiding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] specifiek naar [woonplaats vader] – de huidige woonplaats van de vader – te gelasten.

De rechtbank overweegt dat de strekking van het Verdrag (en de Uitvoeringswet) is dat het kind wordt teruggeleid naar het land van herkomst zodat daar zo nodig verdere beslissingen over de verblijfplaats van het kind kunnen worden genomen. Het is niet de bedoeling van het Verdrag dat in een teruggeleidingsprocedure wordt beslist over de verblijfplaats van het kind. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de teruggeleiding naar [woonplaats vader] te gelasten en zal de teruggeleiding naar Canada gelasten.

Sterke arm

Op grond van artikel 13 lid 6 van de Uitvoeringswet juncto artikel 813 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van rechtswege voorzien in het met behulp van de sterke arm ten uitvoer leggen van de onderhavige beschikking. Het betreffende verzoek van de vader zal dan ook bij gebrek aan belang worden afgewezen.

Opname spiegelovereenkomst

Partijen zijn in genoemde spiegelovereenkomst van 26 januari 2019 twee regelingen overeengekomen, één voor het geval de teruggeleiding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Canada zou worden gelast en één voor het geval het teruggeleidingsverzoek zou worden afgewezen. De rechtbank zal de spiegelovereenkomst in de beschikking opnemen, zoals hierna volgt.

De rechtbank zal het verzoek van de vader om de moeder op grond van artikel 26 lid 4 van het Verdrag te veroordelen in de door hem ter zake van de teruggeleiding gemaakte kosten bij gebreke van (enige) onderbouwing van die kosten afwijzen.

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

gelast de terugkeer van de minderjarigen:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2018 te [geboorteplaats] , Canada, en

- [minderjarige 2] geboren op [geboortedag] 2018 te [geboorteplaats] , Canada,

naar Canada uiterlijk op 27 februari 2019, waarbij de moeder de minderjarigen dient terug te brengen naar Canada en beveelt, indien de moeder nalaat de minderjarigen terug te brengen naar Canada, dat de moeder de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 27 februari 2019, opdat de vader de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar Canada;

*

neemt op de door de vader en de moeder getroffen onderlinge regeling ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid aangaande genoemde minderjarigen, zoals neergelegd in de (in fotokopie) aan deze beschikking gehechte spiegelovereenkomst van 26 januari 2019, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.Th.W. van Ravenstein, H.M. Boone en J.C. Sluymer, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. S.G.J. Verkennis als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 12 februari 2019.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.