Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1247

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
13-02-2019
Zaaknummer
09/184647-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“De rechtbank veroordeelt verdachte wegens twee mishandelingen, poging tot zware mishandeling en vernieling tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09-184647-18

Datum uitspraak: 13 februari 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte:

[naam 1] ,

[geboortedatum] 1977 [geboorteplaats] [geboorteland] ,

[adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 18 december 2018 (pro forma) en 30 januari 2019 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.K. Schoep en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. M.M. Kuyp naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 september 2018 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 1] heeft mishandeld

door die [slachtoffer 1] meerdere malen, althans eenmaal,

- al dan niet met een blokfluit tegen het lichaam te slaan en/of

- tegen het lichaam te schoppen en/of

- aan de haren te trekken;

2.

hij op of omstreeks 17 september 2018 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen met een honkbalknuppel in de richting van die zich op korte

afstand bevindende [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of die [slachtoffer 1] van een trap heeft geduwd/

gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden:

hij op of omstreeks 17 september 2018 te 's-Gravenhage [slachtoffer 1] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een

honkbalknuppel in de richting van die zich op korte afstand bevindende [slachtoffer 1] te slaan;

3.

hij op of omstreeks 17 september 2018 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 2] heeft mishandeld

door die [slachtoffer 2] meerdere malen, althans eenmaal, tegen het lichaam te slaan en/of aan

de haren te trekken;

4.

hij op of omstreeks 17 september 2018 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk

de inboedel van de woning gelegen aan de [adres 2] , in elk geval enig goed,

dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft

vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

5.

hij op of omstreeks 17 september 2018 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk

een auto (merk Hyundai, [kenteken] , in elk geval enig goed, dat geheel of

ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 3] toebehoorde, heeft vernield,

beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

6.

hij op of omstreeks 17 september 2018 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk

twee ruiten van een portiekdeur van een appartementencomplex gelegen aan de

[adres 2] en/of een ruit en/of de gasaansluiting van de woning gelegen aan de [adres 2] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten

aan [naam bedrijf] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt

en/of weggemaakt.

3 De geldigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 4

3.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van feit 4 nietig verklaard dient te worden, nu onvoldoende duidelijk is op welke goederen in de woning dit feit betrekking heeft.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het voor verdachte voldoende duidelijk is waarop dit feit betrekking heeft. In de woning zijn door verdachte immers verschillende goederen vernield en omdat het onmogelijk is geweest om al deze goederen apart in de tenlastelegging op te nemen is er gekozen voor de term ‘inboedel’.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat een dagvaarding krachtens artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een voldoende specifieke opgave van het feit moet bevatten dat aan verdachte wordt verweten. Het moet verdachte immers duidelijk zijn waartegen hij zich moet verdedigen. Indien de tenlastelegging hieraan niet voldoet, kan zij niet fungeren als grondslag van het onderzoek op de terechtzitting en moet de dagvaarding (geheel of gedeeltelijk) nietig worden verklaard.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de dagvaarding met het gebruik van de term ‘inboedel’ niet aan de voormelde eisen van concreetheid en duidelijkheid. Hoewel duidelijk is wat het woord inboedel betekent en wat er onder kán vallen blijkt met name niet welke goederen wel en welke goederen niet door verdachte zouden zijn vernield of beschadigd. Zonder een specificatie is de term ‘inboedel’ onvoldoende feitelijk . Omdat daarmee niet aan de eisen van artikel 261 Sv is voldaan, zal de rechtbank de tenlastelegging voor zover het onder feit 4 ten laste gelegde betreffende dan ook nietig verklaren.

4 Vrijspraak ten aanzien van feit 5

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het breken van een ruit van de woning onvoldoende is om te kunnen bewijzen dat de verdachte enig opzet had op de in de nabijheid van de woning geparkeerde auto. Hij heeft vrijspraak gevorderd.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 5 is tenlastegelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Nu de raadsman en de officier van justitie zich beiden op het standpunt hebben gesteld dat vrijspraak dient te volgen, behoeft deze beslissing geen nadere motivering.

5 Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1, 2, 3 en 6

5.1

Inleiding

Verdachte wordt verder verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 1] (feit 1), poging tot zware mishandeling dan wel bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling van [slachtoffer 1] (feit 2), mishandeling van [slachtoffer 2] (feit 3) en ten slotte vernieling van meerdere ruiten en/of de gasaansluiting (feit 6).

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding onder 1, 2 primair, 3 en 6 ten laste gelegde.

5.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 geen opmerkingen geuit.

Met betrekking tot feit 2 heeft de verdediging integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte heeft ontkend dat hij de honkbalknuppel in zijn handen heeft gehad. Indien wel zou worden aangenomen dat verdachte met de knuppel gezwaaid of geslagen zou hebben, dan biedt het dossier onvoldoende bewijs dat het opzet (ook niet in voorwaardelijke zin) gericht zou zijn op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ten slotte houdt de tenlastelegging niet meer in dan dat in de richting van het lichaam zou zijn geslagen, hetgeen zonder nadere specificering niet zonder meer tot zwaar lichamelijk letsel hoeft te leiden, zodat ook om die reden vrijspraak dan wel een ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen.

Verder heeft verdachte ontkend dat hij mevrouw van de trap heeft gegooid en/of geduwd. Daar komt bij dat uit het dossier niet volgt om wat voor soort trap het gaat zodat ook niet is vast te stellen of er een aanmerkelijke kans heeft bestaan dat mevrouw zwaar lichamelijk letsel heeft kunnen oplopen door de val. Ten slotte is niet duidelijk geworden onder welke exacte omstandigheden mevrouw van de trap zou zijn gevallen.

Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging zich ook op het standpunt gesteld dat vrijspraak dient te volgen. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat moet worden uitgegaan van de verklaring van verdachte. Immers wordt de verklaring van dochter niet ondersteund door de verklaring van moeder en kan het letsel bij dochter ook verklaard worden door de worsteling die eerder in de woning plaats heeft gevonden.

De verdediging heeft ten aanzien van feit 6 geen opmerkingen geuit.

5.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Ten aanzien van feit 1, 2 en 3:

Aangeefsters

Op 17 september 2018 heeft [slachtoffer 1] ) aangifte gedaan van poging tot zware mishandeling, mishandeling, huisvredebreuk en vernieling. Zij heeft verklaard dat zij op 17 september 2018 rond 03:30 uur wakker werd van een bonkend geluid. Zij lag op dat moment te slapen in haar woning aan de [adres 2] te Den Haag. Opeens stond er een man in haar woning die de kamer van haar dochter [slachtoffer 2] ) binnenging. Nadat zij begon te schreeuwen kwam de man haar slaapkamer in. Op het moment dat de man op haar af kwam lopen duwde zij de man van haar af. De man pakte haar vervolgens beet en nadat zij hard is gaan schreeuwen is de man naar de woonkamer gelopen. Vervolgens kwam de man terug met een blokfluit in zijn handen en haalde de man uit met die blokfluit. De man sloeg haar overal; op haar hoofd, armen en lichaam. Uiteindelijk belandden zij in de gang waar een honkbalknuppel stond. De man pakte deze honkknuppel, hief de honkbalknuppel boven zijn hoofd en haalde uit in haar richting. Zij kon de slag afweren met haar armen. Hierdoor kreeg zij de kans om de honkbalknuppel te pakken. Vervolgens heeft zij de man met de honkbalknuppel op zijn schouder geslagen. De man kreeg echter weer de kans om de honkbalknuppel vast te pakken. Haar dochter had op dat moment de honkbalknuppel ook vast. Het werd vervolgens duw- en trekwerk om de honkbalknuppel. Op enig moment viel zij op de grond waarna de man haar sloeg en schopte. Zij voelde dat de man haar overal raakte. Vervolgens zag en voelde zij ook dat de man aan haar haren trok. De man trok haar aan haar haren mee naar de voordeur en ondertussen schopte en sloeg de man haar weer. Uiteindelijk trok de man haar langs de voordeur het portiek op, liep een paar treden naar beneden en terwijl hij dit deed trok hij haar aan haar haren mee achter zich aan. Vervolgens heeft hij haar een zet gegeven door aan haar haren te trekken en heeft hij haar van de trap gegooid waardoor zij op het eerste plateau van de trap terecht is gekomen.2 [slachtoffer 1] heeft als gevolg van het incident verwondingen aan haar beide knokkels opgelopen, een verwonding bovenop haar hoofd waarvoor zij in het ziekenhuis is gehecht, een bult op haar linker scheenbeen, meerdere rode krassen op haar rechterscheenbeen en schaafwond aan de voorzijde, een blauwe plek op de binnenzijde van haar linkerarm, een verdikking aan de bovenzijde van haar linker onderarm en tenslotte kleine schaafwondjes op haar linker elleboog.3

De dochter van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , is ook door de politie gehoord. Zij heeft verklaard dat zij de betreffende nacht tussen 03:00 uur en 03:30 uur wakker werd van een hard geluid. Zij zag haar kamerdeur open en vervolgens weer dicht gaan. De man die zij zag liep vervolgens naar haar moeder toe. Toen zij naar de slaapkamer van haar moeder ging zag zij dat de onbekende man en haar moeder daar vochten. Op het moment dat zij de kamer van haar moeder binnenkwam richtte de man zich ook op haar. De man kwam naar haar toe lopen en maakte met een vuist een slaande beweging richting haar waardoor zij een pijn in haar rechterschouder voelde. Het gevecht ging over en weer. Zij is door de man meerdere keren geslagen in haar nek, op haar armen en op haar benen. In de gang stond een honkbalknuppel en de man heeft op enig moment de honkbalknuppel gepakt. Hij heeft hier vervolgens een slaande beweging mee gemaakt in de richting van haar moeder en hij heeft haar moeder met de honkbalknuppel geraakt. Samen met haar moeder is het gelukt om de honkknuppel beet te pakken. Nadat haar moeder de man één keer met de honkbalknuppel wist te slaan, pakte de man de honkbalknuppel echter alweer af en begon de man hen weer te slaan en aan hun haren te trekken. Vanuit de slaapkamer van haar moeder zijn zij in de gang beland en uiteindelijk in het portiek. In het portiek zag zij dat de man haar moeder van de trap afgooide. De man liep daarna naar haar toe, pakte haar aan haar haren en trok haar aan haar haren naar beneden.4 Zij heeft als gevolg van het incident blauwe plekken aan haar linker onderarm en rechter onderarm opgelopen, een blauwe plek/verdikking op haar rechter onderarm, meerdere rode krassen op haar onderbenen, een lichte blauwe plek in haar hals aan de linkerzijde van haar hoofd en tenslotte rode plekken op haar knokkels.5

Verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij de betreffende nacht amfetamine had gebruikt en zich veel niet meer kan herinneren. Hij weet nog wel dat hij die betreffende nacht het ‘verkeerde huis’ is binnengedrongen, de woning van aangeefsters, en dat er binnen een confrontatie met de bewoners heeft plaatsgevonden. Dat hij hen vervolgens zou hebben mishandeld ontkent verdachte.

Overweging betrouwbaarheid verklaring aangeefsters

Anders dan de raadsman heeft betoogd, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van de aangifte van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Dat aangeefsters niet exact hetzelfde verklaard hebben, laat onverlet dat hun verhalen in grote lijnen hetzelfde zijn. Voorts is niet gebleken dat aangeefsters enig belang hebben bij het afleggen van een onjuiste verklaring. Daarbij komt dat aangeefsters ook open hebben verklaard over een eigen geweldshandeling, de klap met de honkbalknuppel door [slachtoffer 1] . Voor verdachte geldt dat hij juist aan de belangrijke, gewelddadige momenten geen herinneringen meer zegt te hebben. Zelfs over de de mate van zijn herinneringen verklaart hij wisselend. De rechtbank hecht dan ook meer waarde aan de hiervoor weergegeven verklaringen van aangeefsters dan aan de verklaringen van verdachte zelf.

Conclusie feit 1

De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 17 september 2018 te Den Haag schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 1] door haar tegen het lichaam te slaan en te schoppen en haar aan haar haren te trekken.

Overweging poging tot zware mishandeling

Op grond van voormelde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte met een honkbalknuppel in de richting van [slachtoffer 1] heeft geslagen, die zich op dat moment op korte afstand van verdachte bevond en dat verdachte [slachtoffer 1] vervolgens van de trap heeft gegooid.

De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of voornoemd handelen van verdachte moet worden aangemerkt als een poging tot zware mishandeling of een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling. Zij overweegt daartoe als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat voor een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling is vereist dat verdachte het opzet moet hebben gehad op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] , al dan niet in voorwaardelijke zin. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door de honkbalknuppel boven zijn hoofd te heffen en vanuit die positie uit te halen in de richting van [slachtoffer 1] , die zich op korte afstand bevond, de bedoeling gehad die [slachtoffer 1] flink te raken. Bij een slag uit een dergelijke uitgangspositie is het hoofd het deel van het lichaam dat het eerst geraakt wordt. Vervolgens heeft hij die [slachtoffer 1] van de trap van een portiekwoning - welke trap per definitie bestaat uit meerdere treden van hard materiaal - gegooid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door deze gedragingen de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen bewust aanvaard, zodat sprake is van ten minste voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij die [slachtoffer 1] .

Conclusie feit 2

Gelet op al deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich op 17 september 2018 te Den Haag schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] door met een honkbalknuppel in de richting van die zich op korte afstand bevindende [slachtoffer 1] te slaan en die [slachtoffer 1] van de trap te gooien.

Conclusie feit 3

Ten slotte acht rechtbank op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 17 september 2018 te Den Haag schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 2] door haar meermalen tegen het lichaam te slaan en aan haar haren te trekken.

Ten aanzien van feit 6:

Op 24 september 2018 heeft [naam 2] namens [naam bedrijf] aangifte gedaan van vernieling van een ruit in de woonkamer, twee ruiten van de portiekdeur en de gasleiding van de woning aan de [adres 2] te Den Haag, gepleegd op 17 september 2018.6 De politie heeft voornoemde woning na het incident op 17 september 2018 betreden en heeft geconstateerd dat de ruit van het portiek 7 en de gasleiding verbroken waren.8

De rechtbank stelt vast dat verdachte in de nacht van 17 september 2018 in voornoemde woning door de politie is aangehouden. Diezelfde nacht is door de politie de schade aan de ruit in de woonkamer, twee ruiten in de portiekdeur en de gasaansluiting geconstateerd en is vastgesteld, dat het gasfornuis vanuit de keuken, na verbreking van de gasaansluiting naar de voordeur is verplaatst, kennelijk om die deur te barricaderen .De rechtbank heeft geen reden om er aan te twijfelen dat het verdachte is geweest die de schade aan de ruiten en de gasaansluiting heeft toegebracht. Gelet hierop acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 17 september 2018 te Den Haag schuldig heeft gemaakt aan vernieling van de twee ruiten en de gasaansluiting.

5.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij op 17 september 2018 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die

[slachtoffer 1] meerdere malen

- tegen het lichaam te slaan en

- tegen het lichaam te schoppen en

- aan de haren te trekken;

2. ( primair)

hij op 17 september 2018 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe

te brengen met een honkbalknuppel in de richting van die zich op korte afstand

bevindende [slachtoffer 1] heeft geslagen en die [slachtoffer 1] van een trap heeft gegooid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 17 september 2018 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die

[slachtoffer 2] meerdere malen, tegen het lichaam te slaan en aan de haren te trekken;

6.

hij op 17 september 2018 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk twee ruiten

van een portiekdeur van een appartementencomplex gelegen aan de [adres 2]

en een ruit en de gasaansluiting van de woning gelegen aan de [adres 2] , dat

aan [naam bedrijf] toebehoorde, heeft vernield.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

7. De strafbaarheid van verdachte

Bij de beoordeling van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het Pro Justitia rapport van 22 november 2018, opgesteld door drs. J. van der Meer, psychiater en van het Pro Justitia rapport van 23 november 2018, opgesteld door drs. R. Zwaan, GZ-psycholoog. Uit bovengenoemde rapportage zijn geen aanwijzingen voor uitsluiting van de strafbaarheid van verdachte naar voren gekomen. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

8 De strafoplegging

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om aan verdachte geen onvoorwaardelijke straf op te leggen die langer is dan zijn voorarrest.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte is in de nachtelijke uren binnengedrongen in een voor hem onbekende woning en heeft geweld gebruikt tegen de bewoonsters, een moeder en haar 16 jarige dochter. Zij lagen daar op dat moment nietsvermoedend te slapen en werden uit het niets en midden in de nacht geconfronteerd met een voor hen onbekende en verward overkomende man in hun woning. Verdachte heeft beide bewoonsters vervolgens in hun eigen woning, een plek waar zij zich veilig moeten voelen, mishandeld.

Daarnaast heeft verdachte veel schade aan de woning toegebracht en heeft hij de woning overhoop gehaald, hetgeen extra belastend is voor de bewoonsters. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat bewoners zich in hun privacy en veiligheid aangetast voelen, nadat er iemand in hun huis is geweest. Dit blijkt ook duidelijk uit de slachtofferverklaring van aangeefsters. Zo hebben zij verklaard dat hun leven door dit alles kapot is gemaakt, dat zij extra angstig zijn geworden en dat zij - nadat hun woning in november 2018 weer bewoonbaar was verklaard - niet meer terug zijn gegaan naar hun woning omdat zij zich daar niet mee veilig voelen. Ten slotte heeft verdachte met het plegen van de vernieling geen enkel respect getoond voor andermans eigendom.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte d.d. 20 november 2018. Daaruit is gebleken dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld. Wel is uit het dossier naar voren gekomen dat verdachte in IJsland wordt verdacht van een strafbaar feit - het veroorzaken van een ongeluk onder invloed van amfetamine - en dat IJsland om de uitlevering van verdachte heeft verzocht. Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van het advies van reclassering Fivoor van 13 december 2018, die bij een veroordeling adviseren om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen nu zij interventies of toezicht niet nodig achten. De rechtbank heeft ten slotte acht geslagen op de hiervoor genoemde Pro Justitia rapporten, waarin de deskundigen tot de conclusie zijn komen dat verdachte laagbegaafd is en/of een licht verstandelijke beperking heeft, maar dat het tenlastegelegde wel aan hem kan worden toegerekend. De rechtbank legt de conclusie van de deskundigen, dat het tenlastegelegde aan verdachte kan worden toegerekend, mede ten grondslag aan haar beslissing over de strafmaat.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de zwaarte van de straf tot uitgangspunt genomen de straffen die in soortgelijke zaken gewoonlijk worden opgelegd. Gezien de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, acht de rechtbank oplegging van een forse gevangenisstraf aangewezen. Verdachte is immers in de nachtelijke uren in een voor hem onbekende woning binnendrongen, een woning waar hij niets te zoeken had en waar een moeder en dochter lagen te slapen, heeft de bewoonsters de stuipen op het lijf gejaagd, heeft hen vervolgens mishandeld .De moeder heeft de gewelddadigheden tegen haar dochter moeten zien en andersom. Vervolgens heeft hij ze aan de haren hun woning uitgezet en de moeder van de trap gegooid. Dat geen ernstiger letsel is toegebracht is te danken aan het kordate optreden van de bewoonsters. Het binnendringen in de woning en de gewelddadigheden lijken, op het element van diefstal na, sterk op een woningoverval met meer dan licht geweld.

Dat verdachte met het gasfornuis de voordeur barricadeerde, waardoor de gasaansluiting afbrak en de gasstroom ook voor hem niet meer te controleren was, heeft een enorm gevaar gevormd voor de omwonenden en de personen die zich in de nabije omgeving van de woning bevonden. Dat het gevaar voor een gasexplosie zich niet heeft verwezenlijkt is niet aan verdachte, maar aan de oplettende agenten te danken geweest.

Naar het oordeel van de rechtbank komen de ernst van het bewezenverklaarde en de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking in de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank zal dan ook een aanzienlijk zwaardere straf zal opleggen dan door de officier van justitie gevorderd. Gelet op het vorenoverwogene acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend en geboden.

9 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 8.342,10, bestaande uit een bedrag van € 1.342,10 aan materiële schade en € 7.000,00 aan immateriële schade.

[slachtoffer 2] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 7.000,00, bestaande uit immateriële schade.

[slachtoffer 3] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.500,00, bestaande uit materiële schade.

[naam 2] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 5.500,00, bestaande uit materiële schade.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

[slachtoffer 1] :

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 8.342,10.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 8.342,10 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] .

[slachtoffer 2] :

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 7.000,00.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 7.000,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2] .

[slachtoffer 3] :

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij nu de gestelde schade onvoldoende onderbouwd is.

[naam 2] :

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.000,00 en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige omdat die overige schade onvoldoende onderbouwd is.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 3.000,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [naam 2] .

9.2

Het standpunt van de verdediging

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] :

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard nu hun handtekening op het voegingsformulier ontbreekt.

Subsidiair heeft de verdediging ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] naar voren gebracht dat de schade van de gebitsprothese afgewezen dan wel niet-ontvankelijk verklaard moet worden nu verdachte niet wordt verweten dat hij die gebitsprothese heeft vernield. Ten aanzien van de inkomstenderving heeft de verdediging naar voren gebracht dat het causale verband tussen de afwezigheid op het werk en de mishandeling en/of de vernieling niet blijkt zodat de rechtbank dit deel van de vordering ook af dient te wijzen. Daarnaast is naar voren gebracht dat het verlies van arbeidscapaciteit meerdere oorzaken heeft gehad zodat behandeling van die schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en de vordering met betrekking tot dit punt niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Met betrekking tot de verzochte immateriële schade van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft de verdediging naar voren gebracht dat betwist wordt of er een verband bestaat tussen gebeurtenissen en de gestelde immateriële schade zodat ook ten aanzien van die gestelde schade niet-ontvankelijkheid dient te volgen.

[slachtoffer 3] :

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] heeft de verdediging naar voren gebracht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak dan wel omdat niet duidelijk is of de schade daadwerkelijk is hersteld en of de kosten daarvan voor rekening van de benadeelde of de verzekering is gekomen.

[naam 2] :

Ten slotte heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [naam 2] afgewezen moet worden nu het verzoek is gedaan door de natuurlijke persoon [naam 2] terwijl niet blijkt dat hijzelf enige schade heeft geleden. Daarnaast levert behandeling van de vordering volgens de verdediging een onevenredige belasting van het strafgeding op en moet niet-ontvankelijkheid volgen nu onduidelijk is welke schade door wie is geleden en wie thans vergoeding van de schade vraagt.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer 1] :

De rechtbank stelt voorop dat krachtens artikel 51c lid 2 Sv het slachtoffer zich op zitting kan doen vertegenwoordigen door een advocaat indien deze verklaart daartoe uitdrukkelijk gemachtigd te zijn, welke machtiging ook nog ter terechtzitting door de advocaat mondeling afgelegd kan worden.

De rechtbank stelt vast dat de advocaat ter terechtzitting te kennen heeft gegeven dat abusievelijk de handtekening van benadeelde partij [slachtoffer 1] op de vordering ontbreekt, maar dat hij uitdrukkelijk gemachtigd is om benadeelde partij [slachtoffer 1] op zitting te doen vertegenwoordigen. Nu hiermee is voldaan aan de eisen van artikel 51c lid 2 Sv, is de benadeelde partij [slachtoffer 1] in zoverre ontvankelijk in haar vordering.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post verlies arbeidsvermogen, groot

€ 720,77, is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij die schade rechtstreeks heeft geleden als gevolg van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post gebitsprothese, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien niet is komen vast te staan dat die schade rechtstreeks is toegebracht door enig bewezenverklaard feit.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade, groot € 7.000,00, zal de rechtbank, gelet op hetgeen door en namens de benadeelde partij is toegelicht, naar billijkheid een bedrag van

€ 3.500,00 toewijzen, omdat is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de bewezen verklaarde feiten.

Derhalve zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van € 4.220,77 (€ 720,77 + € 3.500,00).

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 17 september 2018, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte voor de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door deze feiten is toegebracht, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.220,77, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 september 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening ten behoeve van [slachtoffer 1] .

[slachtoffer 2] :

Hetgeen hiervoor werd overwogen over de ontvankelijkheid van [slachtoffer 1] in haar vordering geldt onverkort voor de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Ter zake van de gevorderde immateriële schade, groot € 7.000,00, zal de rechtbank, gelet op hetgeen door en namens de benadeelde partij is toegelicht, naar billijkheid een bedrag van

€ 3.500,00 toewijzen, omdat is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde feit.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 17 september 2018, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

De vordering zal voor het overige worden afgewezen.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte voor het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 september 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening ten behoeve van [slachtoffer 2] .

[slachtoffer 3] :

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien niet is gebleken dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door enig bewezenverklaard feit. Van het feit dat de gevorderde schade veroorzaakt zou hebben, feit 5, wordt verdachte immers vrijgesproken.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

[naam 2] :

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaren, aangezien de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat de hoogte van de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd. Ook is niet duidelijk in hoeverre degene die de vordering indient, [naam 2] , degene is die de schade heeft geleden. In elk geval lijkt de aangever van het schadetoebrengend handelen een andere (rechts)persoon te zijn. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

10 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36f, 45, 57, 300, 302, 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

verklaart de dagvaarding partieel nietig voor zover het betreft het tenlastegelegde feit onder 4;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bij dagvaarding onder 5 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2, 3 en 6 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 5.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

mishandeling;

ten aanzien van feit 2 (primair):

poging tot zware mishandeling;

ten aanzien van feit 3:

mishandeling;

ten aanzien van feit 6:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1] , een bedrag van € 4.220,77, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 september 2018 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

bepaalt dat de vordering ten aanzien van de post gebitsprothese niet-ontvankelijk is in de vordering;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 4.220,77, bestaande uit een bedrag van € 720,77 aan materiële schade en een bedrag van

€ 3.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 september 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 september 2018, tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [slachtoffer 1] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 52 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 2] , een bedrag van € 3.500,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 september 2018 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 3.500,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 september 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, vermeerderd met de wettelijke rente tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [slachtoffer 2] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 45 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

bepaalt dat benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk is in de vordering in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

bepaalt dat [naam 2] niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H.M. Smelt, voorzitter,

mr. H. Steenhuis, rechter,

mr. P. Poustochkine, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R.A. Hopman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 februari 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018251812, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Zuid, bureau districtsrecherche Den Haag-Zuid (doorgenummerd blz. 1 t/m 133).

2 Proces-verbaal van aangifte, blz. 23 en 24.

3 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 51 met bijlagen.

4 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] , blz. 40 en 41.

5 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 56 met bijlagen.

6 Proces-verbaal van aangifte [naam bedrijf] , blz. 81.

7 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 43.

8 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 94.