Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:12391

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-11-2019
Datum publicatie
22-11-2019
Zaaknummer
7560624 RP VERZ 19-50106
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ernstig verwijtbaar handelen werknemer door in strijd te handelen met de re-integratieverplichtingen ex artikel 7:660a BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

RvV

Zaaknummer: 7560624 RP VERZ 19-50106

Uitspraakdatum: 1 november 2019

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CSU Services I B.V.,

gevestigd te Uden,

verzoekende partij,

verder te noemen: CSU,

gemachtigde: mr. R.M. Dessaur,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij,

verder te noemen: [verweerster] ,

gemachtigde: mr. F. Schouten-Cosar.

1 Het procesverloop

1.1.

CSU heeft de kantonrechter bij verzoekschrift, bij de griffie ingekomen op 27 februari 2019 verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerster] heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 2 april 2019 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Op 3 juni 2019 heeft de voortzetting van de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Na de laatste zitting heeft CSU op 19 juli 2019 een brief verzonden. Bij die brief heeft CSU een deskundigenoordeel van het UWV toegevoegd. Daarna heeft CSU op 24 juli 2019 nog een schriftelijke uiteenzetting gegeven van haar standpunten. Daarop heeft [verweerster] op 29 oktober 2019 schriftelijk gereageerd.

1.3.

Vervolgens is de uitspraak bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[verweerster] is op 22 april 2018 in dienst getreden bij CSU in de functie van medewerker algemeen schoonmaakonderhoud I voor gemiddeld 10 uur in de week.

2.2.

Op 27 augustus 2018 heeft [verweerster] zich ziek gemeld bij CSU.

2.3.

[verweerster] heeft zich nadien gemeld bij het spreekuur van de bedrijfsarts. [verweerster] is daarna door de bedrijfsarts op 11 september 2018 in staat geacht om aangepast werk te verrichten.

2.4.

[verweerster] is op 11 september 2018 gestart met het verrichten van aangepaste werkzaamheden. Op 13 september 2018 heeft [verweerster] zich opnieuw ziek gemeld.

2.5.

Op 27 september 2018 heeft de bedrijfsarts [verweerster] wederom in staat geacht om aangepaste werkzaamheden te verrichten.

2.6.

CSU heeft [verweerster] op 28 september 2018 een brief verzonden. Daarin is te lezen dat [verweerster] door CSU geacht wordt om de aangepaste werkzaamheden te hervatten. Verder valt daarin te lezen dat CSU de uitbetaling van het loon opschort voor de tijd dat [verweerster] de werkzaamheden niet hervat en wordt [verweerster] gewezen op de mogelijkheid om een deskundigenoordeel bij het UWV aan te vragen.

2.7.

Op 5 oktober 2018 heeft [verweerster] de aangepaste werkzaamheden hervat.

2.8.

Op 15 oktober 2018 heeft [verweerster] zich opnieuw ziek gemeld. Op of omstreeks 23 oktober 2018 heeft de bedrijfsarts [verweerster] nogmaals in staat geacht om aangepaste werkzaamheden te verrichten.

2.9.

Op 2 november 2018 heeft CSU een brief verzonden aan [verweerster] en haar verzocht om de aangepaste werkzaamheden te hervatten.

Op 13 november 2018 heeft CSU een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV.

2.10.

Op 15 november 2018 heeft CSU [verweerster] wederom verzocht tot hervatting van de passende werkzaamheden.

2.11.

Het UWV heeft op 25 januari 2019 geoordeeld dat de re-integratie inspanningen van [verweerster] onvoldoende zijn. In het op 7 januari 2019 gedateerde rapportage van de arbeidskundige valt het volgende, voor zover relevant, te lezen:

“(…)

Werknemer wil weten of de door de bedrijfsarts/werkgever voorgestelde re-integratieactiviteiten uitvoerbaar zijn en of het werknemer verwijtbaar is wanneer werknemer daaraan niet meewerkte. (…) De verzekeringsarts blijkt de visie van de bedrijfsarts volledig te onderschrijven. (…) Er moet dan ook geconcludeerd worden dat [de door de werkgever aangeboden werkzaamheden, toevoeging kantonrechter] als passend moeten worden beschouwd.

(…)

4. Conclusie

De re-integratie inspanningen van werknemer waren onvoldoende voor zover werknemer niet meegewerkt heeft aan de bovenomschreven re-integratieactiviteiten.

(…)”

2.12.

CSU heeft [verweerster] per brief op 22, 28 en 31 januari 2019 verzocht om de aangepaste werkzaamheden te hervatten.

2.13.

Op 8 mei 2019 heeft [verweerster] een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV. Op 9 juli 2019 heeft het UWV geoordeeld dat haar eerdere oordeel van 25 januari 2019 in stand blijft.

3 Het verzoek

3.1.

CSU verzoekt bij beschikking de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden, zo spoedig mogelijk op grond van een redelijke grond, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e, dan wel sub g, dan wel sub h, BW, kosten rechtens.

3.2.

Aan het verzoek legt CSU - kort gezegd - ten grondslag dat [verweerster] bij herhaling (ernstig) verwijtbaar handelt of nalaat, zodanig dat van CSU in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. In augustus 2018 heeft [verweerster] zich ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft [verweerster] daarna meermaals in staat geacht om aangepaste (lichte) werkzaamheden te verrichten. [verweerster] heeft echter geweigerd om deze werkzaamheden te verrichten. CSU heeft zich daarom genoodzaakt gezien om een loonstop op te leggen. Daarnaast heeft CSU het UWV verzocht om een deskundigenoordeel af te geven over de vraag of [verweerster] voldoende aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan. Het UWV heeft de visie van de bedrijfsarts (tot twee keer toe) onderschreven en geoordeeld dat de door [verweerster] uitgevoerde re-integratie inspanningen onvoldoende zijn. CSU is van mening dat [verweerster] hierdoor ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Herplaatsing ligt niet in de rede.

4 Het verweer en het zelfstandig tegenverzoek

4.1.

[verweerster] verweert zich tegen het verzoek. [verweerster] verzoekt de door CSU verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen en in ieder geval alleen toe te wijzen onder toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding.

4.2.

[verweerster] verzoekt in – zo begrijpt de kantonrechter – haar zelfstandig tegenverzoek om CSU te veroordelen de opschorting van de loonbetalingen ongedaan te maken en het verschuldigde te betalen over de periode vanaf oktober 2018 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst van [verweerster] rechtsgeldig is geëindigd.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de beantwoording van de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.

5.2.

Voorop wordt gesteld dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Volgens artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW is een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst ‘verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien de werknemer zijn verplichtingen op grond van artikel 7:660a BW niet nakomt (zie: Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 99 (MvT)). Op grond van artikel 7:660a BW is de werknemer (onder meer) gehouden gevolg te geven aan een door de werkgever of een door haar aangewezen deskundige gegeven redelijk voorschrift en mee te werken aan in het kader van de re-integratie getroffen maatregelen, alsmede medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak. In dit kader is de werkgever, in overleg met de bedrijfsarts, arbeidsdeskundige en de werknemer, leidend in het treffen van bedoelde maatregelen. De werknemer dient zich daarnaar te voegen, tenzij die maatregelen op gespannen voet staan met de beginselen van goed werkgeverschap of anderszins als onredelijk moeten worden aangemerkt. Indien sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer dan ligt herplaatsing op grond van artikel 7:669 lid 1 BW niet in de rede.

5.3.

Gelet op het hiervoor geschetste juridische toetsingskader is het aan CSU om feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat [verweerster] de verplichtingen op grond van artikel 7:660a BW niet is nagekomen. Het is vervolgens aan [verweerster] om de stelling, dat zij de verplichtingen op grond van artikel 7:660a BW niet is nagekomen, gemotiveerd te weerspreken.

5.4.

CSU heeft ten aanzien van het niet nakomen van de re-integratieverplichtingen aangevoerd dat [verweerster] in augustus 2018 als gevolg van ziekte is uitgevallen. [verweerster] heeft daarna op of omstreeks 11 september 2018 het spreekuur van de bedrijfsarts bezocht. De bedrijfsarts heeft [verweerster] toen belastbaar geacht tot het verrichten van lichte schoonmaakwerkzaamheden. Op 27 september en 23 oktober 2018 heeft de bedrijfsarts dit advies herhaald. Ondanks het feit dat de bedrijfsarts [verweerster] belastbaar heeft geacht tot het verrichten van lichte schoonmaakwerkzaamheden, CSU [verweerster] diverse keren (schriftelijk) heeft verzocht tot werkhervatting en CSU sinds 28 september 2018 de uitbetaling van het loon van [verweerster] meermaals heeft gestaakt, heeft [verweerster] nagelaten de (aangepaste) werkzaamheden (duurzaam) te verrichten. Daarmee heeft [verweerster] volgens CSU geen gevolg gegeven aan een door CSU gegeven redelijk voorschrift en heeft [verweerster] in strijd gehandeld met artikel 7:660a BW. Omdat [verweerster] van mening was dat zij medisch gezien niet in staat was de aangepaste werkzaamheden te verrichten, heeft CSU daarna in november 2018 een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV. Het UWV heeft in haar deskundigenoordeel van 25 januari 2019 de visie van de bedrijfsarts volledig onderschreven en geoordeeld dat [verweerster] niet voldoende re-integratieactiviteiten heeft verricht. Dit oordeel heeft het UWV in haar deskundigenoordeel van 9 juli 2019 bekrachtigd.

5.5.

Gelet op de goed onderbouwde en geconcretiseerde stelling van CSU is het aan [verweerster] om deze stelling gemotiveerd te weerspreken. Dat heeft [verweerster] evenwel niet gedaan. [verweerster] heeft weliswaar een aantal bevestigingen overgelegd waaruit volgt dat zij afspraken heeft (gehad) in het ziekenhuis, alsmede een foto laten zien waaruit blijkt dat zij medicatie gebruikt, maar uit die stukken kan de kantonrechter niet afleiden dat [verweerster] al dan niet in staat was om de door de bedrijfsarts geadviseerde werkzaamheden te verrichten. Die vraag wordt door het deskundigenoordeel van het UWV wel beantwoord. Bovendien heeft het UWV in haar deskundigenoordeel van 9 juli 2019 (opnieuw) geoordeeld dat [verweerster] onvoldoende re-integratieactiviteiten heeft verricht. De nieuwe medische informatie die [verweerster] bij haar verweerschrift heeft overgelegd, hebben de conclusie in het eerdere deskundigenoordeel van 25 januari 2019 dus niet aangetast.

5.6.

Omdat [verweerster] de stelling van CSU onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, is in onderhavige procedure vast komen te staan dat [verweerster] haar verplichtingen op grond van artikel 7:660a BW niet is nagekomen. Daarmee is eveneens vast komen te staan dat [verweerster] verwijtbaar heeft gehandeld in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub e BW en ligt herplaatsing van [verweerster] niet in de rede.

5.7.

Nu sprake is van een redelijke grond voor ontslag en herplaatsing niet in de rede ligt, zal de kantonrechter op grond van artikel 7:671b lid 1 BW overgaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Overigens is in dit geval geen sprake van een opzegverbod wegens ziekte omdat de situatie van artikel 7:670a lid 1 BW aan de orde is. Zoals uit het voorgaande is gebleken, heeft [verweerster] herhaaldelijk haar verplichtingen tot re-integratie geweigerd na te komen en heeft CSU enkele malen een loonstop heeft doorgevoerd.

5.8.

CSU heeft verder verzocht, met toepassing van artikel 7:671b lid 8 sub b. BW, de arbeidsovereenkomst te ontbinden zonder toepassing van de opzegtermijn. Op grond van het hiervoor genoemde wetsartikel is daarvoor vereist dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] . Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter sprake.

5.9.

[verweerster] is sinds het moment waarop zij arbeidsongeschikt is geraakt herhaaldelijk door de bedrijfsarts gezien en de bedrijfsarts heeft [verweerster] herhaaldelijk in staat geacht tot het verrichten van lichte schoonmaakwerkzaamheden. Deze visie heeft het UWV in haar deskundigenoordeel tot tweemaal toe onderschreven. [verweerster] heeft niettemin sinds augustus 2018, met uitzondering van enkele dagen, nauwelijks re-integratieactiviteiten verricht. Mede daarom heeft CSU de betaling van het loon gestopt. Ook heeft CSU [verweerster] verschillende keren in niet mis te verstane bewoordingen (schriftelijk) verzocht om tot hervatting van de passende werkzaamheden over te gaan. Omdat [verweerster] niet is overgegaan tot een duurzame werkhervatting, terwijl CSU haar meermaals in de gelegenheid heeft gesteld om tot werkhervatting over te gaan en een loonstop heeft toegepast, is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [verweerster] . Daarom zal de kantonrechter bepalen dat met betrekking tot de ontbindingsdatum van de arbeidsovereenkomst geen opzegtermijn in acht genomen wordt en dat de arbeidsovereenkomst per heden ontbonden wordt.

5.10.

Gelet op het feit dat in de vorige rechtsoverweging is overwogen dat het niet meewerken door [verweerster] aan haar re-integratie haar ernstig te verwijten valt, zal de kantonrechter op de voet van artikel 7:673 lid 7 onder c. BW bepalen dat aan [verweerster] geen transitievergoeding toekomt, zoals CSU ook heeft verzocht.

5.11.

Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft [verweerster] ernstig verwijtbaar gehandeld omdat zij haar verplichtingen op grond van artikel 7:660a BW niet is nagekomen. Daarmee heeft CSU terecht een loonstop opgelegd. Het hiermee verband houdende tegenverzoek van [verweerster] zal dan ook worden afgewezen.

5.12.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [verweerster] worden veroordeeld in de kosten aan de zijde van CSU, begroot op € 601,00.

6 De beslissing

De kantonrechter:

Ten aanzien van het inleidende verzoek van CSU:

- ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van vandaag;

- veroordeelt [verweerster] in de proceskosten aan de zijde van CSU, begroot op
€ 601,00, waarvan € 480,00 aan salaris gemachtigde;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

Ten aanzien van het zelfstandig tegenverzoek van [verweerster] :

- wijst het tegenverzoek van [verweerster] af.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.C. Heuveling van Beek, kantonrechter en op 1 november 2019 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.