Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1232

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-02-2019
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
NL19.980, NL19.982
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:2845, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië, verweerder had voorafgaand aan overdrachtsbesluit onderzoek moeten laten doen naar psychische gezondheidstoestand echtpaar, beroepen gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummers: NL19.980

NL19.982


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser], eiser

en

[eiseres] , eiseres,

samen te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. T. Neijzen),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 15 januari 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvragen.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2019. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Gholami. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers hebben de Iraanse nationaliteit. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1987 en eiseres op [geboortedatum] 1984. Eisers hebben op 3 oktober 2018 een asielaanvraag ingediend. Uit een onderzoek van EU-Vis is gebleken dat eisers door de buitenlandse vertegenwoordiging van Italië te Teheran in het bezit zijn gesteld van een Schengenvisum.

2. Verweerder heeft de aanvragen van eisers niet in behandeling genomen en heeft de bestreden besluiten gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Verordening (EU) 604/2013 (de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland op 7 november 2018 bij Italië een verzoek om overname gedaan. Italië heeft dit verzoek op 21 november 2018 aanvaard. Verweerder heeft zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131) op het standpunt gesteld dat ten opzichte van Italië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

3. Eisers voeren aan vanwege hun ernstige psychiatrische problematiek, waaronder automutilatie en suïcidaliteit, bijzonder kwetsbaar te zijn. Zowel eiser als eiseres zijn in Iran opgenomen geweest vanwege suïcidaliteit en zijn momenteel in Nederland onder behandeling bij een psycholoog. In beroep hebben eisers hun Compleet patiëntdossier overgelegd. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, C.K. tegen Slovenië, ECLI:C:EU:2017:127, voeren eisers aan dat verweerder het Bureau Medische Advisering had moeten inschakelen om te bezien of er medische beletselen zijn om eisers over te dragen.

Gelet op hun kwetsbaarheid, kan verweerder volgens eisers zonder aanvullende garanties over hun opvang ook niet meer uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zij verwijzen in dit kader naar een update van het gezamenlijk monitoringsrapport ‘Mutual Trust is Still not Enough: The situation of persons with special reception needs transferred tot Italy under the Dublin III Regulation’ van de Danish Refugee Council en de Swiss Refugee Council van 12 december 2018.

4. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980, volgt uit het arrest C.K. dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf bezien een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand kan inhouden. Of dit het geval is, moet volgens het Hof worden beoordeeld bij de beslissing over de overdracht van die asielzoeker of in het geval van een rechterlijke procedure, wanneer wordt geoordeeld over de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit, omdat de tenuitvoerlegging daarvan tot een onmenselijke of vernederende behandeling van die asielzoeker zou kunnen leiden. Hieruit volgt dat als een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, de staatssecretaris bij het nemen van het overdrachtsbesluit dient te beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.

5. De rechtbank is van oordeel dat de door eisers overgelegde stukken moeten worden aangemerkt als objectieve gegevens die de bijzondere ernst van hun gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Uit de overgelegde patiëntdossiers volgt dat eisers sinds 14 december 2018, na het voornemen tot overdracht naar Italië, meerdere keren hebben aangegeven het leven niet meer te zien zitten en suïcidegedachten te hebben. Eiseres heeft een abortus ondergaan, omdat zij in deze omstandigheden geen kind wilden. Zij heeft in het verleden een suïcidepoging gedaan met medicijnen. Ook eiser heeft aangegeven twee keer suïcidepogingen te hebben gedaan en momenteel suïcideplannen te hebben. Ondanks het ontbreken van een recente medische verklaring van een arts, hadden deze gegevens, bezien in samenhang met de medische verklaring uit Iran waaruit volgt dat eiseres naar aanleiding van een suïcidepoging op 31 oktober 2005 in het ziekenhuis opgenomen is geweest, naar het oordeel van de rechtbank voor verweerder aanleiding moeten zijn om nader onderzoek te verrichten, bijvoorbeeld door het vragen van een advies van het BMA.

Verweerders vergelijking in het verweerschrift met de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4303) gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. In die uitspraak heeft de Afdeling immers bij de beoordeling van belang geacht dat een Duitse psychiater expliciet had vastgesteld dat geen sprake was van suïcidaliteit en was niet gebleken dat deze diagnose in Nederland opnieuw was beoordeeld en bijgesteld.

6. De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten of zelf in de zaken te voorzien, omdat nader onderzoek door verweerder nodig is. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat het voor herstel van het gebrek benodigde onderzoek naar het zich laat aanzien lang zal duren en te onzeker is wanneer dat kan worden afgerond. Verweerder zal daarom nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1536,- (2 punten voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1536,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.