Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:123

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-01-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 8145
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting telefoonwinkel; heling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR AWB 18/8145

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 januari 2019 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker], te [plaats], verzoeker

(gemachtigde: C. van Sadelhoff),

tegen

De Burgemeester van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. C.M.A. Demetriadis).

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2018 heeft verweerder verzoeker gelast op grond van artikel 2:79 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Den Haag (APV) de eenmanszaak [verzoeker] gevestigd in het perceel [perceel] in [plaats] te sluiten en gesloten te houden voor de duur van drie maanden, ingaande op 13 december 2018 om 15.00 uur en eindigend op 13 maart 2019 om 15.00 uur.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft toegezegd het besluit op te schorten totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 december 2018.

Namens verzoeker is verschenen [X], bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts is ter zitting verschenen [Y], Politie eenheid [plaats].

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2 De politie-eenheid [plaats] heeft op 2 november 2018 een bestuurlijke rapportage uitgebracht aan verweerder, betreffende heling bij het opkopen van tweedehands goederen. In de rapportage wordt verweerder verzocht om handhavend optreden en de winkel gelegen aan de [perceel] te [plaats] tijdelijk te sluiten, omdat deze winkel zich niet houdt aan de wet- en regelgeving ten aanzien van het digitale opkopersregister en de eigenaar zich schuldig heeft gemaakt aan heling.

3 Verweerder legt aan het besluit de volgende constateringen ten grondslag:

- In bezit hebben van gestolen goederen (driemaal geconstateerd);

- Niet juist invullen opkopersregister (driemaal geconstateerd);

- Niet in acht nemen wettelijke bewaartermijn (eenmaal geconstateerd).

Verweerder heeft de winkel gesloten voor de duur van drie maanden.

4.1

Ingevolge artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet is de burgemeester belast met het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven.

4.2

Artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht luidt als volgt.

1. Als schuldig aan schuldheling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie:

a.hij die een goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht ten aanzien van een goed vestigt of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed dan wel het vestigen van het recht redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

b.hij die uit winstbejag een goed voorhanden heeft of overdraagt dan wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht ten aanzien van een goed overdraagt, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betreft.

2.Met dezelfde straf wordt gestraft hij die uit de opbrengst van enig goed voordeel trekt, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betreft.

4.3

Ingevolge artikel 2:79, eerste lid, van de APV kan de burgemeester, indien de openbare orde dit naar zijn oordeel vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet.

4.4

Ingevolge artikel 2:67, eerste lid, van de APV is de handelaar verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld:

a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

b. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;

d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;

e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

4.5

Ingevolge artikel 2:69 van de APV is het de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed.

5 De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder op grond van artikel 2:79 van de APV beoordelingsvrijheid toekomt, zodat de voorzieningenrechter het bestreden besluit terughoudend dient te toetsen. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat de openbare orde de sluiting van de inrichting vergt.

Verweerder heeft het beleid ter zake vastgelegd in het Handhavingsreglement heling voor handelaren in ongeregelde en gebruikte goederen van de gemeente Den Haag (vastgesteld op 15 maart 2016, RIS-nummer 292905; gepubliceerd op https://denhaag.raadsinformatie.nl/document/3374259/1/RIS292905).

Volgens dit Handhavingsreglement vindt bij heling bij een eerste constatering sluiting plaats voor 3 maanden.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is door verweerder voldoende gemotiveerd dat de feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat is gekozen voor een sluiting. De voorzieningenrechter acht vooralsnog voldoende aannemelijk gemaakt dat in de inrichting gestolen goederen zijn aangetroffen dan wel verhandeld, waardoor sprake is van heling.

Niet in geschil is dat driemaal door toezichthouders is geconstateerd dat verzoeker gestolen goederen in bezit heeft gehad c.q. heeft ingekocht. Het gaat daarbij om twee platenspelers (2017); 32 nieuwe mobiele telefoons (begin 2018) en een mobiele telefoon (op 22 oktober 2018). Verzoeker stelt dat laatstgenoemde telefoon wel degelijk is gecheckt op stopheling.nl, namelijk door de verkoper, en dat de telefoon op genoemde site niet als gestolen stond geregistreerd.

Vast staat echter dat verzoeker niet zelf een controle heeft verricht, doch de aankoop zonder controle heeft afgerond. Na de aankoop bleek het om een gestolen toestel te gaan. Verzoeker had niet mogen uitgaan van de mededeling van de verkoper zelf dat hij al een check had verricht, dit zou de plicht tot checken door de opkoper immers ondergraven.

Dat verzoeker inmiddels een plan van aanpak ter zake van het voorkomen van heling heeft vastgesteld, doet daar niet aan af.

Voorts is niet betwist dat het verplichte digitale opkopersregister meerdere keren niet op de orde was. Dat verzoeker naar eigen zeggen thans werk maakt van het correct bijhouden van een dergelijk register doet aan de eerdere constateringen bij bestuurlijke controles niet af.

Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sluiting noodzakelijk en passend is om handel in gestolen goederen ongedaan te maken, het gebruik en de bekendheid van het pand waar strafbare feiten worden gepleegd te doorbreken, recidive te voorkomen, de openbare orde in de omgeving van het bedrijf te herstellen en verdere nadelige effecten van de handel op het openbare leven en andere lokale omstandigheden ongedaan te maken.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan het algemeen belang dat gepaard gaat met sluiting, dan aan het belang van verzoeker om hangende de bezwaarprocedure met de inkomsten van de winkel in zijn levensonderhoud te kunnen (blijven) voorzien.

6 Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben-de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.