Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:12273

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-11-2019
Datum publicatie
29-11-2019
Zaaknummer
C/09/576653 / HA ZA 19-729
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

voegingsincident.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/576653 / HA ZA 19-729

Vonnis in het voegingsincident van 20 november 2019

in de zaak van

1 de vennootschap onder firma [de V.O.F.],

te [plaats],

2. [de vennoot],

te [plaats], vennoot van eiseres sub 1,

eiseres/eiser in de hoofdzaak,

eiseres/eiser in het incident tot provisionele voorzieningen,

verweerster/verweerder in het voegingsincident,

advocaat mr. C.N. Vethanayagam te Rotterdam,

tegen

MEYDANIM DEN HAAG B.V.,

te Den Haag,

gedaagde in de hoofdzaak,

gedaagde in het incident tot provisionele voorzieningen,

eiseres in het voegingsincident,

advocaat mr. G.C. Haulussy te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [de V.O.F. c.s.] (vrouwelijk enkelvoud) en Meydanim genoemd worden en eiseres/eiser ook afzonderlijk [de V.O.F.] en [de vennoot].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 juni 2019, tevens houdende een verzoek tot het treffen van provisionele voorzieningen, met producties 1 tot en met 9;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens incidentele conclusie tot voeging, met producties 1 tot en met 5;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident tot voeging tevens akte uitlating en overlegging productie, met productie 11.1

1.2.

Vonnis in het voegingsincident is nader bepaald op heden.

2 Het geschil in de hoofdzaak

2.1.

[de V.O.F. c.s.] vordert - samengevat - in de hoofdzaak dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, Meydanim zal veroordelen

primair:

  1. ieder gebruik in de Benelux van het woordmerk MEYDAN (in verschillende varianten) en/of Meydanim (in verschillende varianten) te staken en gestaakt te houden, onder verbeurte van een dwangsom;

  2. ieder gebruik in de Benelux van het beeldmerk, zoals opgenomen in productie 3 bij dagvaarding, en daarmee overeenkomende tekens/logo’s/afbeeldingen te staken en gestaakt te houden, onder verbeurte van een dwangsom;

subsidiair:

elk gebruik van de handelsnaam Meydan (in verschillende varianten) en/of Meydanim (in verschillende varianten) te staken en gestaakt te houden, onder verbeurte van een dwangsom;

zowel primair als subsidiair:

het teken MEYDAN te verwijderen en verwijderd te houden van de voorgevel van het pand van Meydanim aan het Hobbemaplein te Den Haag;

in de proceskosten ex art. 1019h Rv;

in de nakosten.

Daarnaast vordert [de V.O.F. c.s.] ook een provisioneel inbreukverbod.

2.2.

Ter onderbouwing van de vorderingen stelt [de V.O.F. c.s.] - verkort weergegeven - dat [de V.O.F.] zich vanaf 30 september 2010 bezighoudt met de exploitatie van een restaurant aan het [adres], met onder andere [de vennoot] als vennoot. Vanaf 1 mei 2012 tot 1 december 2016 is (onder andere) de heer [A] (hierna: [A]) medevennoot geweest van [de V.O.F.]. Op 24 december 2014 heeft [de V.O.F.] het Beneluxbeeldmerk laten registreren zoals opgenomen in productie 3 bij dagvaarding en op 18 augustus 2015 heeft zij het Beneluxwoordmerk MEYDAN laten registreren (hierna tezamen ook: de BX-merken).

Omstreeks 30 april 2019 is Meydanim opgericht. Meydanim houdt zich bezig met exploitatie van een restaurant aan het [adres]. [A] is (middellijk) bestuurder/enig aandeelhouder van Meydanim. Omstreeks 22 mei 2019 is het teken MEYDAN op de voorgevel van het pand aan het Hobbemaplein van Meydanim geplaatst tezamen met een logo dat overeenkomt met het beeldmerk van [de V.O.F.]. Daarnaast gebruikt Meydanim het teken MEYDAN en het logo op verschillende accounts op internet. Nu Meydanim dit alles doet zonder toestemming van [de V.O.F. c.s.] is primair sprake van inbreuk op de BX-merken van [de V.O.F.] en subsidiair van inbreuk op de handelsnaam van [de V.O.F.].

2.3.

Meydanim voert verweer.

3 Het geschil in het voegingsincident

3.1.

Meydanim vordert dat de hoofdzaak wordt gevoegd met de eveneens bij deze rechtbank aanhangige verzetzaak tussen [de V.O.F. c.s.] en [A] met het zaaknummer / rolnummer C/09/579551 / HA ZA 19-928 (hierna: de verzetzaak).

3.2.

Aan deze vordering legt Meydanim, met verwijzing naar de oorspronkelijke dagvaarding in de verzetzaak, het verstekvonnis en de verzetdagvaarding (producties 1 tot en met 3 bij conclusie van antwoord tevens incidentele conclusie tot voeging), ten grondslag dat de verzetzaak en de onderhavige hoofdzaak zijn verknocht, onder meer omdat [A] als voormalig vennoot van [de V.O.F.] eveneens gerechtigd is tot het gebruik van de BX-merken.

3.3.

[de V.O.F. c.s.] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het voegingsincident

4.1.

Onder verwijzing naar de toelichting in Tekst & Commentaar op art. 222 lid 2 Rv voert [de V.O.F. c.s.] aan dat dit artikellid het onmogelijk maakt dat de zaken worden gevoegd, wanneer in de oudere zaak reeds van antwoord is gediend. In de verzetzaak (de oudere zaak) betreft de verzetdagvaarding feitelijk de conclusie van antwoord in de hoofdzaak, zodat voeging niet meer mogelijk is.

4.2.

De rechtbank passeert dit procesrechtelijke verweer. Art. 222 Rv maakt een voegingsvordering (of ambtshalve voeging) mogelijk in de situatie waarin tussen dezelfde partijen kort gezegd, samenhangende zaken aanhangig zijn binnen hetzelfde gerecht. In lid 2 van art. 222 Rv worden het tweede en derde lid van art. 220 Rv op de voegingsvordering van toepassing verklaard. In het geval van voeging op basis van art. 222 Rv is voeging van de oudere met de jongere zaak mogelijk. Echter, nu uit het derde lid van art. 220 Rv (in verbinding met art. 222 lid 2 Rv) volgt dat de vordering tot voeging door de gedaagde moet worden ingesteld vóór alle weren op de voor de conclusie van antwoord bepaalde roldatum, brengt dat in dit geval (enkel) mee dat in de oudere zaak geen voeging meer kan worden gevraagd met de jongere zaak omdat daar reeds is geconcludeerd voor antwoord. Wanneer echter - zoals in het onderhavige geval - in de jongere zaak (de onderhavige hoofdzaak) voeging wordt gevraagd en dit door gedaagde in de hoofdzaak gebeurt vóór of tegelijkertijd met de conclusie van antwoord in de hoofdzaak, is dit tijdig. De stand van de procedure in de oudere zaak, maakt - met betrekking tot de vraag of het verzoek tot voeging tijdig is gedaan - geen verschil. Dat betekent dat Meydanim haar incidentele vordering tijdig en op de juiste wijze heeft ingesteld.

4.3.

[de V.O.F. c.s.] betwist voorts dat inhoudelijk aan de eisen van art. 222 Rv wordt voldaan, omdat, naar zij aanvoert, de zaken niet aanhangig zijn tussen dezelfde partijen. In de verzetzaak zijn de partijen [de V.O.F. c.s.] en [A] en in de onderhavige hoofdzaak [de V.O.F. c.s.] en Meydanim. Bovendien zijn de zaken, naar [de V.O.F. c.s.] aanvoert, niet verknocht. De verzetzaak in conventie ziet op een vordering van [de V.O.F. c.s.] tot (terug)betaling van door [A] wederrechtelijk toegeëigende winstaandelen van [de vennoot]. In reconventie in die zaak vordert [A] vereffening en verdeling van het vermogen van [de V.O.F.], aldus [de V.O.F. c.s.]. De verzetzaak is derhalve een procedure tussen de vennootschap en de (ex-)vennoten. De onderhavige hoofdzaak heeft betrekking op inbreuk door Meydanim - een derde partij - op de intellectuele eigendomsrechten van [de V.O.F.].

4.4.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Uit art. 222 lid 1 Rv volgt dat voeging mogelijk is wanneer (voor dezelfde rechter) tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp tegelijk zaken aanhangig zijn (litispendentie) of wanneer verknochte zaken aanhangig zijn (connexiteit). Van verknochtheid is sprake, wanneer de feitelijke of juridische geschilpunten in de beide zaken identiek zijn dan wel een zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken geboden is. Het verweer van Meydanim in deze zaak komt er, naar de rechtbank begrijpt, in de kern op neer dat haar indirect aandeelhouder/bestuurder [A] als voormalig vennoot van [de V.O.F.] gerechtigd is tot het gebruik van de BX-merken omdat deze rechten, al dan niet na de door hem in de verzetzaak gevorderde ontbinding en vereffening, dan wel na vereffening ten gevolge van zijn uittreden als vennoot, (mede) aan hem toebedeeld moeten worden. De uitkomst van het geschil in de verzetprocedure over de verdeling van het vermogen van [de V.O.F.], waarvan de BX-merken deel uitmaken, is derhalve relevant voor deze procedure. [A] als enig bestuurder/aandeelhouder van Meydanim kan immers na eventuele verkrijging van de BX-merken, deze aan Meydanim overdragen of in licentie geven. In die zin is sprake van verknochtheid van beide zaken. Het belang van een goede en doelmatige behandeling brengt daarom mee dat beide zaken zoveel mogelijk gelijktijdig worden behandeld en beslist door dezelfde rechter, ter voorkoming van tegenstrijdige beslissingen. De rechtbank zal daarom voeging van deze zaak met de verzetzaak bevelen.

4.5.

De rechtbank overweegt nog ambtshalve dat de stand waarin de verzetzaak zich bevindt, te weten datumbepaling voort comparitie, geen beletsel vormt om de zaken te voegen. In die zaak hebben partijen reeds verhinderdata voor de datumbepaling opgegeven voor de maanden januari tot en met april 2020. De comparitie in deze zaak zal op dezelfde datum bepaald worden.

4.6.

De rechtbank zal de beslissing over de proceskosten in het voegingsincident aanhouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak.

5 De beslissing

De rechtbank

in het voegingsincident

5.1.

beveelt de voeging van de onderhavige zaak met de verzetzaak (met zaaknummer / rolnummer C/09/579551 / HA ZA 19-928);

5.2.

houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan;

in het incident tot provisionele voorzieningen en in de hoofdzaak

5.3.

bepaalt dat een comparitie van partijen zal plaatsvinden tegelijk met de in de verzetzaak te bepalen comparitie;

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Kokke en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2019.

1 Er is geen productie 10 ingediend