Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:12257

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-11-2019
Datum publicatie
04-12-2019
Zaaknummer
7923371 RP VERZ 19-50435
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet wegens diefstal sieraden van bewoners blijft in stand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1284
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

ES

Zaaknr.: 7923371 / RP VERZ 19-50435

Uitspraakdatum: 13 november 2019

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij in de zaak van het verzoek,

verwerende partij in de zaak van het zelfstandig (tegen)verzoek,

gemachtigde: mr. T. Venneman,

tegen

de stichting STICHTING WOONZORGCENTRA HAAGLANDEN,

gevestigd te Den Haag,

verwerende partij in de zaak van het verzoek,

verzoekende partij in de zaak van het zelfstandig (tegen)verzoek,

gemachtigde: mr. Putker-Blees.

Partijen worden hierna [werkneemster] en WZH genoemd.

1 Het procesverloop

in de zaak van het verzoek en het zelfstandig (tegen)verzoek

1.1.

[werkneemster] heeft een verzoek ingediend (dat op 19 juli 2019 is binnengekomen op de griffie) om het door WZH gegeven ontslag op staande voet te vernietigen en om WZH te veroordelen om aan haar achterstallig loon, vakantiegeld en overuren uit te betalen vermeerderd met een wettelijke verhoging van 50% en wettelijke rente. De werkgever heeft een verweerschrift ingediend (dat op 8 oktober 2019 is binnengekomen op de griffie) en daarbij een zelfstandig verzoek gedaan tot (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

1.2.

Op 16 oktober 2019 heeft de mondelinge behandeling van de verzoeken plaats gevonden. Verschenen zijn: [werkneemster] in persoon, bijgestaan door haar voornoemde gemachtigde, en de heer [betrokkene 1] ( [functie] ), mevrouw [betrokkene 2] ( [functie] ), mevrouw [betrokkene 3] ( [functie] ) allen van de zijde van WZH, bijgestaan door de voornoemde gemachtigde. Daarbij zijn door WZH pleitaantekeningen en producties overgelegd. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt die zich in het procesdossier bevinden.

2 De feiten

in de zaak van het verzoek en het zelfstandig (tegen)verzoek

2.1.

WHZ is een zorgorganisatie met verschillende woonzorgcentra, thuiszorg- en woonzorgprojecten. WHZ biedt zorg en begeleiding aan bij dementie, chronische lichamelijke aandoeningen, niet-aangeboren hersenletsel en geriatrische revalidatiezorg.

Op de WZH-locatie Waterhof wordt verpleeghuiszorg, verzorgingshuiszorg, dagactiviteiten en thuiszorg voor ouderen aangeboden.

2.2.

[werkneemster] , is op 1 januari 2018 in dienst getreden bij WZH, locatie Waterhof. De laatste functie die [werkneemster] daar vervulde, was die van [functie] , voor 18 uur per week, met een maandsalaris van € 1.089,24 bruto, te vermeerderen met vakantietoeslag.

2.3.

Als woonzorgmedewerker was [werkneemster] onder meer verantwoordelijk voor het verzorgen van bewoners, zoals wassen, aan- en uitkleden, toiletbezoek en uiterlijke verzorging en het uitvoeren van huishoudelijke werkzaamheden in de woon-/leefomgeving van bewoners. Als doel van deze functie wordt aangegeven dat de woonzorgmedewerker zorgdraagt voor een plezierig woon-/leefklimaat voor bewoners.

2.4.

Vanaf januari 2018 hebben een aantal bewoners en/of hun familieleden geconstateerd dat er sieraden werden vermist. Die vermissingen hebben tot veel onrust bij bewoners en hun familie geleid en ook bij medewerkers, omdat familieleden medewerkers soms op de vermissingen hebben aangesproken en aan hun integriteit twijfelden.

2.5.

WZH heeft op 26 februari 2018 in het overleg van het team waartoe [werkneemster] behoorde, met de medewerkers gesproken over de (toen inmiddels zes) vermissingen van sieraden en een horloge. WZH heeft bewoners, hun familie en medewerkers gevraagd om de sieraden van bewoners af (te laten) doen en aan familie mee te geven of als sieraden niet konden worden afgedaan deze door middel van foto’s te inventariseren.

2.6.

Op 4 maart 2018 is door de dochter van een bewoonster bij de politie aangifte gedaan van diefstal met geweld, waarbij zij heeft verklaard dat de drie gouden ringen die haar moeder altijd droeg, in februari 2018 verdwenen waren. Die ringen kreeg haar moeder niet zelf over haar knokkels omdat haar vingers krom staan door jicht en het pijnlijk is haar vingers te strekken en ook de verzorgenden haalden de ringen niet zomaar van haar vingers.

2.7.

De teamleider heeft op 7 maart 2018 aan het team bericht welke bewoners nog sieraden droegen en erop aangedrongen dat de medewerkers het onmiddellijk zouden melden als deze sieraden zouden verdwijnen.

2.8.

Op 14 maart 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de locatiemanager en de teamvoorzitter en [werkneemster] (nadat [werkneemster] zich ziek had gemeld voor een eerdere bespreking). Van de zijde van WZH is de ernst van de situatie onderstreept en [werkneemster] is verzocht direct melding te maken van vermissingen of zaken die daarmee verband zouden kunnen houden. [werkneemster] heeft gezegd dat zij van niets wist en dat haar niets was opgevallen. Vergelijkbare gesprekken met andere teamleden hebben ook niets opgeleverd.

2.9.

Na maart 2018 zijn er geen verdwijningen van sieraden meer gemeld.

2.10.

[werkneemster] is op haar eigen verzoek in het najaar 2018 meer nachtdiensten en minder dagdiensten gaan werken.

2.11.

Op 1 november 2018 heeft de teamleider aan het team per email bericht dat (onder meer) een ring van een van de bewoners was verdwenen. Zij heeft de medewerkers gevraagd alert te zijn. Op 6 november 2018 heeft de dochter van deze bewoonster aangifte bij de politie gedaan waarbij zij heeft verklaard dat de ring heel strak zat en door haar moeder nooit werd afgedaan.

2.12.

Vanaf maart 2019 hebben (familieleden van) verschillende bewoners vermissingen van sieraden en parfum gemeld. Op 14 april 2019 heeft een dochter van een bewoonster aangifte bij de politie gedaan van diefstal van de trouwring die haar moeder altijd droeg omdat zij die niet af kon doen vanwege haar opgezette vingers.

2.13.

Op 15 april 2019 heeft WHZ in verband met de vermiste sieraden, contact opgenomen met de wijkagent. Daarbij heeft WZH aan de wijkagent, onder meer, gemeld dat haar uit intern onderzoek was gebleken dat de vermissingen van sieraden en andere zaken samenvielen met de diensten van [werkneemster] .

2.14.

Als gevolg van het overleg met de politie zijn van 8 tot en met 13 mei 2019 door de politie (met toestemming van de desbetreffende bewoners) camera’s geplaatst in de kamers van twee bewoners. Op de camerabeelden is te zien dat [werkneemster] tijdens haar nachtdienst, twee keer dezelfde kamer binnengaat – daarbij niet naar de in bed liggende bewoner kijkt – en twee maal een gouden ring oppakt die in een bakje naast het bed ligt, deze bekijkt en weer teruglegt.

2.15.

WZH heeft op 10 mei 2019 per email van de politie vernomen dat op 23 april 2019 bij een juwelier sieraden zijn aangetroffen afkomstig van diefstal van haar bewoners. De politie heeft WZH daarbij een foto gestuurd van een armband met het verzoek na te gaan of deze van een van haar bewoners is.

2.16.

Op 16 mei 2019 is [werkneemster] door de politie aangehouden terwijl zij aan het werk was bij een andere zorginstelling.

2.17.

Op 16 mei 2019 is [werkneemster] door WZH geschorst in verband met de aanhouding door de politie. WZH heeft [werkneemster] daarbij geschreven dat zij verzocht wordt contact met de locatiemanager op te nemen zodra de situatie dit toelaat.

2.18.

Op 17 mei 2019 is WHZ gebeld door een man waarvan WHZ vermoedde dat het [werkneemster] advocaat was, met de mededeling dat [werkneemster] niet op het werk kon verschijnen.

2.19.

Nadat WZH heeft vernomen dat [werkneemster] gedetineerd was, heeft zij haar, bij brief van 20 mei 2019, geschreven dat haar bekend is geworden dat [werkneemster] niet beschikbaar is voor arbeid en dat zij om die reden heeft besloten salarisbetaling te staken en dat die staking in ieder geval zal duren totdat [werkneemster] persoonlijk contact heeft opgenomen met de locatiemanager.

2.20.

De politie heeft huiszoeking bij [werkneemster] gedaan en daarbij is een aanzienlijke hoeveelheid sieraden aangetroffen. Die sieraden zijn door de politie gefotografeerd en de foto’s zijn in een boek samengevoegd.

2.21.

De Officier van Justitie heeft tijdens het onderzoek toestemming gegeven aan WZH om het boek met de foto’s van de bij [werkneemster] thuis aangetroffen sieraden, te tonen aan bewoners die sieraden missen, hun familie en aan medewerkers. WZH heeft bewoners en hun familie uitgenodigd voor een gesprek, waarbij zij het boek konden doornemen. In geval van herkenning door een bewoner of familieleden, is een afspraak met de politie gemaakt waar zij ter plaatse het desbetreffende sieraad konden bekijken.

2.22.

Op 31 mei 2019 is [werkneemster] door de WZH op staande voet ontslagen. De ontslagbrief luidt als volgt:

“Donderdag 16 mei jongstleden zijn wij geïnformeerd dat u bent aangehouden door de politie. U verscheen die avond niet op uw ingeroosterde avonddienst. Sinds 20 mei 2019 hebben wij uw salarisdoorbetaling gestaakt.

Ten tijde van uw dienstverband is op basis van signalen het vermoeden gerezen dat u diefstal zou hebben gepleegd bij onze bewoners op onze WZH locatie Waterhof. Wij zijn inmiddels geïnformeerd dat uit politieonderzoek is gebleken dat het strafbare feit van diefstal, waarvan u wordt verdacht te herleiden is tot uw werkzaamheden bij WZH. Deze ontstane ernstige werksituatie is van dien aard dat wij reeds op basis van het vermoeden hiervan genoodzaakt zijn om arbeidsrechtelijke maatregelen tegen u te treffen. Temeer nu tevens een match is vastgesteld tussen de vermoedelijk door u gestolen goederen van onze cliënten en de vondst van goederen in uw woning door de politie.

Conclusies
Wij stellen vast dat:
• U bent aangehouden door de politie en verkeert in detentie;
• U wordt verdacht van diefstal bij onze bewoners op WZH locatie Waterhof;
• Wij eerder signalen ontvingen over het vermoeden van diefstal door u gepleegd,

Ontslag op staande voet
Wij hebben ons beraden over de geconcludeerde feiten. De uitkomst van ons beraad is dat wij u met onmiddellijke ingang per 31 mei 2019 op staande voet ontslaan wegens dringende reden.

De dringende reden houdt - op hoofdlijnen zonder naar volledigheid te streven - in dat u gedurende uw dienstverband bij WZH diefstal heeft gepleegd bij onze bewoners. Hiermee heeft u flagrant in strijd met de verplichtingen op grond van uw arbeidsovereenkomst en goed werknemerschap gehandeld. De hierboven genoemde grond vormt een dringende reden.

Wij hebben bij ons besluit betrokken
i) de aard en de ernst van hetgeen is gebeurd;
ii) de aard en de duur van de arbeidsovereenkomst;
iii) de wijze waarop u heeft gefunctioneerd; en
iv) uw persoonlijke omstandigheden.

Nu de arbeidsovereenkomst met ingang van 31 mei 2018 is beëindigd zal de loonbetaling met ingang van deze datum worden gestaakt. Dit betekent tevens dat u geen toegang meer heeft tot enige locaties van WZH en dat u geen contact mag opnemen met medewerkers en/ of vrijwilligers van WZH, bewoners en/of cliënten en/of familie daarvan.

U heeft nog een TAG en een naambordje in uw bezit. Wij verzoeken u deze bedrijfseigendommen te retourneren door middel van bijgevoegde retourenveloppe. Wij gaan er van uit dat u thans geen verdere bedrijfseigendommen cq. cliënten eigendommen in uw bezit te heeft. Indien u echter nog andere bedrijfseigendommen in bezit heeft dan verzoeken wij u hierbij ook deze in te leveren.

In beginsel hebt u nog recht op een eindafrekening. Een en ander zal evenwel gecompenseerd worden met de claim die wij op u hebben op grond van de gefixeerde schadevergoeding en overige geleden schade. De gefixeerde schadevergoeding is gelijk aan het loon dat over de opzegtermijn in acht genomen had moeten worden indien het dienstverband middels opzegging zonder dringende redenen was geëindigd. Een en ander resulteert in een negatieve eindafrekening. Deze negatieve eindafrekening zal op u worden verhaald.”

2.23.

Bij brief van 7 juni 2019 heeft WZH aan [werkneemster] bericht dat daar waar in de ontslagbrief staat dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd met ingang van 31 mei 2018, uiteraard de datum van 31 mei 2019 is bedoeld.

2.24.

Het politieonderzoek naar [werkneemster] loopt nog. Zij wordt verdacht van diefstal van sieraden van bewoners van WHZ. De voorlopige hechtenis waarin [werkneemster] tot in ieder geval 18 juni 2019 heeft gezeten, is inmiddels geschorst onder (onder andere) de voorwaarde dat zij niet betaald of onbetaald in de zorgsector werkzaam mag zijn.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[werkneemster] verzoekt de kantonrechter het ontslag op staande voet te vernietigen, althans te bepalen dat het ontslag op staande voet is vernietigd en dat [werkneemster] nog steeds in dienst is bij WZH en WZH te veroordelen tot betaling van achterstallig loon, vakantiegeld en overuren, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 50% en wettelijke rente, met veroordeling van WZH in de proceskosten. Aan dit verzoek legt [werkneemster] ten grondslag – kort weergegeven – dat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet en dat dit ontslag niet onverwijld is gegeven.

3.2.

WZH verweert zich tegen het verzoek en verzoekt om afwijzing en tot niet-ontvankelijkverklaring van [werkneemster] . Zij voert aan – samengevat – dat [werkneemster] op 31 mei 2019 op staande voet is ontslagen omdat zij op meerdere manieren flagrant in strijd heeft gehandeld met de verplichtingen uit haar arbeidsovereenkomst en de verplichtingen op grond van goed werknemerschap door diefstal in dienstverband bij bewoners van WZH.

3.3.

Op de relevante stellingen en verweren van partijen zal hierna worden ingegaan.

4 Het zelfstandig (tegen)verzoek en het verweer

4.1.

Met het (on)voorwaardelijke tegenverzoek verzoekt WZH de kantonrechter:
I. indien gelijktijdig wordt geoordeeld dat de opzegging per 31 mei 2019 geen stand houdt en wordt vernietigd, de arbeidsovereenkomst onvoorwaardelijk te ontbinden: primair op grond van artikel 7:671b, lid 1 BW juncto artikel 7:669, leden 1 en 3 onder e BW, subsidiair op grond van artikel 7:671b, lid 1 BW juncto artikel 7:669, leden 1 en 3 onder g BW;

II. de arbeidsovereenkomst reeds nu, voor het geval de opzegging per 31 mei 2019 op een later moment wordt vernietigd, voorwaardelijk te ontbinden op grond van artikel 7:671b, lid 1 BW juncto artikel 7:669, leden 1 en 3 onder e dan wel onder g BW;

III. bij het bepalen van de einddatum: primair, geen rekening te houden met de opzegtermijn van [werkneemster] en de arbeidsovereenkomst dadelijk te ontbinden, nu de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten, subsidiair, rekening te houden met de duur gelegen tussen ontvangst van het verzoek en de datum van de ontbindingsbeschikking;

IV. te bepalen dat [werkneemster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en/of heeft nagelaten en dientengevolge geen recht heeft op enige vergoeding ten laste van WZH;

V. met veroordeling van [werkneemster] in de proceskosten het (na)salaris van de gemachtigde daaronder begrepen.

4.2.

[werkneemster] verweert zich niet afzonderlijk tegen het (tegen)verzoek van WHZ maar uit haar proceshouding en hetgeen zij heeft aangevoerd ten aanzien van haar verzoek, volgt dat zij zich op dezelfde gronden als aangevoerd bij haar verzoek tegen het (tegen)verzoek van WZH verweert en verzoekt om afwijzing daarvan.

4.3.

Op de relevante stellingen en verweren van partijen zal hierna worden ingegaan.

5 De beoordeling

in de zaak van het verzoek

5.1.

Het verzoek is tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

5.2.

Het gaat in deze procedure primair om de vraag of het ontslag op staande voet terecht is gegeven. Volgens de ontslagbrief heeft WZH [werkneemster] op staande voet ontslagen omdat voor haar is komen vast te staan dat [werkneemster] gedurende haar dienstverband bij WZH, diefstal heeft gepleegd. [werkneemster] betwist dit. Daarmee is de kernvraag of afdoende is komen vast te staan dat [werkneemster] sieraden heeft gestolen van bewoners van WZH en dat dit een ontslag op staande voet rechtvaardigt.

5.3.

WZH heeft het volgende aangevoerd. Familieleden van verschillende bewoners hebben aangifte van diefstal gedaan. Volgens de roosters was [werkneemster] steeds aanwezig op momenten dat er sieraden en andere zaken van bewoners verdwenen. [werkneemster] is door de politie aangehouden op verdenking van diefstal van sieraden en tijdens een huiszoeking zijn grote hoeveelheden sieraden en horloges bij haar thuis aangetroffen. Het gaat om veelal kostbare sieraden en horloges, van heel verschillende stijlen. Een aantal van die sieraden zijn door familieleden van bewoners (eerst bij WZH en vervolgens) bij de politie herkend als van de desbetreffende bewoners. Bij een juwelier is een armband aangetroffen die door [werkneemster] is aangeboden; deze armband is door een familielid van een bewoner herkend als van deze bewoner afkomstig. De recherche heeft WZH bevestigd dat de familieleden de desbetreffende sieraden hebben herkend. Naast interne mails met betrekking tot herkenning van bij [werkneemster] aangetroffen sieraden heeft WZH ook overleg een mailbericht van 5 augustus 2019 afkomstig van de Politie Eenheid Den Haag met de volgende inhoud:

“Op dit moment is het onderzoek in een afrondende fase tegen de verdachte [werkneemster] . De Officier van Justitie heeft tijdens het onderzoek toestemming gegeven om de sieraden die bij de verdachte [werkneemster] werden aangetroffen te tonen aan de slachtoffers van diefstal sieraden om zo mogelijk de rechtmatige eigenaar te achterhalen. Zoals u al schreef in uw mail is er inderdaad tijdens het onderzoek sprake van een positieve match. De bevestiging van de rechercheur die u toen heeft gesproken klopt en zijn meerdere sieraden uit het fotoboek door de familieleden herkend.”

5.4.

[werkneemster] betwist dat er in haar woning zaken zijn aangetroffen die zijn gestolen. Zij betwist dat zij zaken heeft gestolen en betwist ook dat er een match is tussen de in haar woning aangetroffen sieraden en die van bewoners van WZH. Het enkele vermoeden dat zij een diefstal heeft gepleegd is onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van een dringende reden, aldus [werkneemster] .

5.5.

Met het standpunt dat het enkele vermoeden dat zij een diefstal heeft gepleegd onvoldoende is om te kunnen concluderen dat sprake is van een dringende reden, gaat [werkneemster] er echter aan voorbij dat WZH niet het vermoeden van diefstal, maar diefstal, ten grondslag heeft gelegd aan het ontslag. Voorts laat [werkneemster] na haar betwisting van de diefstal op enigerlei wijze te onderbouwen, terwijl dat, gezien de door WZH gegeven onderbouwing, wel op haar weg lag. Tegenover de door de politie bevestigde herkenning van bij haar thuis aangetroffen sieraden door verschillende (familieleden van) bewoners, is een enkele ontkenning hier niet meer voldoende. [werkneemster] mededeling ter gelegenheid van de mondelinge behandeling dat zij op verschillende markten, bij V&D en juweliers sieraden heeft gekocht en dat zij daarvan bonnen heeft maar die niet in het geding heeft gebracht omdat zij pas laat op de hoogte was van de mondelinge behandeling, overtuigt in dit verband niet. Van [werkneemster] mag verwacht worden dat zij deze bonnen in een veel eerder stadium in het geding zou hebben gebracht. Zij is immers de verzoekende partij en wist dat de herkomst van de bij haar aangetroffen sieraden van belang was voor haar verzoek. De datum van de mondelinge behandeling kan voor [werkneemster] geen verassing zijn geweest omdat deze op haar verzoek van 14 augustus 2019 is verplaatst naar 16 oktober 2019. Bovendien is geen sprake van een (voldoende) gespecificeerd bewijsaanbod omdat door [werkneemster] niet is aangegeven van welke sieraden zij bonnen kan overleggen, laat staan dat het daarbij gaat om de sieraden die door bewoners en/of familieleden zijn herkend.

5.6.

Met het voorgaande is afdoende komen vast te staan dat [werkneemster] sieraden heeft gestolen van bewoners van WZH. Met WZH is de kantonrechter van oordeel dat diefstal van sieraden van veelal kwetsbare bewoners in een thuissituatie als de Waterhof een dringende reden voor ontslag oplevert. Dat diefstal een dringende reden oplevert, is ook door [werkneemster] niet weersproken. Zij heeft evenmin (persoonlijke) omstandigheden naar voren gebracht die tot een andere conclusie zouden hebben kunnen leiden.

5.7.

[werkneemster] stelt zich voorts op het standpunt dat het ontslag op staande voet moet worden vernietigd omdat dit niet onverwijld is gegeven. Op 16 mei 2019 was er al een vermoeden van diefstal bij WHZ en om de reden is zij toen door WHZ geschorst en door de politie aangehouden. Op 31 mei 2019 was die situatie niet anders. [werkneemster] werd toen, en wordt nog steeds, verdacht van diefstal. WHZ had om die reden op 16 mei 2019 kunnen en moeten handelen en toen tot ontslag moeten overgaan, aldus [werkneemster] .

5.8.

Volgens vaste jurisprudentie ten aanzien van de onverwijldheidseis van artikel 7:677, lid 1 BW, moet de partij die een opzegging wegens een dringende reden overweegt, in beginsel enige ruimte worden gelaten voor het instellen van een onderzoek, het voeren van intern overleg en het inwinnen van (juridisch) advies, mits daarbij steeds met de nodige voortvarendheid wordt gehandeld. Hoe groot deze speelruimte is, zal daarbij steeds afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval.

5.9.

Tegen deze achtergrond is de kantonrechter van oordeel dat de opzegging tijdig is gedaan. De kantonrechter stelt daarbij voorop dat voldoende aannemelijk is geworden dat er op 16 mei 2019, het moment dat [werkneemster] werd geschorst, met de aanhouding door de politie, er een voldoende ernstig vermoeden was dat [werkneemster] betrokken was bij de diefstallen van sieraden van bewoners. WZH wijst erop dat voor haar de aanhouding niet de reden is geweest voor het ontslag, maar de later van de politie ontvangen bevestiging dat er een positieve match bestond tussen de van de bewoners gestolen sieraden en de sieraden aangetroffen bij [werkneemster] . Die bevestiging ontving zij pas op 29 mei 2019 en na een korte tijd, waarin intern beraad heeft plaatsgevonden, heeft zijn [werkneemster] op 31 mei 2019 ontslagen. De kantonrechter constateert dat deze lezing correspondeert met de inhoud van de ontslagbrief (zie 2.22 hiervoor) waarin is beschreven dat de reden van het ontslag is gelegen in de omstandigheid dat “uit politieonderzoek is gebleken dat het strafbare feit van diefstal, waarvan u wordt verdacht te herleiden is tot uw werkzaamheden bij WZH” en “een match [die] is vastgesteld tussen de vermoedelijk door u gestolen goederen van onze cliënten”.

5.10.

Uit hetgeen naar voren is gekomen blijkt dat WZH heeft afgewacht wat de aanhouding van [werkneemster] en daaropvolgende huiszoeking door de politie aan verdere concrete informatie over de diefstallen opleverde, voordat zij daaraan consequenties verbond voor het dienstverband van [werkneemster] . WZH heeft actief haar medewerking verleend aan het rechercheonderzoek, onder meer door gesprekken te voeren met bewoners en hun familie waarbij zij het door de politie aan haar ter beschikking gestelde fotoboek met de bij [werkneemster] thuis aangetroffen sieraden toonde om te kunnen vaststellen of zij sieraden herkenden. Bewoners en/of hun familieleden zijn vervolgens doorgestuurd naar de politie. Uit interne mailwisseling bij WHZ blijkt dat op 24 mei 2019 de familieleden van één bewoonster sieraden heeft herkend en dat familieleden van een andere bewoonster een sieraad uit het fotoboek mogelijk herkenden. Met anderen moest toen nog worden gesproken. Op 29 mei 2019 heeft WZH van de recherche bevestiging ontvangen dat een familielid van een bewoonster een door [werkneemster] bij een juwelier voor geld ingeleverde armband als afkomstig van zijn moeder hebben herkend. Vervolgens heeft een positieve match bij de recherche plaatsgevonden. Eveneens op 29 mei 2019 heeft de recherche bevestigd aan WHZ dat bij de recherche meerdere sieraden die zijn aangetroffen in het huis van [werkneemster] door familieleden zijn herkend als afkomstig van bewoners. Vervolgens is [werkneemster] na intern beraad op 31 mei 2019 ontslagen. De enkele betwisting van [werkneemster] , tegenover de uitgebreid onderbouwde beschrijving van WHZ van deze gang van zaken, legt daarbij onvoldoende gewicht in de schaal.

5.11.

Met het voorgaande heeft WZH, naar het oordeel van de kantonrechter, op goede gronden de zorgvuldigheid voorrang gegeven en is niettemin met de nodige voortvarendheid gehandeld. Daarmee staat vast dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven.

5.12.

Uit artikel 7:681, lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan vernietigen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Nu hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, zal het verzoek van de [werkneemster] om vernietiging van dat ontslag worden afgewezen. Er is immers geen sprake van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW, zodat er ook geen grond is om toepassing te geven aan artikel 7:681, lid 1 BW.

5.13.

Ten aanzien van [werkneemster] verzoek tot betaling van achterstallig loon, vakantiegeld en overuren, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 50% en wettelijke rente overweegt de kantonrechter als volgt. Omdat het ontslag per 31 mei 2019 in stand blijft, kan dit verzoek van [werkneemster] slechts betrekking hebben op tot die datum verschuldigde bedragen. Niet ter discussie staat dat [werkneemster] omdat zij (in ieder geval) tussen 16 mei en 31 mei 2019 niet beschikbaar was voor de overeengekomen arbeid omdat zij gedetineerd was, geen recht op loon had in die periode. Ten aanzien van de betaling van het loon over de dagen 16 mei tot en met 20 mei 2019 is volgens WZH sprake van onverschuldigde betaling. Volgens de toelichting van WZH bedraagt het door [werkneemster] opgebouwde vakantiegeld € 1.482,68 bruto en kan zij daarnaast aanspraak maken op een (pro rata) eindejaarsuitkering van € 752,92 bruto. Tezamen met haar loonaanspraak, komt het totaalbedrag uit op € 2.608,44, zo is door WZH toegelicht. WZH maakt aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding van twee bruto maandsalarissen en zij heeft dit bedrag van € 2.397,40 verrekend met wat volgens haar nog aan [werkneemster] toekomt, wat ertoe leidt dat [werkneemster] nog aanspraak op € 211,04 bruto kan maken. Dit bedrag zou volgens WZH moeten wegvallen tegen het onverschuldigd betaalde loon over de periode 16 mei tot en met 20 mei 2019.

5.14.

Nu uit het voorgaande volgt dat [werkneemster] schuld heeft aan het ontslag op staande voet, komt WZH op grond van artikel 7:677 BW, lid 2 juncto artikel 7:677, lid 3 BW beroep toe op een gefixeerde schadevergoeding. De door WZH toegelichte berekening van verrekening van de gefixeerde schadevergoeding en hetgeen onverschuldigd is betaald, met hetgeen nog aan [werkneemster] toekomt ter zake van achterstallig loon en vakantiegeld, is door [werkneemster] niet, althans onvoldoende, betwist, zodat de kantonrechter daarvan uitgaat en het verzoek van [werkneemster] afwijst.

5.15.

[werkneemster] verzoekt om overuren uit te keren en zij begroot die op 70 uren tegen een bruto uurloon, inclusief vakantietoeslag, van € 15,08. Dit verzoek is door [werkneemster] op geen enkele wijze onderbouwd. Zij heeft geen salarisspecificaties overgelegd en door haar is evenmin onderbouwd wat aan de salarisbetalingen niet zou kloppen. Gesteld noch gebleken is dat [werkneemster] in het verleden bij de uitbetaling van haar salaris zou hebben geprotesteerd tegen de hoogte of de specificatie daarvan. WZH betwist dat [werkneemster] overuren heeft gemaakt. Aangezien door [werkneemster] geen enkele onderbouwing is gegeven van de gestelde overuren, komt de kantonrechter niet toe aan een bewijsopdracht (nog daargelaten dat [werkneemster] geen voldoende gespecificeerd bewijs heeft aangeboden) en wijst zij dit verzoek af.

5.16.

De proceskosten komen voor rekening van de [werkneemster] , omdat zij ongelijk krijgt.

in de zaak van het zelfstandig (tegen)verzoek

5.17.

Uit de behandeling van het verzoek, blijkt dat de opzegging per 31 mei 2019 stand houdt en dus niet wordt vernietigd. Daarmee is de voorwaarde waaronder WZH het voorwaardelijk tegenverzoek tot onvoorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft ingesteld, niet vervuld en behoeft dit verzoek geen behandeling. Met de eindbeslissing ten aanzien van het ontslag op staande voet in deze instantie, is geen plaats meer voor een voorwaardelijke ontbinding voor het geval de opzegging per 31 mei 2019 op een later moment wordt vernietigd. Hetzelfde geldt voor de verzoeken ten aanzien van het bepalen van een einddatum van de arbeidsovereenkomst; deze is immers met de eindbeslissing gegeven. Dat betekent dat WZH in deze (on)voorwaardelijke (tegen)verzoeken niet kan worden ontvangen.

5.18.

Ten aanzien van het verzoek te bepalen dat [werkneemster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en/of heeft nagelaten en dientengevolge geen recht heeft op enige vergoeding ten laste van WZH, valt niet in te zien welk belang WZH daarbij nog heeft nadat naar aanleiding van [werkneemster] verzoek en het daarop door WZH gevoerde verweer deze – onder verrekening van een aan WZH toekomende gefixeerde schadevergoeding en hetgeen door haar onverschuldigd betaald is – is afgewezen. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.

5.19.

In het voorgaande ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in de zin dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek

a. wijst [werkneemster] verzoeken af;

b. veroordeelt [werkneemster] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de WZH tot en met vandaag vaststelt op € 480,00 voor het (na)salaris van haar gemachtigde;

c. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in de zaak van het (on)voorwaardelijk zelfstandig (tegen)verzoek

d. verklaart WZH niet-ontvankelijk in haar (on)voorwaardelijke verzoeken tot (on)voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst en bepaling van een einddatum van de arbeidsovereenkomst;

e. wijst de overige verzoeken van WZH af;

f. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

g. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. E.A.W. Schippers, kantonrechter en op 13 november 2019 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

de griffier de kantonrechter