Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:12233

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-10-2019
Datum publicatie
29-11-2019
Zaaknummer
563674
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

C/09/563674 / HA ZA 18-1187.

Arbeidsgeschil tussen ex-militair en Defensie. Geen tekortkoming in nakoming. Belsuit minister van Defensie om geschil ter definitieve beeindiging voor te leggen aan deskundige deugdelijk uitgevoerd. Defensie mocht deskundigenadvies integraal overnemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG


Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/563674 / HA ZA 18-1187

Vonnis van 23 oktober 2019

in de zaak van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. T. de Boer te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (het ministerie van Defensie),
zetelende te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Eiser wordt hierna [eiser] genoemd en gedaagde de Staat of Defensie.

1
1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 5 november 2018, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 27 februari 2019, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de akte overlegging producties aan de zijde van [eiser] ;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 11 juni 2019.

1.2.

Het proces-verbaal is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om eventuele feitelijke onjuistheden binnen twee weken schriftelijk kenbaar te maken aan de rechtbank. [eiser] en de Staat hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt respectievelijk bij brief van 8 juli 2019 van mr. De Boer en bij brief van
10 juli 2019 van mr. Bitter. Mr. De Boer heeft op laatstgenoemde brief gereageerd bij brief van 11 juli 2019. Voornoemde brieven zijn aan het proces-verbaal gehecht en maken onderdeel uit van het procesdossier. In dit vonnis wordt voor zover nodig op de door partijen gemaakte opmerkingen ingegaan. De rechtbank ziet – met de Staat – in de namens [eiser] bij het proces-verbaal gemaakte opmerkingen geen aanleiding om van voornoemde en ook reeds in de laatste alinea van het betreffende proces-verbaal aangehaalde lijn af te wijken en het proces-verbaal aan te vullen dan wel te verbeteren, zoals door [eiser] verzocht. Anders dan [eiser] hierbij lijkt voor te staan, wordt met een proces-verbaal niet beoogd een woordelijke verslag te geven van alles wat ter zitting besproken is, maar een weergave van het verhandelde ter zitting (artikel 88 lid 3 Rv).

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2
2. De feiten

2.1.

[eiser] is op [dag] 1989 aangesteld als beroepsofficier in tijdelijke dienst bij Defensie voor een periode van in beginsel vier jaar. De aanstelling is uiteindelijk verlengd tot en met 31 mei 1996.

2.2.

Tussen [eiser] en Defensie is sprake van een langslepend conflict dat zijn oorsprong vindt in 1992 (hierna: het conflict). Het conflict gaat – kort gezegd – over:

1. de rechtmatigheid van de tijdelijke ontzegging van de leiding over de bewakingsgroep en de uitzending van [eiser] als militair waarnemer van de Verenigde Naties naar voormalig Joegoslavië in de periode 1992-1993 (hierna: de tijdelijke ontzegging en de uitzending);
2. de externe arbeidsbemiddeling na uitdiening van zijn (verlengde) aanstelling voor bepaalde tijd in de periode 1996-2006 (hierna: de externe arbeidsbemiddeling);
3. de sollicitatie tot (herintredend) officier bij Defensie in 2001 (hierna: de sollicitatie).

de tijdelijke ontzegging
2.3. Op 30 september 1991 heeft [eiser] als – kort gezegd – veiligheidsofficier de leiding gekregen over de bewakingsgroep van een kazernecomplex. [eiser] heeft in die functie melding gemaakt van diverse misstanden waarvoor hij een plan van aanpak heeft opgesteld. Er ontstonden bezwaren tegen zijn manier van leidinggeven, als gevolg waarvan een aantal incidenten heeft plaatsgevonden. Op 6 november 1992 is [eiser] tijdelijk de leiding over de bewakingsgroep ontzegd om de rust in de bewakingsgroep te bewaren en verdere escalaties te voorkomen. De andere bij zijn functie behorende werkzaamheden kon en is [eiser] gewoon blijven uitoefenen. Tegen het tijdelijke ontzeggingsbesluit heeft [eiser] destijds geen rechtsmiddelen aangewend. Op 10 november 1992 is een onderzoeksteam benoemd, dat onderzoek heeft gedaan naar de wijze van leidinggeven van [eiser] . Uit dit onderzoek, waarvan de uitkomsten zijn neergelegd in een rapport van 26 november 1992, is gebleken dat de wijze van leidinggeven van [eiser] inhoudelijk juist was, zij het dat er wel kanttekeningen werden geplaatst bij de aanpak van [eiser] . Tevens is in het rapport opgenomen dat de leiding van [eiser] werd geaccepteerd en dat er geen fundamenteel wantrouwen heerste. Op basis hiervan zijn afspraken gemaakt met [eiser] , waarna [eiser] weer met de leiding over de bewakingsgroep is belast.

rehabilitatie
2.4. Op 30 november 1992 en diverse keren nadien is door dan wel namens [eiser] om rehabilitatie en schadeloosstelling verzocht. Bij Bekendmaking Bewakingsgroep KL, nr. [nummer] , d.d. 1 december 1992 heeft de kazernecommandant [de kazernecommandant] (hierna: [de kazernecommandant] ) de bewakingsgroep schriftelijk op de hoogte gesteld van de uitkomsten van voornoemd onderzoek. [de kazernecommandant] heeft hierbij aangegeven dat uit het onderzoek is gebleken dat de klachten en de kritieken omtrent de wijze van leidinggeven van [eiser] ongegrond zijn en dat [eiser] per 30 november 1992 weer volledig belast is met de leiding over de bewakingsgroep. Op 26 april 1993 is [eiser] mondeling gerehabiliteerd ten overstaan van alle betrokkenen. Op 21 juli 1993 is op verzoek van [eiser] de mondelinge rehabilitatie vastgelegd in een rehabilitatiebrief, die bij brief van 20 september 1993 nog enigszins is aangepast (hierna: de rehabilitatiebrief). In de rehabilitatiebrief is, voor zover relevant, opgenomen:

‘Onderwerp: Rehabilitatie

1. De reden waarom U op 17 november 1992 door de Kazerne-commandant bent ontheven uit uw funktie onjuist is gebleken. Dit ontheffen had ten doel de op dat moment ontstane onrust in de bewakingsgroep in te dammen.

2. Uit het daarop volgend onderzoek is gebleken dat uw wijze van optreden een ondergeschikte rol heeft gespeeld op de gang van de zaken in de bewakingsgroep.

3. De daaruit voortvloeiende geruchtenstroom onvoldoende is bestreden met alle negatieve gevolgen vandien.

4. Het resultaat van het door mij gehouden onderzoek heeft geleid tot een bijeenkomst waarin ik het betrokken personeel van het Kazernecommando ondermeer het volgende heb medegedeeld:

- geen bezwaren te hebben tegen de hervatting van uw werkzaamheden als Veiligheidsofficier van het Kazernecommando m.d.v. dat dit geschiedt in een duidelijk afgebakende verantwoordelijkheid als stafofficier;
- dat u deze functie blijft vervullen na uw terugkeer als VN-waarnemer uit het voormalig Joegoslavië in februari ’94;

- de aanbevelingen in het onderzoeksrapport door mij zijn overgenomen en door alle betrokkenen dienen te worden nageleefd.
5. Derhalve acht ik de conclusie gerechtvaardigd u volledig te hebben gerehabiliteerd en ga ik er van uit, uw instemming daarover gehoord hebbende, dat deze aangelegenheid als afgedaan kan worden beschouwd.’
de uitzending
Op 25 maart 1993 is [eiser] geïnformeerd over het feit dat hij was aangewezen voor uitzending naar voormalig Joegoslavië op 26 april 2003 als onderdeel van een VN-missie. Op 30 maart 1993 heeft [eiser] contact gezocht met de heer [A] van bureau rechtspositie van Defensie. [A] was niet op de hoogte van het conflict. In verband met de ingezette afdoening van de klachten en de rehabilitatie is de uitzending door [A] uitgesteld naar 27 juli 1993. [eiser] verbleef in voormalig Joegoslavië tot 1 februari 1994. Na zijn terugkeer heeft [eiser] zijn werkzaamheden als veiligheidsofficier van de bewakingsgroep hervat.

2.6.

Bij brief van 12 december 1994 heeft [eiser] aan Kolonel [B] (hierna: [B] ), de Directeur Personeel Koninklijke Landmacht (DPKL), zijn bezwaren tegen de gang van zaken vanaf eind 1992 uiteengezet en gevraagd om antwoord te geven op een aantal bij hem levende vragen aangaande het tijdelijke ontzeggingsbesluit en de uitzending. [eiser] vermoedde dat zijn uitzending naar voormalige Joegoslavië verband hield met de gebeurtenissen daaraan voorafgaand. [eiser] heeft verzocht om openheid van zaken, een meer uitgebreide rehabilitatie alsmede om een vergoeding van de (im)materiële schade die hij had geleden door (vermeende) aantasting van zijn eer en goede naam.

2.7.

Bij brief van 15 februari 1995 heeft de DPKL/ [B] de vragen van [eiser] beantwoord en aan [eiser] medegedeeld geen termen aanwezig te achten om over te gaan tot een vorm van tegemoetkoming in de door [eiser] ervaren schade. Wel is toegezegd te zullen zorgdragen voor een uitgebreid getuigschrift omtrent het functioneren van [eiser] alsook om de [eiser] in aanmerking te brengen voor een actieve vorm van externe arbeidsbemiddeling. Deze brief vermeldt, voor zover relevant, het volgende:

‘a. Uit onderzoek is mij gebleken dat uw uitzending naar Joegoslavië op een reguliere wijze heeft plaatsgevonden. Het ressort - in casu NTC - heeft een inventarisatie gemaakt van de beschikbare kapiteins, in casu 5. Op objectieve gronden, nl. op basis van een inschatting van de ‘misbaarheid’ in algemene zin, en zonder dat de huiswaartszending noch het zoeken in uw bureaulade daarin enige rol heeft gespeeld bent u door het ressort bij de DPKL voorgedragen voor uitzending. Dat besluit is vervolgens genomen. De Directie Personeel was op dat moment niet op de hoogte van bestaande problematiek; die kon in de besluitvorming derhalve geen rol spelen.’
(…)
c. U bent in formele zin nimmer uit uw functie ontheven; daarvoor zou de DPKL – die in deze als enige bevoegd is – een besluit hebben moeten nemen, hetgeen niet is geschied. Wat is geschied is dat aan u is opgedragen gedurende een bepaalde periode feitelijk geen werkzaamheden te verrichten.

d. Dat de in vorige punt bedoelde opdracht in retroperspectief onjuist is geweest is gebleken tijdens het onderzoek (…) en tot uitdrukking gebracht in de rehabilitatiebrief. Er is geen ambtsberichtprocedure gevolgd.

[eiser] Ten aanzien van uw verzoek om tegemoet te komen in de door u ondervonden schade merk ik het volgende op.
Voor zover mij is kunnen blijken heeft u geen materiële schade geleden; voorzover mij bekend heeft geen korting op uw wedde plaatsgevonden of is er enig ander financieel nadeel. Waar het gaat om immateriële schade – bijv. een mogelijke aantasting van uw goede naam – acht ik primair van belang vast te stellen dat u tegenover de PMC heeft verklaard dat met de formele rehabilitatie de zaak voor u was afgedaan.

In deze is voorts van belang dat de opdracht tot het niet verrichten van werkzaamheden, gegeven door de kazernecommandant, op een relatief eenvoudige en snelle wijze – namelijk door het indienen van een bezwaarschrift (…), gecombineerd met een verzoek tot een voorziening bij voorraad – had kunnen worden aangevochten. (…) Blijkens de stukken heeft u die optie overwogen doch (…) niet uitgevoerd. (…) In dit verband zij volledigheidshalve opgemerkt dat de zgn. negatieve gevolgen (…) zich allen hebben voorgedaan voor het moment van formele rehabilitatie.

Hoewel ik de gang van zaken uitdrukkelijk betreur acht ik, gelet op het hiervoor gememoreerde, geen termen aanwezig om over te gaan tot een vorm van tegemoetkoming in de door u ervaren schade.

U heeft in het gesprek gewag gemaakt van een mogelijke negatieve invloed van hetgeen is voorgevallen op uw kansen om in de burgermaatschappij een werkkring te vinden. Ik zal mij gaarne inspannen om zulks te voorkomen. In dat verband zal ik, indien u daar prijs op stelt en onder raadpleging van uw functionele chef(s), zorgdragen voor een uitgebreid getuigschrift omtrent uw functioneren. Voorts ben ik bereid om u in aanmerking te brengen voor een actieve vorm van externe bemiddeling, uit te voeren door de sectie herplaatsing van de Directie Personeel.’
(Hierna: het besluit van [B] )

2.8.

Tegen het besluit van [B] heeft [eiser] op 29 maart 1995 bezwaar ingesteld. Dit bezwaar is bij besluit van 3 november 1995 ongegrond verklaard. Dit besluit vermeldt ten aanzien van de tijdelijke ontzegging en de uitzending, voor zover relevant, het volgende:

de tijdelijke ontzegging
‘Appellant is niet ontheven van zijn functie noch is hij geschorst. Deze maatregelen werden te zwaar bevonden nu appellant zijn overige werkzaamheden zou kunnen blijven uitvoeren doch de ontstane situatie een acuut ingrijpen terzake van het leiddinggeven aan de bewakingsgroep noodzakelijk maakte.’
de uitzending
‘Door bureau vredesmachten is begin 1993 aangegeven welk resort aan de beurt was om een militair ten behoeven van uitzending aan te wijzen. In casu werd het Nationaal Territoriaal Commando (NTC) aangewezen om een kapitein aan te wijzen voor een algemene functie in het voormalig Joegoslavië. Door de sectie adjudant-generaal (AG) van het NTC is vervolgens bekeken welke van de 9 PMC’s aan de beurt was. In het onderhavige geval bleek dit PMC-ZH te zijn.’
2.9. Tegen het besluit van 3 november 1995 heeft [eiser] beroep ingesteld bij de bestuursrechter van deze rechtbank (hierna: de beroepsprocedure). Na een comparitie is besloten om de beroepsprocedure vier maanden aan te houden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen afspraken te maken over een getuigschrift en over externe arbeidsbemiddeling.

2.10.

Hangende de beroepsprocedure, bij besluit van 28 mei 1996, is [eiser] eervol ontslag verleend met ingang vanaf 1 juni 1996 vanwege het aflopen van de duur van zijn aanstelling voor bepaalde tijd. [eiser] heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend. Na 1 juni 1996 heeft [eiser] naar diverse functies gesolliciteerd maar geen nieuwe werkkring gevonden.
2.11. Bij brief van 22 augustus 1997 heeft [eiser] het toegezegde getuigschrift ontvangen. Tevens is daarbij opnieuw externe arbeidsbemiddeling aangeboden.

2.12.

[eiser] heeft uiteindelijk de rechtbank verzocht om vonnis te wijzen in de beroepsprocedure. Bij uitspraak van 3 september 1997 heeft de bestuursrechter van deze rechtbank het beroep van [eiser] ongegrond verklaard (hierna: de uitspraak van de bestuursrechter). De bestuursrechter heeft als volgt overwogen:

‘Tussen partijen is in geschil of verweerder gehouden is aan eiser een schadevergoeding toe te kennen, welke schadevergoeding kan bestaan in geld en/of een rehabilitatiebrief.

Blijkens het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat hij daartoe niet gehouden is (…).

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde tijdens de zitting en tijdens de comparitie van partijen is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft aangenomen dat op hem geen schadevergoedingsplicht bestaat.
De rechtbank overweegt daartoe dat verweerder terecht heeft aangegeven dat eiser destijds geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit waarin hem de leiding over de bewakingsgroep is ontzegd, welk besluit hij thans als oorzaak van de door hem geleden schade ziet. De rechtbank kan dit besluit daarom in dit geding niet meer indringend toetsen, doch kan slechts met terughoudendheid bezien of het besluit in flagrante strijd is geweest met enige regel van geschreven of ongeschreven recht dan wel volstrekt onhoudbaar is. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat daarvan geen sprake is, zodat het besluit niet kan dienen als grondslag voor een schadevergoedingsplicht.

De rechtbank kan in hetgeen door eiser is aangevoerd ook geen andere grond voor een schadevergoedingsplicht zien.

De rechtbank merkt nog op dat zij verweerders standpunt dat eiser voldoende is gerehabiliteerd door de brief van de Provinciaal Militair Commandant Zuid-Holland, kolonel [de kolonel] van 20 september 1993 (lees: de rehabilitatiebrief) niet voor onjuist kan houden.

De rechtbank overweegt tenslotte dat de DPKL met zijn aanbod tot het opstellen van een getuigschrift (hetgeen inmiddels op 22 augustus 1997 is gerealiseerd) en met het aanbieden van een actieve vorm van externe bemiddeling alleszins correct heeft gehandeld.’
2.13. De uitspraak van de bestuursrechter is onherroepelijk. Bij uitspraak van 11 juni 1998 heeft de Centrale Raad van Beroep [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de uitspraak van de bestuursrechter.
de sollicitatie
2.14. In 2001 was er een grootschalige wervingsactie door Defensie in verband met een tekort aan beroepsmilitairen. Op 5 mei 2001 heeft [eiser] zich schriftelijk tot bureau Herintreding van Defensie gericht met het verzoek om horizontaal als beroepsofficier te kunnen instromen. Na enkele telefonische gesprekken met kapitein [de kapitein] (hierna: [de kapitein] ) is [eiser] uitgenodigd voor een oriënterend gesprek. In de uitnodigingsbrief is [eiser] onder meer verzocht om originele diploma’s en getuigschriften mee te nemen alsook om de meegezonden staat van inlichtingen in verband met het aan te vragen veiligheidsonderzoek in te vullen. Op 22 juni 2001 heeft het gesprek met [de kapitein] plaatsgevonden. Op het formulier interview protocol heeft [de kapitein] het gesprek als volgt
samengevat:

‘Kdd, die verontwaardigd is dat hij net als iedereen behandeld wordt. Heeft daarom ook geen officiële papu bij. Org. is al v. alles op de hoogte. Ziet een veiligheidsonderzoek daarom ook niet zitten. Papu niet ingevuld. Schermt voortdurend wel met papu, die hij niet kan laten zien. Benadrukt daarbij hoe goed hij wel niet is en hoe anderen disfunctioneren. Geeft veel af op anderen (offi.). Laat zich regelm. neg. uit over de org. Wenst spec. behandeling. Kandidaat met een rommeling CV, (rechtbank leest:) heeft alleen. Havo. Werkt sinds ’97 min of meer voor zichzelf. Onduidelijk wat hij precies doet. Heeft daarnaast tot ’99 een uitkering genoten. Laat achterste van zijn tong niet zien. Reageert geïrriteerd/achterdochtig bij doorvragen omtrent pers. achtergronden. Verontschuldigt zich a.h. einde v.h. gesprek. Voelt nattigheid. Zegt ook zelf dingen wel en niet te vertellen, staat niet onder ede. Kdd bepaalt zelf wat hij vertelt. Praat vaak om zaken heen. Wekt irritatie bij int. In het verleden ook de nodige botsingen gehad, zal ook voor de toek. het geval kunnen zijn. Beweegredenen/motivatie van betrokkene zijn vaag te noemen.’
2.15. Op 3 juli 2001 heeft [de kapitein] [eiser] telefonisch laten weten dat [eiser] niet zou kunnen herintreden als beroepsmilitair en dat de afwijzing op schrift zou worden gesteld. [de kapitein] heeft het volgende negatieve advies opgesteld:

‘Neg. Adv.: betrokkene laat zich nogal negatief uit over de organisatie en het personeel wat er rondloopt in de hoedanigheid van ‘collega’-officieren. Komt ook in het gesprek zeer afstandelijk en achterdochtig over. Laat achterste van tong niet zien. Zegt hij ook bewust niet te doen. Vond het niet nodig om diploma’s en getuigschriften mee te nemen. Ook het invullen van de staat van inlichtingen was op hem niet van toepassing volgens hem. Tijdens het gesprek bepaalt hij ook wat relevant is en wat niet. Heeft een rommelige loopbaan bij Def. achter de rug. (…) Is hier in het verleden veiligheidsofficier geweest, betrokkene gebeld dat er nog een afwijzingsbrief volgt. Voorzichtigheid geboden hiermee.
Advies: op algemene gronden afwijzen, zoals vooropleiding.’
2.16. Voor de afhandeling van de afwijzing is het sollicitatiedossier naar H-POZ gestuurd. Bij binnenkomst van het sollicitatiedossier op 26 juli 2001 heeft het hoofd POZ de volgende handgeschreven opmerkingen gemaakt:

‘26/7/2001 H-Herintreding, svp [eiser] een kort briefje sturen dat we, op advies van de monitoren, momenteel geen loopbaanmogelijkheden voor hem zien, maar dat we hem wel in ons relatiebestand zullen houden.’

‘NB. We kennen [eiser] en hij is in het verleden een “probleemgeval” geweest. [de kapitein] voelde dat feilloos aan (knap staaltje werk!); we zeggen het hem echter niet en laten hem in zijn waarde!’
2.17. Omdat de toegezegde schriftelijke bevestiging van de afwijzing uitbleef, heeft [eiser] daarover bij de Nederlandse Vereniging voor Personeelsbeleid (NVP) een klacht ingediend, welke klacht op dat punt gegrond is verklaard. [de kapitein] heeft op 4 oktober 2001 alsnog een afwijzingsbrief verstuurd (hierna: de afwijzingsbrief). In de afwijzingsbrief, die was gericht aan NVP en niet gedrukt op briefpapier van Defensie, is als reden van afwijzing gegeven – kort gezegd – dat [eiser] niet voldeed aan de opleidingseisen omdat hij de officiersopleiding niet had doorlopen en slechts over een HAVO-diploma beschikte. Voorts is opgenomen dat [eiser] wel in het relatiebestand zal worden gehouden.

2.18.

Bij brief van 21 januari 2003 heeft de gemachtigde van [eiser] opnieuw verzocht om een schriftelijke afwijzing. Deze heeft [eiser] gekregen bij brief van 30 januari 2003. In de brief is geconcludeerd dat geen behoefte bestaat aan de kwaliteiten van [eiser] , dat [eiser] gezien zijn leeftijd geen deel kan uitmaken van het beroepspersoneel bepaalde tijd en dat [eiser] een KMA-OCO-officiersopleiding mist om deel uit te kunnen maken van het beroepspersoneel onbepaalde tijd.

2.19.

In oktober 2003 heeft mr. Nicolaï bij Defensie gemeld als advocaat voor [eiser] op te treden. Mr. Nicolaï heeft inzage verzocht in het volledige personeelsdossier, hetgeen hij in 2004 heeft verkregen. Daarbij is gebleken van de hiervoor genoemde handgeschreven opmerkingen van het hoofd POZ. Mr. Nicolaï heeft de handgeschreven opmerkingen uit het personeelsdossier ter beoordeling aan strafrechtdeskundig advocaat mr. Pen voorgelegd. Mr. Pen heeft de afwijzing op de sollicitatie als ‘valsheid in geschrift’ en ‘poging tot oplichting’ gekwalificeerd, nu de afwijzing die op schrift is gesteld naar zijn oordeel niet strookt met de inhoud van de documenten.

2.20.

[eiser] heeft nagevraagd of hij daadwerkelijk in het relatiebestand van Defensie voorkomt, zoals in de afwijzingsbrief genoemd. Per e-mail van 8 oktober 2004 heeft Defensie, in persoon van Majoor [de Majoor] van de Sectie Coördinatie Onderzoek en Aanstellingen, [eiser] bericht ‘Voor mij bent u een definitief afgewezen kandidaat herintreder m.a.w. vanuit de KL zult u in principe nooit meer worden benaderd voor een eventueel herintreden.’

2.21.

Bij brief van 17 maart 2006 heeft mr. Nicolai de Staat namens [eiser] aansprakelijk gesteld. De aansprakelijkstelling heeft betrekking op het tijdelijke ontzeggingsbesluit, de uitzending, de afwijzing tot herintreding, het al dan niet voldoende zijn gerehabiliteerd en op de aangeboden externe arbeidsbemiddeling. Bij brief van
25 oktober 2006 heeft de Staat iedere aansprakelijkheid afgewezen.

2.22.

In 2007 hebben partijen onderhandeld over een regeling ter beëindiging van hun geschil. De Staat heeft in dit kader [eiser] een getuigschrift, loopbaanontwikkeling en een schadebedrag van € 75.000,- aangeboden. De in dit kader opgestelde vaststellingsovereenkomst is door [eiser] niet ondertekend en voormeld bedrag is niet uitbetaald. Wel heeft de hoofdinspecteur van Defensie, luitenant-Generaal [luitenant-Generaal] (hierna: [luitenant-Generaal] ), een getuigschrift naar [eiser] gezonden. In de daarbij behorende aanbiedingsbrief is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

‘Bijgaand treft u aan uw getuigschrift (…).

Ik betreur het zeer dat bij uw sollicitatie in 2001 de personeelsdienst van de landmacht zich onprofessioneel en grievend heeft gedragen door in uw personeelsdossier onjuiste en schadelijke opmerkingen te plaatsen, ondermeer dat u een “probleemgeval” zou zijn geweest. Ik bied u daarvoor mijn excuses aan, in het bijzonder ook omdat deze sollicitatieprocedure daardoor geen objectieve kans van slagen heeft gehad en u jaren in de onzekerheid hebt verkeerd over de oorzaak hiervan.

U ervaart de gewraakte opmerking, achteraf, als een smet op uw carrière. Niets is minder waar, vandaar dit getuigschrift.

Naast dit getuigschrift wil ik u ook graag begeleiding aanbieden bij het opstarten van een onderneming en u financieel tegemoetkomen. Wij hebben daarover nadere afspraken gemaakt en afgesproken dat over de inhoud daarvan niet met derden wordt gecommuniceerd.’
2.23. Bij brief van 4 juli 2008 heeft mr. Bolt bij Defensie gemeld als advocaat van [eiser] op te treden. Mr. Bolt stelt dat de door Defensie aangeboden vergoeding van € 75.000,- niet toereikend is om de geleden en nog te lijden (im)materiële schade te compenseren en heeft een bedrag van € 981.768,51 aan (alleen) inkomensschade genoemd.

2.24.

In 2011 heeft [eiser] zich gewend tot de Defensievakbond ACOM, waarvan
[C] (hierna: [C] ) op dat moment de voorzitter was. Op instigatie van [C] en de toenmalige raadsman van [eiser] mr. Pasman heeft op 2 november 2012 een ontmoeting plaatsgevonden tussen [eiser] en toenmalig minister van Defensie
J.S.J. Hillen (hierna: Hillen). Ook [C] was hierbij aanwezig. Nog diezelfde dag heeft Hillen besloten dat het geschil tussen partijen moet worden voorgelegd aan een onafhankelijke deskundige om het geschil tussen partijen definitief te beëindigen (hierna: het besluit van Hillen). De te benoemen onafhankelijke deskundige zou zich een oordeel moeten vormen over het geschil en moeten komen tot een niet-bindend advies. Daarbij was het de uitdrukkelijke bedoeling om de zaak niet onnodig te juridiseren.

2.25.

[C] heeft vervolgens mr. Pasman direct telefonisch van het besluit van Hillen op de hoogte gesteld. Mr. Pasman heeft daarop een e-mailbericht d.d. 2 november 2012 met, voor zover relevant, de volgende inhoud naar [eiser] gestuurd:

‘De heer Hillen heeft er geen gras overlaten groeien: zojuist belde de heer [C] dat hij (lees: Hillen) de bemiddeling van een onafhankelijke derde door ons aan te wijzen heeft toegezegd om de zaak snel tot een einde te brengen. Dus geen bindend advies, maar dat kan nog de uitkomst zijn voor de schadevaststelling.’

2.26.

De opdracht van Hillen heeft geresulteerd in een verzoek van partijen aan de heer
[X] (hierna: [X] ), een door [eiser] voorgedragen registeraccountant, om een advies uit te brengen. Partijen hebben overeenstemming bereikt over de aan [X] gegeven opdrachtomschrijving, die luidt:

‘Opdrachtnemer, de heer dr. [X] , neemt kennis van de inhoud van het dossier van de heer [eiser] zoals door beide partijen afzonderlijk samengesteld, en vormt zich daarover een oordeel. Hij brengt een schriftelijk gemotiveerd advies uit, mede gelet op het tijdsverloop in deze kwestie, op een zo kort mogelijke termijn aan partijen. Met het oog op het tot stand brengen van een definitieve beëindiging van alle tussen partijen gerezen geschillen bevat dit advies tevens de door de deskundige berekende en passend en toereikend geachte financiële vergoeding ter zake van de compensatie van alle door [eiser] ten gevolge van onrechtmatig en of verwijtbaar handelen en nalaten door (toedoen van en of namens) Defensie geleden en toekomstige schade, waaronder voorts begrepen de gemaakte kosten van rechtsbijstand tot aan de dag van het uitbrengen van het advies.’
(Hierna: de opdrachtomschrijving)

2.27.

Defensie heeft de landsadvocaat ingeschakeld om voor [X] het dossier samen te stellen. In dit verband heeft [C] , in zijn hoedanigheid van voorzitter van ACOM, bij notitie van 15 mei 2013 aan Defensie geschreven, voor zover relevant:

‘Ik begreep dat jullie de zaak in handen hebben gegeven van de landsadvocaat die het dossier gaat samenstellen. Dit laatste vind ik merkwaardig omdat het streven was van de minister om de zaak juist uit de “juridische sfeer” te halen. Jullie gaven immers ook aan geen behoefte te hebben aan een nieuwe “zaak […] ”. Ik ga er dan ook van uit dat jullie er voor zullen zorgen dat het niet een nieuwe juridische strijd gaat worden. Indien ik het gevoel krijgt dat het toch die kant op gaat, kom ik er bij jullie op terug.’
2.28. Bij brieven van respectievelijk mr. Daalder d.d. 13 november 2013 en mr. Pasman d.d. 25 november 2013 hebben Defensie en [eiser] hun standpunten aan [X] kenbaar gemaakt.

2.29.

Op 23 maart 2014 heeft [X] het conceptrapport aan partijen voorgelegd. Namens [eiser] heeft mr. Pasman op 8 april 2014 concrete opmerkingen op het conceptrapport gemaakt.

2.30.

[X] heeft zijn definitieve advies aan Defensie en [eiser] neergelegd in het rapport van 23 mei 2014 (hierna: het rapport). Op bepaalde punten steunen de conclusies van [X] op het advies dat [X] heeft ingewonnen bij de door hem ingeschakelde advocaat [advocaat] en loopbaanadviseur [loopbaanadviseur] . Het rapport, waarin [X] de onder 2.2. genoemde drie hoofdonderwerpen heeft onverdeeld in 29 geschilpunten, vermeldt - voor zover relevant - het volgende:

1.2 Uitvoering werkzaamheden
De uitvoering van mijn werkzaamheden heeft plaatsgevonden op basis van het volgende
- door partijen geaccordeerde - reglement Advies (hierna: het Reglement Advies).

(…)

Informanten en deskundigen
De adviseur zal eerst na instemming van beide partijen zelf derden, informanten en/of deskundigen mogen raadplegen. Hij zal partijen op de hoogte stellen van de relevante inhoud van hetgeen zij hem hebben medegedeeld. Van alle schriftelijke stukken, die de adviseur van de derden, informanten of deskundigen ontvangt zal hij een kopie aan partijen sturen. Partijen kunnen hun commentaar op de informatie/documentatie van de informanten/deskundigen schriftelijk ter kennis van de adviseur brengen, met kopie aan de wederpartij. Partijen kunnen op elkaars commentaar niet meer reageren. Dit dient binnen 14 dagen na het beschikbaar komen van de informatie te geschieden.

(…)


Het advies
(…)
Het advies bevat in elk geval:
(...)
(e) gebruikte informatie
(…)

Beoordelingscriteria
De adviseur geeft zijn oordeel met inachtneming van de op het geschil en het feitencomplex toepasselijke wet- en regelgeving en hetgeen hij in de gegeven omstandigheden redelijk en billijk acht gezien de omstandigheden van het geval.

(…)

Aansprakelijkheid
De adviseur kan niet aansprakelijk worden gesteld, noch civielrechtelijk, noch tuchtrechtelijk, voor enig handelen of nalaten met betrekking tot de geschillenoplossing, daarin begrepen de inhoud van het advies.

(…)

1.3

Verloop van het onderzoek
Ik ben mijn werkzaamheden gestart (…) nadat met partijen overeenstemming was bereikt over de opdrachtomschrijving en het Reglement Advies.
(…)

1.4

Opzet en inhoud van het rapport

(…)
Zoals uit het rapport blijkt heb ik het onderzoek zo ingericht dat ik 3 geschilpunten onderscheid, te weten:
1. De rechtmatigheid van de ontzegging van de leiding over de bewakingsgroep en de uitzending naar voormalig Joegoslavië (1992-1993)
2. actieve externe bemiddeling (1996-2006)
3. herintreding bij Defensie 2001

Deze geschilpunten zijn onderverdeeld naar enige tientallen onderwerpen, teneinde de problematiek inzichtelijk te kunnen maken en deze gedetailleerd te kunnen beschrijven. Bij de beoordeling van de geschilpunten heb ik de indeling naar onderwerpen gevolgd.

(…)

3 Geschilpunten
(…)

3.1

Geschilpunt 1: ontzegging van de leiding en de uitzending

3.1.1

Inleiding
(…)
In paragraaf 2.7 is ingegaan op de juridische procedure die hierover is gevoerd; deze procedure heeft geleid tot een uitspraak van de rechtbank Den Haag op 3 september 1997 waarin het beroep van [eiser] ongegrond is verklaard.
De Centrale Raad van Beroep heeft [eiser] in zijn hoger beroep tegen de uitspraak van 3 september 1997, bij de uitspraak van 11 juni 1998, niet ontvankelijk verklaard. Ondanks verschillende verlengingen van de termijn door de Raad, was [eiser] in gebreke gebleven beroepsgronden in te dienen.

De uitspraak van de rechtbank van 3 september 1997 is hiermee onherroepelijk geworden en vormt voor mij de basis voor de beoordeling van geschilpunt 1: de rechtmatigheid van het besluit over de tijdelijke ontzegging en de uitzending. Allereerst wordt de uitspraak van de rechtbank weergegeven, daarna wordt ingegaan op de feiten en documenten die aan de basis van deze uitspraak ten grondslag liggen. Vervolgens worden de door [eiser] naar voren gebrachte standpunten en verweren geïnventariseerd. Aan deze benadering ligt ten grondslag dat, nu hieromtrent een gerechtelijk (eind)oordeel voor ligt, in het kader van mijn advies alleen mogelijke nieuwe (dat wil zeggen: niet bij de rechtbank bekend geworden en op dat moment niet voor [eiser] kenbare) feiten en omstandigheden van invloed kunnen zijn op de (her)beoordeling van dit geschilpunt.

(…)

Met bovenstaande uitspraak van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende stukken als uitgangspunt, heb ik de in het kader van mijn advies naar voren gebrachte standpunten en verweren van [eiser] geïnventariseerd teneinde in hoofdstuk 4 te kunnen toetsen of deze als rechtens relevante nieuwe feiten of omstandigheden kunnen worden aangemerkt, die niet in de uitspraak van de rechtbank zijn verwerkt.

(…)

4 Conclusies

(…)
4.2 Conclusie m.b.t. geschilpunt 1: de ontzegging en de uitzending
Over de ontzegging van de leiding en de uitzending is een juridische procedure gevoerd; deze heeft geleid tot een uitspraak van de rechtbank Den Haag op 3 september 1997, waarin het beroep van [eiser] ongegrond is verklaard. De uitspraak van de rechtbank van
3 september 1997 is onherroepelijk geworden en vormt voor mij de basis (het primaire toetsingskader) voor de beoordeling van geschilpunt 1.

In mijn onderzoek- en adviestraject is geschilpunt 1 in 20 onderwerpen uiteen gevallen (…).

Van deze 20 onderwerpen zijn 17 onderwerpen als zodanig direct of indirect besproken en beoordeeld in de uitspraak van de rechtbank van 3 september 1997.
Wat in de gesprekken en verklaringen over dit geschilpunt naar voren is gebracht, werpt geen nieuw licht op de zaak en kan dan ook verder achterwege blijven. Anders gezegd: mij is niet gebleken dat er feiten en omstandigheden zijn die mogelijkerwijs niet in de beoordeling door de rechtbank in aanmerking zijn genomen. Daarbij geldt ook nog dat alleen nieuwe omstandigheden in aanmerking genomen kunnen worden, waarvan het [eiser] ten tijde van de procedure onmogelijk was die aan de rechter voor te leggen.
Deze 17 onderwerpen bieden geen grondslag voor enige schadevergoeding door Defensie aan [eiser] . Er is ter zake naar mijn mening geen sprake van onrechtmatig en/of verwijtbaar handelen en nalaten (toedoen van en/of namens) Defensie.

Voor wat betreft de overige drie onderwerpen die deel uit maken van dit geschilpunt, concludeer ik dat deze naar mijn mening ook niet leiden tot een grondslag voor enige schadevergoeding door Defensie aan [eiser] . Er is ter zake naar mijn mening geen sprake van onrechtmatig en/of verwijtbaar handelen en nalaten door (toedoen van en/of namens) Defensie.

Ik kom tot dit oordeel met inachtneming van hetgeen ik gegeven de feiten en omstandigheden redelijk en billijk acht.

(…)

4.3

Conclusie m.b.t. geschilpunt 2: actieve externe bemiddeling
Dit geschilpunt valt in twee onderwerpen uiteen: extra inzet Defensie (onderwerp 21) en negatieve referenties (onderwerp 22).

De uitspraak van de rechtbank uit 1997 ziet voor een deel ook op de externe bemiddeling:

‘De rechtbank overweegt tenslotte dat de DPKL met zijn aanbod tot het opstellen van een getuigschrift (hetgeen inmiddels op 22 augustus 1997 is gerealiseerd) en met het aanbieden van een actieve vorm van externe bemiddeling alleszins correct heeft gehandeld.’

Mij is niet gebleken dat er feiten en omstandigheden zijn die mogelijkerwijs niet in de beoordeling door de rechtbank in aanmerking zouden zijn genomen en op dit punt tot een andere oordeel zou hebben geleid.

Voor wat betreft de extra inzet van Defensie (onderwerp 21) concludeer ik op grond van de feiten dat zowel Defensie als [eiser] zich niet tot het uiterste hebben ingespannen om ervoor te zorgen dat [eiser] na afloop van zijn tijdelijk contract een andere functie zou verkrijgen. Ik oordeel dan ook dat beide partijen een onvoldoende bijdrage hebben geleverd aan het niet vinden van een passende werkkring, waarbij ik een schulddeling van 2/3 (Defensie) en 1/3 ( [eiser] ) van toepassing acht nu enerzijds sprake is van verwijtbaar handelen en nalaten door (toedoen van en/of namens) Defensie en anderzijds van ‘eigen schuld’ aan de zijde van [eiser] .

Voor wat betreft de negatieve referenties (onderwerp 22) stel ik vast dat er geen bewijsstukken zijn overgelegd, noch over het negatieve beeld dat over [eiser] bestond bij Defensie noch over de negatieve referenties die door medewerkers zouden zijn afgegeven.

Gegeven deze constateringen zie ik ter zake geschilpunt 2 geen grondslag voor enige schadevergoeding door Defensie aan [eiser] met uitzondering van onderwerp 21, zulks met inachtneming van genoemde schulddeling.

Ik kom tot dit oordeel met inachtneming van hetgeen ik gegeven de feiten en omstandigheden redelijk en billijk acht.

Ik licht de onderwerpen 21 en 22 als volgt toe.

(…)

Naar mijn oordeel was het vast beleid dat militairen met een aanstelling voor bepaalde tijd in beginsel naar functies buiten Defensie werden bemiddeld. Dit gegeven is ook duidelijk vermeld in de aanstellingsbrief van [eiser] van 12 juni 1989 om verkeerde verwachtingen te voorkomen.(…)

Defensie geeft aan dat er geen sprake is van stelselmatige onthouding van actieve bemiddeling. In de hiervoor genoemde brief van [luitenant-Generaal] van 25 oktober 2006 staat ook nog het volgende: (…) “vastgesteld kan worden dat uw cliënt werk had op enig moment en voor die tijd door diverse personen begeleid is bij zijn zoektocht naar werk”.

[eiser] wist dat zijn tijdelijke contract op 1 juni 1996 zou aflopen; hij kon dus (ruim) voor deze datum starten met het zoeken van een andere functie. Ook in de periode na juni 1996 was het redelijk en billijk om van hem een eigen inspanning te verwachten rond het zoeken van een andere werkkring.
Er was sprake van een economisch gunstig klimaat in de tweede helft van de jaren 90; in 1996 was [eiser] 38 jaar oud, zodat ook zijn leeftijd geen beperking vormde om te kunnen solliciteren naar een functie bij de overheid of in het bedrijfsleven. Bij zijn indiensttreding bij Defensie in 1989 werd [eiser] als geschikte kandidaat gezien om het tijdelijk tekort aan officieren aan te vullen. In 1996 had hij dus zes jaar extra werkervaring, die het solliciteren zou hebben moeten vergemakkelijken.

Uit de door [eiser] overgelegde informatie kan het volgende beeld worden samengesteld van de door hem gedane sollicitaties (die alle niet tot een concreet positief resultaat hebben geleid) [hierna volgt een overzicht van de sollicitaties; rechtbank]

(…)

Over een periode van 12 jaar heeft [eiser] derhalve 15 gerichte sollicitaties ingediend, daarnaast 10 open sollicitaties, wat een gemiddelde van twee brieven per jaar oplevert. Gezien het economisch gunstige klimaat tot 2008 waren er voldoende vacatures om op te solliciteren. Er is geen doktersverklaring overgelegd, waaruit zou blijken dat [eiser] om gezondheidsredenen niet zou kunnen werken.

[eiser] heeft in het sollicitatiegesprek op 22 juni 2001 aangegeven, dat zijn wachtgelduitkering in augustus 1999 is stopgezet, nadat hij weigerde alle informatie te verstrekken zoals bewijzen van sollicitatiebrieven.

Volgens het UWV moeten werkzoekenden, die voorheen bij de overheid werkten, gemiddeld minimaal één keer per week solliciteren. Bij het toepassen van deze normen zou [eiser] minimaal 600 sollicitaties moeten hebben ingediend. Deze norm behoeft enige aanpassing, omdat Defensie zich had verplicht [eiser] actief te bemiddelen naar een andere werkkring, maar maakt wel een eigen schuld- correctie noodzakelijk, die ik naar redelijkheid vaststel met inachtneming van alle feiten en omstandigheden zoals hiervoor beschreven.

(…)

4.4

Conclusie m.b.t. geschilpunt 3: herintreding
Dit geschilpunt valt in acht onderwerpen uiteen.

Voor wat betreft de onderwerpen 23 tot en met 26, 28 en 29 concludeer ik op grond van de feiten dat naar mijn mening geen sprake is van onrechtmatig en/of verwijtbaar handelen en nalaten door (toedoen van en/of namens) Defensie.

Gegeven de constateringen zie ik ter zake geschilpunt 3 uitsluitend een grondslag voor enige schadevergoeding door Defensie aan [eiser] met betrekking tot een aspect van onderwerp 27, namelijk dat ziet op het onvoldoende transparante optreden van Defensie omtrent de communicatie over de afwijzing. Dat over de afwijzing, gelet op de ervaringen met [eiser] , door Defensie met enige voorzichtigheid is gecommuniceerd, is suboptimaal gelet op de eis van transparantie, maar niet onbegrijpelijk, en heeft in ieder geval niet geleid tot een ander resultaat dan wanneer minder onomwonden de mededeling van de afwijzing was gedaan. [eiser] zou hoe dan ook zijn afgewezen, gelet op het verloop van het gesprek waarbij hij ter plekke zijn verontschuldigingen voor zijn gedrag heeft aangeboden.

In 2004, toen [eiser] kennis nam van zijn personeelsdossier, heeft hij de opmerking met betrekking tot zijn sollicitatie voor het eerst gezien en – begrijpelijkerwijs – als beschadigend ervaren. Defensie heeft hier het tegenovergestelde bereikt van wat zij beoogde (‘we laten hem in zijn waarde’).
Naar mijn mening is met betrekking tot dit deelaspect van onderwerp 27 sprake van verwijtbaar handelen en nalaten door (toedoen van en/of namens) Defensie.
Ik kom tot dit oordeel met inachtneming van hetgeen ik, gegeven de feiten en omstandigheden redelijk en billijk acht.

(…)

Beoordeling
(…)
27 Afwijzing
(…) Uit het ‘negatieve advies’ dat [de kapitein] heeft opgesteld, blijkt dat [de kapitein] dit alleen heeft geconcipieerd. Hij kende [eiser] niet en heeft los van anderen en los van het verleden een eigen oordeel op 22 juni 2001 gevormd. Dit oordeel heeft hij op 3 juli 2001 telefonisch aan [eiser] meegedeeld. In het negatieve advies worden de opstelling en het gedrag van [eiser] duidelijk verwoord; [de kapitein] vindt hem niet geschikt voor herintreding bij Defensie. [de kapitein] geeft in het negatieve advies aan dat hij [eiser] al telefonisch heeft geïnformeerd over de afwijzing. Direct daarna schrijft hij: ‘voorzichtigheid geboden hiermee. Advies: op algemene gronden afwijzen, zoals vooropleiding. Heeft in al die tijd alleen Havo behaald.’ Hieruit kan men concluderen dat de simpele waarheid vertellen, namelijk dat [eiser] op grond van zijn opstelling en gedrag een slechte indruk heeft gemaakt en niet geschikt is voor herintreding, geen optie vormt voor Defensie. Dat kan alleen te maken hebben met (de persoon van) [eiser] . [de kapitein] was voorzichtig geworden na het gesprek met [eiser] en wilde (durfde?) de waarheid niet te vertellen. (…) Het feit dat [de kapitein] zelfstandig en zonder invloed van het verleden tot zijn negatieve advies is gekomen, wordt nog bevestigd door het feit dat hoofd POZ schrijft: ‘We kennen [eiser] en hij is in het verleden een ‘probleemgeval’ geweest. [de kapitein] voelde dat feilloos aan (knap staaltje werk); we zeggen het hem echter niet en laten hem in z’n waarde!’ Ook hier blijkt dat Defensie rekening houdt met de persoon van [eiser] .
Ik kan niet anders dan concluderen dat [eiser] op objectieve gronden een negatief advies van [de kapitein] voor herintreding bij Defensie heeft ontvangen.
(…)
De klacht van [eiser] over de sollicitatie is op 25 oktober 2001 gegrond verklaard door de NVP vanwege het feit dat hij geen schriftelijke afwijzing op zijn sollicitatie heeft ontvangen.
De late verzending van de afwijzingsbrief heeft geen schade bij [eiser] veroorzaakt; [eiser] wist op 13 juli 2001 al dat hij was afgewezen.

[B] geeft aan dat ‘aanbevelingen in internationale settings vrij frequent worden gegeven; als je je werk goed doet, krijg je al een dergelijke aanbeveling. Aan de aanbeveling van [D] kan dan ook geen gewicht worden ontleend voor het verder doorlopen van een loopbaan bij Defensie. [eiser] zal bij zijn uitzending zeker op een normale tot goede manier hebben gefunctioneerd.’ Verder geeft hij aan dat ‘het gesprek in 2001 handelde over een loopbaan bij Defensie, het was geen gesprek voor een functie van bepaalde tijd. Er is toen vastgesteld dat [eiser] geen KMA/OCO opleiding had gevolgd en het enkele feit van uitzending kon dat niet compenseren. (…) Als [eiser] een scala aan functies had bekleed, was daar mogelijk wel sprake van geweest. Bovendien is een uitzending niet meer schaars en bijzonder; door uitzending ontstond dus ook geen preferente positie.’
De aanbeveling van [D] en de enkele uitzending konden dus het gebrek aan vooropleiding van [eiser] niet compenseren.

Ik concludeer dat [eiser] op objectieve gronden op het punt van vooropleiding te kort schoot voor herintreding bij Defensie.
Ik merk op dat [eiser] het doet voorkomen alsof hij onvoorwaardelijk recht had om aangenomen te worden voor een functie bij Defensie; daarvoor bestaat m.i. geen wettelijke basis.

(…)

Defensie was op zoek naar oud-beroepsofficieren met een KMA-OCO opleiding. Het antwoord op de vraag naar wie (profiel) Defensie op zoek was en wie toen wel werd aangenomen, is niet te herleiden uit de informatie die aan de Kamer is gezonden (Defensienota 2000). Een getalsmatig overzicht van horizontale instroom van officieren bij de landmacht rond het jaar 2000 is niet overgelegd.

Vanwege het ontbreken van bovenstaande gegevens kan ik niet objectief vaststellen of andere mogelijke herinstromers op dezelfde gronden als [eiser] zijn afgewezen.

(…)

5.2

Vervolgtraject voor het vinden van een werkkring

(…)

Meer nog dan opleiding, leeftijd en ervaring is de houding van een sollicitant van belang. Zolang er wrok is naar de oude werkgever, zal dat een geslaagde sollicitatie in de weg staan. [eiser] moet zijn verleden echt afronden voor hij verder kan met het zoeken van een andere werkkring. Het geschil met Defensie heeft het leven van [eiser] beïnvloed; in 2006 heeft een externe coach vastgesteld dat de afgelopen 10 jaar van het leven van [eiser] werden beheerst door woede en wrok over een naar zijn mening onterechte beëindiging van zijn dienstverband in 1996 (geen verlenging van zijn contract bij Defensie).

(…)

5.3

Definitieve beëindiging van het geschil
Op basis van de beoordeling van de geschilpunten (…) adviseer ik Defensie om [eiser] :

1) professionele begeleiding aan te bieden bij het zoeken naar een andere werkkring of het opzetten van een eigen onderneming in de vorm van een concrete afspraak qua doorlooptijden en kosten;

2) (nogmaals) een vergoeding voor immateriële schade aan te bieden van € 75.000 netto all-in;

3) zijn kosten van rechtsbijstand te vergoeden op basis van de tot op heden werkelijk gemaakte kosten.

Dit aanbod dient mijn inziens onder strikte voorwaarden te worden gedaan: het is niet onderhandelbaar, vier weken geldig vanaf datum aanbod en tegen finale kwijting. Het aanbod vervalt bij niet-aanvaarding binnen de termijn. De termijn van vier weken is niet voor verlenging vatbaar. Het is een totaal aanbod, wat alleen als geheel geaccepteerd of afgewezen kan worden. De kosten voor rechtsbijstand zouden, bij niet-aanvaarding van het bod, kunnen worden vergoed op basis van de daarvoor geldende richttarieven van de Nederlandse Orde van Advocaten.

(…)

Ik geef [eiser] mee dat hij naar mijn taxatie in een civiele procedure nooit het resultaat zal bereiken dat hem nu in mijn advies wordt aangeboden, aangezien zijn aanspraken deels zijn verjaard, het causaal verband ontbreekt tussen de verwijtbare handelingen van Defensie en de gepretendeerde schade, terwijl bovendien een bedrag ad € 75.000 smartengeld in relatie tot de verwijtbare handelingen naar Nederlandse maatstaven relatief hoog is.’

2.31.

De Staat heeft het advies van [X] overgenomen en [eiser] een schadevergoeding van € 75.000,- aangeboden. [eiser] heeft het aanbod niet geaccepteerd.

2.32.

[eiser] heeft op 4 november 2014 een tuchtklacht tegen [X] ingediend bij de accountantskamer, bestaande uit 14 onderdelen. Bij beslissing van 28 augustus 2015 (ECLI:NL:TACAKN:2015:101) heeft de Accountantskamer het klachtonderdeel betreffende het door [X] vooraf uitsluiten van tuchtrechtelijke aansprakelijkheid gegrond verklaard. Kort gezegd stond dit [X] volgens de Accountantskamer niet vrij, omdat hij is ingeschreven als registeraccountant en hij in die hoedanigheid onverkort aan het tuchtrecht is onderworpen. Voorts is het klachtonderdeel betreffende de inschakeling van externe deskundigen gegrond verklaard. Door de Accountantskamer wordt geconstateerd dat de oordelen van [X] over de punten 1 tot en met 17 in het rapport steunen op de uitkomsten van het overleg dat [X] naar eigen zeggen heeft gehad met [advocaat] . [X] heeft [eiser] en Defensie echter onkundig gelaten van (de uitkomsten van) dat overleg, hetgeen ook geldt voor een overleg met loopbaanadviseur [loopbaanadviseur] . Daarmee heeft [X] volgens de Accountantskamer, kort gezegd, gehandeld in strijd met het door hem opgestelde Reglement Advies, waar beide partijen mee hebben ingestemd. Op grond daarvan had hij hen in kennis moeten stellen daar commentaar op te leveren. De Accountantskamer heeft aan [X] een waarschuwing opgelegd. De overige klachtonderdelen, waaronder de klacht dat [X] ten aanzien van zeventien punten ten onrechte is aangesloten bij de uitspraak van de bestuursrechter, zijn ongegrond verklaard.

2.33.

[eiser] en [X] hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Accountantskamer bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Op 9 februari 2017 heeft het CBb uitspraak gedaan in het hoger beroep. Het CBb acht het tuchtrechtelijke verwijt over de uitsluiting van de tuchtrechtelijke aansprakelijkheid gegrond en oordeelt voorts dat de inschakeling door [X] van [advocaat] en loopbaanadviseur [loopbaanadviseur] in strijd was met de vooraf met zijn opdrachtgevers ( [eiser] en Defensie) gemaakte afspraken. Voor het overige zijn de klachten ongegrond verklaard.

2.34.

Hangende het beroep in de tuchtprocedure is [eiser] een kortgedingprocedure begonnen bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Gevorderd werd de Staat te veroordelen tot, kort gezegd, nakoming van het besluit van Hillen, betaling van een maandelijkse bijdrage ter zake van kosten van levensonderhoud en betaling van een voorschot op de geleden schade ter hoogte van € 75.000,-. De vorderingen zijn bij vonnis van 5 juli 2016 afgewezen. Ten aanzien van de vordering tot nakoming heeft de voorzieningenrechter daartoe – voor zover relevant – overwogen:

‘4.1. De voorzieningenrechter volg de Staat in zijn verweer dat, met de opdracht aan [X] en de totstandkoming van het rapport van [X] , al uitvoering is gegeven aan het besluit van de Minister. (…) De omstandigheid dat [eiser] zich niet kan vinden in de uitkomst van dat advies, kan evenmin leiden tot de conclusie dat geen uitvoering is gegeven aan het besluit van de Minister.
(…)
4.3. Gelet op het vorengaande heeft [eiser] bij nakoming van het besluit van de Minister geen belang, nu dit besluit al is nagekomen. Voor zover [eiser] met zijn vordering beoogt te bewerkstelligen dat opnieuw, voor de tweede maal, uitvoering moet worden gegeven aan dit besluit, ziet de voorzieningenrechter daarvoor geen grondslag.’
2.35. [eiser] heeft tegen het kortgedingvonnis hoger beroep ingesteld. [eiser] heeft meermalen uitstel gevraagd voor het indienen van een memorie van grieven. Uiteindelijk heeft het gerechtshof de zaak ambtshalve doorgehaald.

2.36.

Bij brief van 12 september 2017 heeft mr. De Boer de visie van [eiser] op onderhavige zaak aan de Staat beschreven. In deze brief is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
‘Op basis van het dossier kom ik tot de conclusie dat op dit moment twee belangrijke punten op tafel liggen:

1) de vraag of het door dhr. [X] uitgevoerde onderzoek naar de zaak van cliënt en zijn vaststelling van de aan de cliënt te betalen schadevergoeding van € 75.000,- zorgvuldig is geweest. En daarmee samenhangend de vraag of de Staat met het onderzoek van [X] heeft voldaan aan de afspraak tussen cliënt en het ministerie van Defensie om buiten rechte tot een zorgvuldige oplossing te komen. Deze vraag is al in kort geding voorgelegd aan de rechtbank Den Haag en zou in hoger beroep, dan wel in een bodemprocedure opnieuw aan de rechter kunnen worden voorgelegd.

2) De onderliggende zaak waarop het advies van [X] ziet. Dit gaat om het onrechtmatig handelen van de Staat jegens cliënt sinds 1992. Deze zaak zou – indien over de schadevergoeding en/of [X] rapport geen overeenstemming wordt bereikt – in zijn geheel voor de rechter gebracht kunnen worden.

Ik zeg u vooraf dat het wat betreft cliënt de voorkeur heeft om buiten rechte tot een oplossing te komen, bijvoorbeeld door het aanwijzen van een nieuwe deskundige die een deugdelijk onderzoek verricht naar de schade van cliënt; of door onderling overeenstemming te bereiken over een schadevergoeding die recht doet aan de schade die cliënt heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Staat.

De onderliggende zaak
(…)

Cliënt voelt zich ernstig tekortgedaan door het ministerie van Defensie dat hij naar eer en geweten en blijkens alle beoordelingen, certificaten en onderscheidingen met bovengemiddelde kunde en prestaties heeft gediend. (…) dat hij ondanks zijn bewezen diensten is bestempeld als probleemgeval en hem om die reden herintreding als officier is onthouden, is voor hem onverteerbaar. Juist Defensie, dat zich had gecommitteerd om voor cliënt een baan te vinden, heeft hem vooral gedwarsboomd en zorgde er uiteindelijk op onrechtmatige wijze voor dat een carrière in dienst van Defensie onmogelijk werd.
(…)

Schadevergoeding
(…)

In 2012 heeft cliënt (…) gesproken met toenmalig minister van Defensie, de heer Hillen. Minister Hillen gaf tijdens dit gesprek (…) de opdracht om de zaak voor eens en voor altijd af te sluiten middels een minnelijke regeling. (….) werd hiervoor als deskundige dhr. [X] aangewezen. Dhr. [X] is een (inmiddels uitgeschreven) accountant die was aangesteld, omdat hij – beter dan een jurist – in staat moest worden geacht de materiële schade van cliënt te berekenen. Hieruit kan worden afgeleid dat het bestaan van materiële schade een gegeven was. Dhr. [X] kwam echter niet tot een berekening van de materiële schadevergoeding, maar kwam opmerkelijk genoeg ook uit op een bedrag van € 75.000,- netto voor immateriële schade, zonder dat hier een deugdelijke berekening aan ten grondslag lag. Het mag als vanzelfsprekend worden beschouwd dat cliënt geen genoegen zou nemen met het bedrag dat hem in 2007 al was aangeboden en dat dit ook niet de uitkomst kon zijn van het onderzoek van de deskundige. Het moet ook in strijd worden geacht met de bedoelingen van de minister. (…)

Cliënt kan niet akkoord gaan met een bedrag van € 75.000,-, te meer daar het onderzoek van dhr. [X] op belangrijke punten tekortschiet. Zodoende is de zaak niet afgerond conform de afspraak tussen cliënt en de Staat, hetgeen betekent dat hij nog een recht op nakoming heeft ten aanzien van deze afspraak. (…)

Het ondeugdelijke advies van dhr. [X]
Op basis van een afspraak tussen cliënt en minister Hillen is dhr. [X] aangewezen om onderzoek te doen naar zijn schade. Daarbij is afgesproken dat de zaak niet zou worden gejuridiseerd en dat alle geschilpunten tussen de Staat en cliënt zouden worden beoordeeld. Aan deze voorwaarden is niet voldaan en evenmin wordt duidelijk waarop het bedrag van € 75.000,- netto is gebaseerd (zie hierboven). Zoals gezegd is dhr. [X] ook ten onrechte voorbijgegaan aan de materiële schade van cliënt. Dhr. [X] heeft bovendien op cruciale punten in strijd gehandeld met het reglement dat van toepassing was op het onderzoek.

Op 5 juli 2016 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag in kort geding het verzoek van cliënt om de Staat te verplichten een nieuw onderzoek te gelasten, afgewezen. (…).
Cliënt betwist uitdrukkelijk de juistheid van het vonnis van de voorzieningenrechter, maar zelfs als hiervan wordt uitgegaan volgt uit nieuwe informatie dat het handelen van dhr. [X] wel degelijk flagrant in strijd is met de afspraken die vooraf zijn gemaakt. Hieruit volgt dat een nieuw onderzoek moet worden gelast met een nieuwe deskundige, tenzij beide partijen er op een andere manier uitkomen (…).

(…)

De conclusie dient te luiden dat op elementaire onderdelen van het advies derden zijn geconsulteerd en dat cliënt niet de mogelijkheid heeft gekregen om hierop te reageren. Door de aanvullende informatie (lees; CBb en Wob-procedure) die sinds het vonnis van de voorzieningenrechter van 5 juli 2016 bekend is geworden, staat vast dat door [X] en daarmee ook het ministerie niet is voldaan aan de opdracht. Er is sprake van wanprestatie. Hieruit volgt dat cliënt recht heeft op nakoming en dan een nieuw onderzoek moet worden uitgevoerd, conform het besluit van minister Hillen. Gezien het laakbare optreden van [X] en zijn opstelling in de tuchtzaak kan het onderzoek niet meer door hem worden uitgevoerd. Er zal dus een nieuwe deskundige moeten worden aangesteld (…).

(…)

Conclusie
(…) Zoals gezegd sluit cliënt deze geschiedenis het liefst zo snel mogelijk af zodat voorkomen wordt dat er nog een slepende procedure volgt. Hij wil deze situatie echter wel afsluiten op een wijze die recht doet aan de schade die hij heeft geleden en de afspraken die zijn gemaakt. Dat de Staat de zaak op basis van het aantoonbaar ondeugdelijke onderzoek van dhr. [X] heeft willen afdoen is voor hem niet acceptabel. Hij meent dat zijn wens om op een zo kort mogelijke termijn tot overeenstemming te komen, aansluit bij de wens die destijds is geuit door minister Hillen en de afspraken die met hem zijn gemaakt.’
2.37. Kort samengevat concludeert De Boer in de brief van 12 september 2017 dus dat het voor [eiser] onacceptabel is dat de Staat de zaak op basis van het ‘aantoonbaar ondeugdelijke onderzoek van dhr. [X] ’ heeft willen afdoen. Volgens [eiser] is met het onderzoek van [X] geen opvolging gegeven aan het besluit van Hillen. Daarom zou [eiser] recht hebben op nakoming van dat besluit door een nieuw onderzoek uit te laten voeren. Als de Staat daartoe niet bereid zou zijn en ook anderszins niet tot een minnelijke regeling gekomen zou kunnen worden, dan is [eiser] – aldus nog steeds de brief van mr. De Boer – voornemens een bodemprocedure te starten.

2.38.

Mr. Bitter heeft bij brief van 9 oktober 2017 namens de Staat uitvoerig gereageerd op voornoemde brief. De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat met de benoeming en het onderzoek van [X] uitvoering is gegeven aan het besluit van Hillen. De Staat heeft aangegeven dat de brief van mr. De Boer geen aanknopingspunten biedt voor een nieuw onderzoek of voor verder overleg.

2.39.

Vervolgens heeft [eiser] de Staat op 5 november 2018 gedagvaard.

3
3. Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank de Staat bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot:

I. nakoming van de opdracht van Hillen en de Staat verplicht een nieuw onderzoek te gelasten conform die opdracht, ofwel de Staat op een wijze te laten nakomen die de rechtbank geraden acht;

II. tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat, die [eiser] heeft geleden als gevolg van de niet-nakoming door de Staat,

met de veroordeling van de Staat in de (na)kosten van dit geding, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente indien deze kosten niet zijn betaald binnen veertien dagen na de datum waarop het vonnis is gewezen.

3.2.

[eiser] legt – kort samengevat – aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag.

Ad I.
3.2.1. De Staat heeft het besluit van Hillen ondeugdelijk uitgevoerd. In de eerste plaats doordat Defensie zelf niet conform het besluit van Hillen heeft gehandeld door de zaak tijdens het deskundigentraject te (laten) juridiseren. Ten tweede doordat [X] de aan hem gegeven opdracht ondeugdelijk heeft uitgevoerd, in die zin dat aan het door hem verrichte deskundigenonderzoek aantoonbaar formele en materiële gebreken kleven. Gelet op het voorgaande lag het op de weg van Defensie om een nieuw dan wel aanvullend onderzoek te gelasten of zelf een aanbod te doen dat afweek van het advies van [X] om (alsnog) tot een definitief einde van het geschil te komen. Door dit niet te doen maar het advies van [X] integraal over te nemen, is Defensie in gebreke gebleven en is sprake van wanprestatie. Dit betekent dat op Defensie nog altijd de plicht rust om het besluit van Hillen op correcte wijze uit te voeren. Nu de rol van [X] inmiddels te controversieel is geworden, dient daartoe een geheel nieuw deskundigentraject/-onderzoek te worden geëntameerd.

Ad II.
3.2.2. [eiser] stelt schade te hebben geleden door het feit dat de Staat zijn verplichtingen jegens hem niet is nagekomen. De schade bestaat uit vermogensschade en immateriële schade. [eiser] vordert tevens vergoeding van deze schade en verzoekt in dat verband om verwijzing van de zaak naar een schadestaatprocedure dan wel hem de mogelijkheid te geven deze schade nader te onderbouwen in de context van deze procedure.

3.3.

De Staat verweer. Volgens de Staat is – kort gezegd – met de opdracht aan [X] , de volledige facilitering van het deskundigenonderzoek en de totstandkoming van het rapport uitvoering gegeven aan het besluit van Hillen. Voor zover de rechtbank ook relevant acht op welke wijze [X] zijn onderzoek heeft uitgevoerd, is de Staat van mening dat de door [eiser] gestelde tekortkomingen niet tot de conclusie kunnen leiden dat de Staat het besluit van Hillen niet deugdelijk heeft uitgevoerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4
4. De beoordeling
Kernvraag en toetsingskader
4.1.Kern van deze procedure is de vraag of Defensie het besluit van Hillen deugdelijk heeft uitgevoerd, in die zin dat Defensie alle uit dien hoofde op haar jegens [eiser] rustende verplichtingen is nagekomen. De rechtbank volgt de Staat niet in zijn primaire verweer dat hiervan reeds sprake is met het volledig faciliteren van het deskundigenonderzoek van [X] en de totstandkoming van het rapport. De rechtbank is, anders dan de Staat, van oordeel dat indien het rapport ondeugdelijk zou zijn, niet gezegd kan worden dat Defensie op een juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan het besluit van Hillen. Voor de beantwoording van de vraag of het rapport deugdelijk is – en daarmee voor de beantwoording van de kernvraag – is relevant of [X] het onderzoek heeft uitgevoerd conform de door partijen gezamenlijk aan [X] gegeven opdracht, die als nadere invulling van het besluit van Hillen kan worden gezien. Ook de inhoud van het rapport is relevant, in die zin dat om van een deugdelijke rapport te kunnen spreken de door [X] getrokken conclusies logisch moeten volgen uit de daaraan ten grondslag liggende feiten, omstandigheden en/of overwegingen. Daarbij geldt uitdrukkelijk niet – zoals [eiser] lijkt voor te staan – dat van een deugdelijk rapport en daarmee van nakoming pas sprake is op het moment dat het deskundigentraject zou resulteren in een advies (en aanbod) dat voor [eiser] acceptabel is. Het gaat erom of Defensie heeft mogen menen dat met het deskundigenonderzoek van [X] is voldaan aan het besluit van Hillen. Het voorgaande leidt ertoe dat hierna bij de beoordeling van de kernvraag niet alleen gekeken zal worden naar het gestelde tekortschietende handelen van Defensie voorafgaande aan en na het uitbrengen van het rapport, maar ook naar de gestelde tekortschietende handelswijze van [X] .

Inhoud en doel van het besluit van Hillen
4.2. Alvorens te kunnen beoordelen of met het deskundigenonderzoek van [X] is gehandeld conform het besluit van Hillen, dienen allereerst de inhoud en het doel daarvan te worden vastgesteld, nu partijen daarover van mening verschillen. Volgens [eiser] is het doel van het door Hillen opgedragen/toegezegde deskundigentraject (enkel) het – op grond van reeds vaststaande verwijtbaarheden en de overige geschilpunten – berekenen van zijn schade. De Staat betwist dit en heeft daartegenover aangevoerd dat Hillen een algehele beoordeling van het geschil en mogelijk een schadeberekening voorstond. De rechtbank volgt de Staat hierin en overweegt hiertoe als volgt. De uitleg die [eiser] voorstaat, volgt niet uit de door [eiser] in dit verband aangehaalde e-mail van mr. Pasman van
2 november 2012 (zie 2.25.). Hieruit blijkt slechts dat Hillen ‘de bemiddeling van een onafhankelijke derde (…) heeft toegezegd om de zaak snel tot een einde te brengen’. Met de bij dagvaarding geponeerde stelling dat [C] telefonisch heeft laten weten dat [eiser] een financieel deskundige mocht aanwijzen die de door [eiser] geleden en nog te lijden (im)materiële schade zou berekenen, wordt – zoals de Staat terecht heeft aangevoerd – een onjuiste invulling gegeven aan de tekst van die e-mail. De door [eiser] gestelde doelstelling en inhoud van het besluit van Hillen kan de rechtbank evenmin afleiden uit de aantekeningen die [eiser] heeft gemaakt van het gesprek met Hillen op 2 november 2012 (productie 18 bij dagvaarding). Ten slotte wijst [eiser] in dit verband nog op de volgende zinsnede uit de door partijen aan [X] gegeven opdrachtomschrijving:

‘bevat dit advies tevens de door de deskundige passend en toereikend geachte financiële vergoeding ter zake van de compensatie van alle door [eiser] ten gevolge van onrechtmatig en of verwijtbaar handelen en nalaten door (toedoen van en of namens) Defensie geleden en toekomstige schade (…)’
Ook dit citaat kan echter niet tot een ander oordeel leiden. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
4.3. Partijen hebben [X] de opdracht gegeven om het bij het besluit van Hillen opgedragen/toegezegde deskundigenonderzoek uit te voeren, waarbij de door partijen bij het besluit van Hillen voorgestane bedoelingen zijn verwoord in de aan [X] gegeven (ruime) opdrachtomschrijving waarover partijen overeenstemming hebben bereikt. Destijds was aldus in consensus dat [X] om te kunnen voldoen aan het besluit van Hillen zich een oordeel moest vormen over ‘alle tussen partijen gerezen geschillen’ oftewel over het gehele geschil en, ingeval van onrechtmatig en/of verwijtbaar handelen door (toedoen van en/of namens) Defensie, ook de daaruit voortvloeiende schade moest berekenen. Deze uitleg sluit tevens aan bij de inhoud van de eveneens in dit kader door [eiser] overgelegde e-mail en de daaruit blijkende bedoelingen van [C] d.d. 24 mei 2013 (productie 22 bij dagvaarding), die bij het gesprek met Hillen op 2 november 2012 aanwezig was. In die e-mail schrijft [C] ‘De afspraak met Hillen houdt in dat beide partijen een dossier aanleveren bij een onafhankelijke derde (…) die daar zijn licht over laat schijnen en tot een opvatting komt, zowel inhoudelijk als over de financiële kant van de zaak.(onderstreping rechtbank). Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een algehele beoordeling van het geschil door [X] en in voorkomend geval een schadeberekening werd voorgestaan. Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank geen aanleiding om op het door [eiser] gedane bewijsaanbod in de vorm van het horen van Hillen in te gaan en zal zij dit passeren.

4.4.

Vervolgens dient de rechtbank het handelen van Defensie en [X] te toetsen aan het doel en de inhoud van het besluit van Hillen en de in het verlengde daarvan gelegen opdracht aan [X] .
overmatig juridiseren
4.5. [eiser] verwijt Defensie in de eerste plaats dat zij de zaak in strijd met de bedoeling van het besluit van Hillen overmatig heeft gejuridiseerd. In dat verband verwijt [eiser] Defensie dat zij voorafgaande aan het deskundigenonderzoek heeft besloten de landsadvocaat in te schakelen. De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn standpunt dat hiermee het deskundigentraject door toedoen van de Staat overmatig is gejuridiseerd. De door de landsadvocaat namens Defensie en ten behoeve van [X] opgestelde standpuntenbepaling van 13 november 2013 is, anders dan [eiser] heeft aangevoerd, niet verregaand juridisch, terwijl bovendien gelet op de door partijen aan [X] gegeven opdrachtomschrijving aan enige vorm van juridisering niet viel te ontkomen. [X] moest – zoals hiervoor overwogen – blijkens de opdrachtomschrijving immers beoordelen in hoeverre sprake is geweest van onrechtmatig en/of verwijtbaar handelen van Defensie jegens [eiser] . De omstandigheid dat de landsadvocaat in voornoemde standpuntenbepaling weer alle geschilpunten aan de orde heeft gesteld, kan niet tot een ander oordeel leiden, nu een algehele beoordeling van het geschil de bedoeling was. Daar komt bij dat ook [eiser] zelf gedurende het hele deskundigentraject (en ook daarvoor en daarna) bijstand had van een advocaat, zodat voor [eiser] hetzelfde zou gelden. Ten slotte is de inschakeling van een advocaat gelet op de hoogte van de door [eiser] voorgestane schadevergoeding niet onredelijk.

4.6.

[eiser] verwijt ook [X] overmatige juridisering. Hierbij wordt gedoeld op de omstandigheid dat [X] in het rapport zeventien geschilpunten met betrekking tot hoofdonderwerp I (de tijdelijke ontzegging en de uitzending) afdoet op basis van de uitspraak van de bestuursrechter. Op dit kritiekpunt zal worden ingegaan bij de behandeling van de inhoudelijke bezwaren van [eiser] tegen het rapport van [X] .

geschiktheid van [X] als adviseur
4.7. [eiser] verwijt Defensie voorts dat zij geen jurist heeft aangesteld maar heeft toegelaten dat een rapport waarvoor ook een juridische analyse was vereist is opgesteld door een registeraccountant. [eiser] heeft echter zelf [X] voorgedragen als deskundige. Voorts heeft, zoals reeds overwogen, [eiser] zelf meebeslist over de formulering van de aan [X] gegeven opdrachtomschrijving, waarmee [eiser] kon voorzien dat het deskundigentraject in elk geval ook juridisch van aard zou zijn. De rechtbank is – met de Staat – van oordeel dat tegen die achtergrond achteraf aan Defensie niet kan worden tegengeworpen dat [X] niet geschikt was om het onderzoek te verrichten. Daaraan kan dan ook niet de conclusie worden verbonden dat sprake is van een tekortkoming in het deskundigenonderzoek en aldus het besluit van Hillen niet goed is uitgevoerd.

onzorgvuldig verloop van het onderzoek?
4.8. Volgens [eiser] voldoet het onderzoek van [X] niet aan de maatstaven die daaraan gesteld mochten worden op basis van het besluit van Hillen, de aan [X] gegeven opdrachtbeschrijving en het toepasselijke reglement. Aldus is sprake van een onzorgvuldig onderzoek waarmee geen definitief einde van het geschil kon worden bereikt. Defensie had dit moeten inzien en het advies niet mogen accepteren, aldus nog steeds [eiser] . De verschillende door [eiser] aangevoerde formele en inhoudelijke tekortkomingen zullen hierna achtereenvolgens worden besproken.
onvoldoende gehoord en aanval op karakter
4.9. [eiser] stelt dat hij zich onvoldoende gehoord voelde door [X] . Dit laat zich echter niet rijmen met de namens [eiser] ingediende, 39 pagina’s tellende standpuntenbepaling, met 40 bijlagen. Voorts staat in het rapport onder hoofdstuk 1.3 Verloop van het onderzoek dat (i) [eiser] heeft gereageerd op de namens de Staat ingediende standpuntenbepaling, (ii) sprake is geweest van e-mailverkeer over inhoudelijke en procedurele aspecten en (iii) gesprekken hebben plaatsgevonden tussen [X] en [eiser] . De rechtbank volgt [eiser] op dit punt dan ook niet. De eveneens in dit verband geponeerde stelling dat [X] niet bereid is gebleken alle door [eiser] aangedragen getuigen te horen, passeert de rechtbank als onvoldoende onderbouwd. De rechtbank volgt [eiser] ook niet in zijn stelling dat [X] alleen met getuigen heeft gesproken die het standpunt van de Staat ondersteunen. Uit het rapport volgt dat [X] onder meer gesproken heeft met [C] , die aan de kant van [eiser] stond. Zoals door de Staat terecht is aangevoerd, had [eiser] andere mogelijk van belang zijnde getuigen zelf kunnen vragen om verklaringen af te leggen en die bij [X] kunnen indienen. Ten slotte kan ook het feit dat [eiser] moeilijk kan leven met de kwalificaties die [X] op de pagina’s 81 tot en met 83 van zijn rapport geeft aan het handelen van [eiser] in de afgelopen jaren niet tot de conclusie leiden dat het onderzoek onzorgvuldig heeft plaatsgevonden en Defensie het onderzoek en het rapport in het kader van het besluit van Hillen dus niet had mogen accepteren. [X] heeft een en ander gebaseerd op zijn waardering van de feiten in deze zaak en zijn indrukken van [eiser] . [eiser] mag het daarmee niet eens zijn, maar dit betekent niet dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek.

gekleurde feitenweergave
4.10. Voort stelt [eiser] dat [X] bepaalde feiten teveel in het voordeel van de Staat heeft gepresenteerd en gewaardeerd. Blijkens de punten 115 en 118 van de dagvaarding zou het hierbij gaan om feiten met betrekking tot de hoofdonderwerpen I. en II. Nu [X] hoofdonderwerp I. over de tijdelijke ontzegging en de uitzending heeft afgedaan met een beroep op de uitspraak van de bestuursrechter, waarover hieronder meer, geldt dat zelfs als dit verwijt juist is – hetgeen de Staat uitdrukkelijk heeft betwist – dit geen invloed heeft gehad op het advies van [X] op dit punt.

4.11.

Met betrekking tot hoofdonderwerp II. stelt [eiser] dat [X] (i) de opmerking van [luitenant-Generaal] dat [eiser] ‘de objectieve kans op herintreding’ is ontnomen, (ii) de conclusie van NVP dat haar sollicitatiecode is geschonden (prod 3 bij dagvaarding) en (iii) het oordeel van mr. Pen dat (onder meer) sprake is geweest van valsheid in geschrifte door een valse afwijzingsgrond te gebruiken (zie 2.19.) heeft genegeerd door te stellen dat [eiser] op objectieve gronden is afgewezen. De rechtbank constateert – met de Staat – dat het citaat onder (i) onjuist is. In de bedoelde brief van [luitenant-Generaal] staat dat ‘deze sollicitatieprocedure daardoor geen objectieve kans van slagen heeft gehad’ (zie 2.22.). Voorts geldt dat [X] van voornoemde standpunten wel degelijk kennis heeft genomen via de standpuntenbepaling van [eiser] en de daarbij behorende bijlagen. De rechtbank verwijst in dit verband naar pagina 4 van het rapport, waar staat dat [X] (onder meer) genoemde standpuntenbepaling heeft geanalyseerd. [X] heeft in die standpunten echter geen aanleiding gezien om onrechtmatig dan wel verwijtbaar handelen ter zake van dit punt aan de zijde van Defensie aan te nemen. In hoeverre dit onlogisch of onterecht is, zoals door [X] is gesteld, zal aan de orde komen bij de inhoudelijk behandeling van de hoofdonderwerpen.

4.12.

De rechtbank verwerpt ten slotte eveneens het onder deze noemer aan [X] gemaakte verwijt dat Defensie geen informatie heeft overgelegd over het aantal horizontale instromers in 2001. [X] rapporteert in dit verband dat hij zonder de betreffende informatie niet heeft kunnen vaststellen of andere mogelijke herinstromers op dezelfde gronden als [eiser] zijn afgewezen. De rechtbank ziet niet in hoe [X] genoemde omstandigheid daarmee voor rekening van [eiser] heeft laten komen. Zoals de Staat terecht betoogt, betreft het slechts een vaststelling en geen oordeel in het nadeel van één van de partijen.
inschakeling derden
4.13. De omstandigheid dat [X] in strijd met het Reglement Advies buiten medeweten van [eiser] advies bij derden heeft ingewonnen en hiermee volgens de Accountantskamer en het CBb tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, betekent niet dat het rapport als zodanig dusdanig ondeugdelijk is dat de Staat het daarin opgenomen advies niet had mogen overnemen. Zoals de Staat terecht heeft aangevoerd, is dit gegeven niet van invloed op de beoordeling van onderhavige zaak, waar het gaat over de vraag of de Staat het besluit van Hillen is nagekomen. Dit geldt evenzeer voor de omstandigheden dat [X] zou hebben gelogen over de omvang van het bij derden ingewonnen advies en de Staat via de nota’s van [X] , waarin de betalingen aan [advocaat] en [loopbaanadviseur] waren gespecificeerd, op de hoogte was of kon zijn van de externe adviesinwinning. Voor zover [eiser] stelt dat het ingewonnen advies onjuist is, zal daarop worden ingegaan bij de inhoudelijke behandeling van de geschilpunten ten aanzien waarvan [X] advies heeft ingewonnen.

het ontbreken van een sociale en maatschappelijke paragraaf
4.14. [eiser] vecht tevens het ontbreken van een sociale en maatschappelijke paragraaf aan. Deze gestelde tekortkoming wordt eveneens verworpen, reeds omdat in de door partijen aan [X] verstrekte opdracht over dergelijke paragrafen niet wordt gesproken. Dat een en ander besproken zou zijn tussen [eiser] en [X] volgt niet uit het rapport en is ook overigens onvoldoende gebleken.

maximering van de uren van [X]
4.15. Voorts verwijt [eiser] Defensie dat zij de vergoeding aan [X] buiten medeweten van [eiser] heeft gemaximeerd. Vaststaat echter dat de Staat er geen enkel punt van heeft gemaakt toen bleek dat [X] meer uren zou besteden en alle rekeningen van [X] heeft betaald. Onder deze omstandigheden vermag de rechtbank – met de Staat – niet in te zien hoe deze handelswijze verwijtbaar zou zijn en welk nadeel dit voor [eiser] zou hebben opgeleverd.

logisch inconsistente dan wel feitelijk en/of juridisch onjuiste conclusies
4.16. Ook aan de door [X] getrokken conclusies kleven volgens [eiser] dusdanige tekortkomingen dat geoordeeld dient te worden dat Defensie zijn verplichtingen jegens [eiser] niet is nagekomen. De rechtbank komt hiermee toe aan de inhoud van het rapport. [eiser] stelt dat meerdere conclusies van [X] logisch inconsistent dan wel feitelijk en/of juridisch onjuist zijn. De rechtbank volgt [eiser] hierin niet. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Ad I. de tijdelijke ontzegging en de uitzending
4.17. Ten aanzien van hoofdonderwerp I. verwijt [eiser] de Staat dat [X] , op basis van het advies van [advocaat] , zeventien (de geschilpunten 1 t/m 10, 12 t/m 15, 17, 18 en 20) van de twintig ter zake van dit onderwerp door partijen vastgestelde geschilpunten inhoudelijk onbeoordeeld heeft gelaten op grond van de uitspraak van de bestuursrechter. Volgens [eiser] is deze handelswijze onverenigbaar met het besluit van Hillen en de aan [X] gegeven opdrachtomschrijving. [eiser] stelt daartoe dat in de opdrachtomschrijving staat ‘Met het oog op het tot stand brengen van een definitieve beëindiging van alle tussen partijen gerezen geschillen’.

4.18.

Juist is dat [X] op basis hiervan geen van de tussen partijen vastgestelde geschilpunten onbehandeld mocht laten. De rechtbank constateert echter dat hiervan ten aanzien van voornoemde zeventien geschilpunten ook geen sprake is. Hiertoe wordt verwezen naar hoofdstuk 3.1.3. van het rapport waarin [X] betreffende geschilpunten heeft weergegeven alsook naar hoofdstuk 4.2. waarin [X] zijn conclusie ten aanzien van die geschilpunten heeft toegelicht. [X] heeft deze zeventien geschilpunten afgedaan op basis van de uitspraak van de bestuursrechter. Hieraan heeft [X] ten grondslag gelegd dat nu er over deze geschilpunten een gerechtelijk (eind)oordeel lag, in het kader van zijn advies alleen mogelijke nieuwe (dat wil zeggen: niet bij de bestuursrechter bekend geworden en op dat moment niet voor [eiser] kenbare) feiten en omstandigheden van invloed kunnen zijn op de (her)beoordeling van dit geschilpunt.
4.19. [eiser] is primair van mening dat [X] bij de beoordeling van de geschilpunten niet de uitspraak van de bestuursrechter tot uitgangspunt heeft mogen nemen, maar de geschilpunten die betrekking hebben op de tijdelijke ontzegging en de uitzending zelfstandig had moeten beoordelen. Hij is subsidiair van mening dat [X] de leerstukken ‘formele rechtskracht’ en ‘ nova’ onjuist heeft toegepast.

4.20.

[eiser] voert ter onderbouwing van zijn primaire standpunt aan dat [X] zich gelet op de inhoud van zijn opdracht verre had moeten houden van juridische vraagstukken en aldus aan de uitspraak van de bestuursrechter voorbij had moeten gaan. [eiser] verwijst hiertoe naar de volgende passage uit de opdrachtomschrijving: ‘alle door [eiser] ten gevolge van onrechtmatig en of verwijtbaar handelen en nalaten door (toedoen van en namens) Defensie geleden en toekomstige schade (…)’. De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn stelling dat met deze opzet – waarbij [X] niet alleen moest oordelen over de onrechtmatigheid maar ook over de verwijtbaarheid van het handelen van Defensie – de ruimte is geboden om volledig voorbij te gaan aan het juridische kader. Zoals hiervoor al is overwogen, was met voornoemde wijze van formulering juist een bepaalde mate van juridisering te voorzien. Dit geldt wat betreft de handelswijze van [X] overigens nog te meer nu partijen met de accordering van het Reglement Advies zijn overeengekomen dat [X] zijn oordeel geeft met inachtneming van de op het geschil en het feitencomplex toepasselijke wet- en regelgeving. Uit de wet volgt dat onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraken, zoals in dit geval de uitspraak van de bestuursrechter, kracht van gewijsde hebben, en tussen partijen bovendien gezag van gewijsde hebben. De uitspraak van de bestuursrechter dat de Staat met betrekking tot de tijdelijke ontzegging en de uitzending niet onrechtmatig heeft gehandeld, heeft dus in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende rechtskracht zodat van die onherroepelijk vastgestelde rechtstoestand moet worden uitgegaan.

4.21.

De omstandigheid dat [X] zijn oordeel mede moest geven met inachtneming van ‘hetgeen hem in de gegeven omstandigheden redelijk en billijk acht gezien de omstandigheden van het geval’, kan evenmin tot de conclusie leiden dat [X] de zeventien geschilpunten zelfstandig had moeten beoordelen. Wat in de gegeven omstandigheden redelijk en billijk was, stond ter beoordeling van [X] . De rechtbank kan [X] gelet op het voorgaande in dat oordeel goed volgen.

4.22.

De eveneens in dit verband geponeerde stelling dat het Defensie duidelijk moest zijn dat daarmee geen definitieve beëindiging van het geschil zou worden bereikt, is gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat van nakoming van het besluit van Hillen pas sprake zou zijn op het moment dat het deskundigentraject zou resulteren in een advies dat voor [eiser] acceptabel zou zijn. Zoals hiervoor reeds overwogen, houdt deze uitleg van het besluit van Hillen geen stand.

4.23.

Bijkomende feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat [X] met voornoemde handelswijze is afgeweken van de aan hem verstrekte opdracht en het rapport op betreffend punt dus niet door de Staat mocht worden overgenomen, zijn niet door [eiser] gesteld en ook overigens niet gebleken.

4.24.

Het betoog van [eiser] dat met voornoemde handelswijze een cruciaal onderdeel van het rapport is onttrokken aan de juridische toetsing door [eiser] en zijn advocaat, passeert de rechtbank als onjuist. De Staat heeft immers, met zijn verwijzing naar de passage uit het op 23 maart 2014 aan partijen voorgelegde conceptrapport ‘De uitspraak van de rechtbank van 3 september 1997 vormt voor mij de basis voor de beoordeling van geschilpunt 1: de rechtmatigheid van het besluit over de tijdelijke ontheffing van de uitzending’, gemotiveerd gesteld dat [eiser] lopende het onderzoek er al mee bekend was dat [X] bij de beoordeling van hoofdonderwerp I. de uitspraak van de bestuursrechter als uitgangspunt zou nemen. Daar komt bij dat mr. Pasman blijkens de door [eiser] als productie 59 overgelegde e-mailcorrespondentie op 8 april 2014 op dat specifieke deel van het conceptrapport heeft gereageerd (zie 2.29.). Uit de conclusie van antwoord volgt dat dit is gebeurd door het plaatsen van concrete opmerkingen op de bewuste plek in het conceptrapport. Daarnaast heeft mr. Pasman ook in voornoemde begeleidende e-mail verschillende opmerkingen geplaatst bij de beslissing van [X] zich ten aanzien van hoofdonderwerp I. te conformeren aan de uitspraak van de bestuursrechter. [eiser] heeft aldus wel degelijk gelegenheid gehad om op betreffende handelswijze van [X] te reageren en heeft dit ook daadwerkelijk gedaan. De rechtbank constateert dat daarbij, anders dan in deze procedure, niet is gesteld dat het door [X] gekozen uitgangspunt in het kader van zijn opdracht principieel onjuist zou zijn. De reactie van mr. Pasman strekte er vooral toe het bereik van de uitspraak van de bestuursrechter zo beperkt mogelijk uit te leggen. [X] heeft echter geen aanleiding gezien zijn handelswijze aan te passen. Hierop stuit af de stelling van [eiser] dat het aannemelijk is dat indien [eiser] en zijn advocaat hun bezwaarpunten naar voren hadden kunnen brengen dit tot een ander advies op dit punt had geleid.

4.25.

Vervolgens komt de rechtbank toe aan het subsidiaire standpunt van [eiser] dat de conclusie van [X] op dit punt juridisch onhoudbaar is. [eiser] verwijt [X] dat hij met het gebruik van de uitspraak van de bestuursrechter als omschreven in hoofdstuk 3 van het rapport de leerstukken van formele rechtskracht en ‘nova’ ten onrechte in een andere context dan een bestuursrechtelijke procedure heeft toegepast. De rechtbank overweegt dat [X] niet voornoemde leerstukken maar die van de kracht van gewijsde en het gezag van gewijsde heeft toegepast. Dat zijn leerstukken waaraan [X] niet voorbij heeft kunnen gaan. Dit nog los van het feit dat het leerstuk van de formele rechtskracht ook in civiele procedures een rol kan spelen, en hier ook speelt.

4.26.

[eiser] heeft verder aangevoerd dat de Staat het advies van [X] niet had mogen overnemen omdat de bestuursrechter niet heeft geoordeeld over de vraag of de tijdelijke ontzegging rechtmatig dan wel verwijtbaar was. De bestuursrechter heeft zich daarover echter wel degelijk uitgelaten. Zo vermeldt de uitspraak van de bestuursrechter dat [eiser] destijds geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit waarin hem de leiding over de bewakingsgroep is ontzegd. De bestuursrechter overwoog dat dit ertoe leidde dat dit besluit daarom niet meer indringend kon worden getoetst, maar dat slechts met terughoudendheid kon worden bezien of het besluit in flagrante strijd is geweest met enige regel van geschreven of ongeschreven recht dan wel volstrekt onhoudbaar is. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting was de bestuursrechter van oordeel dat daarvan geen sprake was. De bestuursrechter heeft het besluit tot tijdelijke ontzegging van de leiding van de bewakingsgroep indertijd dus wel degelijk getoetst, zij het marginaal. Dat de bestuursrechter uitsluitend marginaal heeft kunnen toetsen is een gevolg van het feit dat [eiser] geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de tijdelijke ontzegging.

4.27.

Ten slotte stelt [eiser] met betrekking tot de juridische houdbaarheid van het advies van [X] op dit punt dat de bestuursrechter door waarde te hechten aan het feit dat Defensie ter zitting een actieve vorm van externe bemiddeling heeft toegezegd, heeft geoordeeld dat Defensie [eiser] iets verplicht was. Hierbij wordt gedoeld op de slotoverweging in de uitspraak van de bestuursrechter dat ‘de DPKL (…) met het aanbieden van een actieve vorm van externe bemiddeling alleszins correct heeft gehandeld’. Hieruit kan echter geen op onrechtmatigheid/verwijtbaarheid gestoelde verplichting tot bedoeld handelen worden afgeleid. De bestuursrechter heeft immers niet geoordeeld dat de Staat gehouden was actieve arbeidsbemiddeling aan te bieden omdat hij iets verwijtbaars zou hebben gedaan, maar uitsluitend dat correct is gehandeld door dit te doen. Hierop stuit ook de stelling van [eiser] af dat de vaststelling van [X] , dat de Staat zich niet tot het uiterste heeft ingespannen om ervoor te zorgen dat [eiser] na afloop van zijn tijdelijke contract een andere functie zou krijgen, afdoet aan de geldigheid van de uitspraak van de bestuursrechter in die zin dat die feitelijk en juridisch irrelevant is geworden

4.28.

De rechtbank concludeert dat [X] de uitspraak van de bestuursrechter tot uitgangspunt heeft mogen nemen bij zijn beoordeling van de geschilpunten met betrekking tot de tijdelijke ontzegging en de uitzending.

4.29.

De rechtbank is overigens van oordeel dat óók in het geval dat [X] uit hoofde van de aan hem verstrekte opdracht wel zelfstandig had moeten beoordelen of wat betreft de tijdelijke ontzegging en de uitzending sprake is van onrechtmatig en/of verwijtbaar handelen van Defensie jegens [eiser] de ter zake door [X] getrokken conclusie niet anders zouden zijn geweest. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

ten aanzien van de tijdelijke ontzegging
4.30. Uit het onder 2.3. genoemde onderzoek volgt dat de wijze van leidinggeven van eiser inhoudelijk de juiste was. Daarmee staat weliswaar de onrechtmatigheid van de tijdelijke ontzegging vast. De rechtbank is echter van oordeel dat deze onrechtmatigheid al toereikend is gerepareerd met de mondelinge en schriftelijke rehabilitatie en het getuigschrift. Eventuele reputatieschade is daarmee hersteld. Ten aanzien van eventuele vermogensschade heeft de Staat onweersproken gesteld dat gedurende de tijdelijke ontzegging het salaris aan [eiser] is doorbetaald. Van andere vormen van vermogensschade is niet gebleken.

ten aanzien van de uitzending
4.31. De Staat heeft bij brief van 15 februari 1995, bij besluit van 3 november 1995 en bij brief van 25 oktober 2006 gemotiveerd toegelicht hoe besloten is tot de uitzending van [eiser] . Kort gezegd komt het er op neer dat het Provinciaal Militair Commando Zuid-Holland aangewezen was om een officier voor uitzending te leveren en dat op basis van een inschatting van de ‘misbaarheid’ in algemene zin [eiser] is voorgedragen. Een en ander is ter zitting onderschreven door [B] , voormalig directeur Personeelsbeleid bij de Hoofddirectie Personeel van Defensie. Dat hierbij rekening zou zijn gehouden met het eerdere arbeidsconflict in die zin dat de uitzending bedoeld was om het arbeidsconflict in de doofpot te stoppen, zoals [eiser] stelt, is niet komen vast te staan. In tegendeel, naar eigen stelling van [eiser] was het hoofd van het Bureau rechtspositie beroeps bepaalde tijd van de Directie personeel niet van het spelende arbeidsconflict op de hoogte. Daar komt bij dat Defensie zelf de uitzending vanwege het arbeidsconflict heeft uitgesteld. Nu tevens vaststaat dat [eiser] na de uitzending in zijn oude functie is teruggekeerd, valt in de uitzending geen onrechtmatig handelen van Defensie te zien. Onder de gegeven omstandigheden van rehabilitatie en terugkeer van [eiser] in zijn oude functie geldt dit evenzeer voor het geval de uitzending - zoals door [eiser] gesteld en door de Staat betwist - als susperiode was bedoeld. Dit geldt te meer nu [eiser] heeft gesteld dat hij geen probleem had met de uitzending als zodanig, maar uitsluitend met het tijdstip van en de context ten tijde van het besluit tot uitzending.

4.32.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook ingeval de uitspraak van de bestuursrechter niet bij de beoordeling van de tijdelijk ontzegging en de uitzending betrokken zou zijn, de conclusie dat deze onderwerpen geen grondslag bieden voor enige schadevergoeding logisch en consistent is.

Ad II. de externe arbeidsbemiddeling
4.33. Hoofdonderwerp II. betreft de (onder meer) bij brief van 15 februari 1995 (zie 2.7.) door Defensie toegezegde actieve externe arbeidsbemiddeling om [eiser] een werkkring in de civiele wereld buiten Defensie te doen vinden (onderwerp 21). [eiser] is van mening dat Defensie die toezegging niet (voldoende) is nagekomen. [X] volgt [eiser] hier deels in. [X] concludeert in dit verband dat beide partijen een onvoldoende bijdrage hebben geleverd aan het niet vinden van een passende werkkring, waarbij hij een schulddeling van 2/3 (Defensie) en 1/3 ( [eiser] ) van toepassing acht nu enerzijds sprake is van verwijtbaar handelen en nalaten door (toedoen van en/of namens) Defensie en anderzijds van ‘eigen schuld’ aan de zijde van [eiser] . Hij concludeert verder dat hij ter zake van geschilpunt 2 geen grondslag ziet voor enige schadevergoeding door Defensie aan [eiser] met uitzondering van onderwerp 21 , zulks met inachtneming van genoemde schulddeling.

4.34.

[eiser] heeft terecht aangevoerd dat [X] aan voornoemde verwijtbare handelswijze van Defensie geen materiële schadevergoeding heeft gekoppeld. Anders dan [eiser] betoogt betekent dit echter niet dat het rapport van [X] daarmee onjuist is en dat de Staat daar niet op heeft mogen afgaan. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.35.

Hoewel aan [eiser] kan worden toegegeven dat het op het eerste gezicht erop lijkt dat sprake is van een inconsistentie in het rapport van [X] , is de rechtbank met de Staat van oordeel dat uit het vervolg van de overwegingen van [X] onder hoofdstuk 4.3 van het rapport, in combinatie met zijn overwegingen onder de hoofdstukken 5.2 en 5.3 van het rapport (zoals hierboven geciteerd onder 2.30), volgt dat [X] weliswaar vaststelt dat sprake is van verwijtbaar handelen aan de zijde van de Staat, maar dat hij van oordeel is dat daar geen materiële schade uit is voortgevloeid, althans dat er geen sprake is van een causaal verband tussen het niet-vinden van een werkkring buiten Defensie en het verwijtbaar handelen van Defensie. De rechtbank betrekt daarbij met name de passages waarin [X] overweegt dat er sprake was van een economisch gunstig klimaat om te solliciteren, en de passage waarin hij overweegt dat zolang er wrok is naar de oude werkgever, dat een geslaagde sollicitatie in de weg zal staan, en [eiser] zijn verleden echt zal moeten afronden voor hij verder kan met het zoeken van een andere werkkring. De rechtbank is van oordeel dat [X] klaarblijkelijk het oordeel was toegedaan dat ook als Defensie actiever zou zijn geweest in het aanbieden van externe bemiddeling dit er niet toe zou hebben geleid dat [eiser] eerder een baan zou hebben gevonden in de burgermaatschappij. Dat sluit ook aan bij de laatste alinea van het advies van [X] , waarin hij concludeert dat het causaal verband ontbreekt tussen de verwijtbare handelingen van Defensie en de gepretendeerde schade.

4.36.

De rechtbank acht deze gevolgtrekkingen van [X] niet onbegrijpelijk of onredelijk. De rechtbank betrekt daarbij in de overweging dat het niet zo is dat Defensie in het geheel geen arbeidsbemiddeling heeft aangeboden, maar volgens [X] onvoldoende. Uit de stukken blijkt dat er wel degelijk arbeidsbemiddeling heeft plaats gevonden. Uit de stukken blijkt echter ook dat [eiser] bij voorkeur een baan bij Defensie wilde, terwijl de toegezegde bemiddeling zag op een baan buiten Defensie in de burgermaatschappij. In dit verband is ook van belang dat de outplacementcoach in 2006 heeft opgemerkt dat door de diepe wens van [eiser] om bij Defensie aan de slag te gaan, een traject gericht op externe plaatsing niet tot succes leidt. Voorts weegt de rechtbank mee dat er op Defensie een inspanningsverplichting tot externe arbeidsbemiddeling rustte, en geen resultaatsverplichting met een baangarantie, zoals de Staat terecht heeft opgemerkt. Verder heeft [eiser] niet betwist dat er in de jaren ’90 sprake was van een economisch gunstig klimaat om te solliciteren, zoals [X] heeft vastgesteld. Onder deze omstandigheden heeft [X] kunnen concluderen dat er geen sprake was van een causaal verband tussen het verwijtbare handelen van Defensie en het niet-vinden van een baan door [eiser] en de daarmee samenhangende door [eiser] gestelde schade.

Ad III. de sollicitatie
4.37. Ten slotte is het voor [eiser] onbegrijpelijk hoe [X] tot de conclusie is gekomen dat [eiser] op objectieve gronden is afgewezen. Volgens [eiser] rechtvaardigen de omstandigheid dat hij acht jaar bewezen op KMA-OCO niveau heeft gefunctioneerd en zijn uitzending naar voormalig Joegoslavië geenszins de door Defensie gegeven afwijzingsgrond dat de combinatie van werkervaring en vooropleiding van [eiser] onvoldoende is gebleken. [eiser] is van mening dat de werkelijke reden van afwijzing is dat hij gelet op de voorgeschiedenis door Defensie als ‘probleemgeval’ werd beschouwd. Volgens [eiser] blijkt uit het feit dat hij in 2001 werd aangemerkt als ‘probleemgeval’ dat zijn rehabilitatie uitsluitend een papieren rehabilitatie is geweest, die in werkelijkheid niet leefde binnen Defensie, en dat zijn sollicitatie daardoor geen objectieve kans van slagen heeft gehad.

4.38.

Defensie heeft toegelicht dat de korte reserveofficieropleiding die [eiser] heeft gevolgd voldoende was voor zeer specifieke functies op basis van een tijdelijke aanstelling (bijv. veiligheidsofficier), zoals de functie die [eiser] indertijd bekleedde, maar niet voor een aanstelling voor onbepaalde tijd, waarop [eiser] solliciteerde. Daarbij gaat het namelijk om geschiktheid voor meerdere achtereenvolgende functies in oplopende rangen. Onder deze omstandigheden hoefde [X] het niet onredelijk te oordelen dat Defensie aan [eiser] bepaalde eisen stelde, zoals een minimale opleiding in combinatie met werkervaring.

4.39.

Uit de omstandigheid dat [eiser] ondanks het feit dat bij voorbaat duidelijk was dat hij niet aan de vereiste opleidingseisen voldeed toch werd uitgenodigd voor een gesprek kan niet worden afgeleid dat de afwijzing niet mede op deze grond zou mogen worden gebaseerd. Uit de door de Staat aan [X] gegeven input en ook de ter zitting door [B] gegeven verklaring volgt dat vooropleiding van groot maar niet van doorslaggevend belang was. Ingeval van een goede indruk tijdens een gesprek kon een sollicitant ondanks het ontbreken van de juiste vooropleiding toch geschikt geacht worden. [de kapitein] heeft deze indruk tijdens het gesprek echter niet gekregen.

4.40.

Ook heeft [X] kunnen concluderen dat de NB-opmerking dat [eiser] een ‘probleemgeval’ is (zie 2.16.) geen rol heeft gespeeld bij de afwijzing. Dat volgt uit het relevante tijdspad. Het sollicitatiegesprek tussen [eiser] en [de kapitein] vond plaats op
22 juni 2001. Uit de aantekeningen die [de kapitein] van dit gesprek heeft gemaakt blijkt dat [eiser] geen goede indruk maakte op [de kapitein] en dat deze op basis van zijn indrukken tijdens dit gesprek tot een negatief advies is gekomen. Vast staat dat [de kapitein] [eiser] niet kende, en ook niet van de voorgeschiedenis van [eiser] op de hoogte was. [de kapitein] is dus zelfstandig en zonder kennis van de voorgeschiedenis tot zijn negatieve oordeel gekomen. [de kapitein] heeft [eiser] vervolgens op 3 juli 2001 hiervan telefonisch op de hoogte gesteld. Pas daarna, op 26 juli 2001, dus nadat [de kapitein] zijn negatieve oordeel had gevormd en een negatief advies had gegeven, is het dossier door H-POZ ontvangen voor de formele afhandeling en is de bewuste NB-opmerking in het dossier geplaatst. Deze opmerking is gemaakt door iemand die niet bij het gesprek aanwezig was. De rechtbank concludeert dat [de kapitein] [eiser] op basis van zijn vooropleiding, werkervaring en het sollicitatiegesprek niet geschikt heeft bevonden, en dat de later geplaatste NB-opmerking niet van invloed is geweest op de oordeelsvorming en het negatieve advies van [de kapitein] , en dus ook niet op de afwijzing.

4.41.

De rechtbank kan zich voorstellen dat uit het feit dat in de formele afwijzingsbrieven is aangeknoopt bij het ontbreken van de juiste vooropleiding in combinatie met het verslag van [de kapitein] en met name gelet op de NB-opmerking, bij [eiser] de indruk is ontstaan dat hij is afgewezen louter vanwege zijn verleden. Uit het hiervoor weergegeven tijdspad blijkt echter dat dat niet het geval is, en dat de beslissing om hem af te wijzen al was genomen voordat de bewuste NB-opmerking werd gemaakt. Ook blijkt daaruit dat de beslissing zelfstandig is genomen door [de kapitein] , die op dat moment niet op de hoogte was van de achtergrond en voorgeschiedenis van [eiser] , en dat [de kapitein] die beslissing heeft gebaseerd zowel op zijn indruk van het gesprek als op de vooropleiding en werkervaring van [eiser] .

4.42.

[eiser] heeft er nog op gewezen dat [luitenant-Generaal] heeft gezegd dat [eiser] geen objectieve kans heeft gehad op herintreding bij Defensie. De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande blijkt dat [de kapitein] wel degelijk op objectieve gronden is afgewezen.

4.43.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat [X] in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat [eiser] op objectieve gronden een negatief advies van [de kapitein] voor herintreding bij Defensie heeft gekregen.

eindconclusie en proceskostenveroordeling

4.44.

Gelet op het voorgaande worden de vorderingen van [eiser] afgewezen.

4.45.

[eiser] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op € 626,- aan griffierecht en op € 1.086,- (2 punten x tarief II) aan salaris advocaat, aldus in totaal op € 1.712,-.

4.46.

Voor afzonderlijke veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116). De rechtbank zal de nakosten begroten zoals gevorderd.

4.47.

De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente zal als niet weersproken worden toegewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;
5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat begroot op € 1.712,- aan tot op heden gemaakte proceskosten en op € 131,- aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 68,- ingeval van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten en over de nakosten tot een bedrag van € 131,- vanaf de vijftiende dag na heden tot de dag van algehele voldoening en over de ingeval van betekening verschuldigde nakosten van € 68,- vanaf de vijftiende dag na betekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. B. Meijer en in het openbaar uitgesproken op
23 oktober 2019.


type:1486
coll: 1712