Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:12168

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-11-2019
Datum publicatie
22-11-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6724
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

13b Opiumwet, woningsluiting, afwijzing voorlopige voorziening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR AWB 19/6724

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 november 2019 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. M. Bosma),

tegen

de waarnemend burgemeester van Den Haag , verweerder

(gemachtigden: [A] , [B] ).

Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekers gelast de woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning) gesloten te houden voor een periode van in totaal zes maanden, ingaande op 28 oktober 2019 en eindigend op 28 april 2020.

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de werking van het primaire besluit opgeschort tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2019. Verzoekster [verzoeker 2] is daarbij verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Uit de bestuurlijke rapportage van de politie, basisteam Zuiderpark van de Eenheid [plaats] , van 20 augustus 2019 blijkt dat eerder een strafrechtelijk onderzoek naar verzoeker [verzoeker 1] is gestart naar aanleiding van een rapportage van het Team Criminele Inlichtingen. Tijdens een onderzoek naar de woning aan de [adres] zijn - onder meer - de volgende goederen aangetroffen:

- 21,7 gram MDMA;

- 2266,6 gram aan cocaïne;

- een stiletto en een boksbeugel;

- in totaal € 225.320,-- in contanten, in verschillende coupures;

- verscheidene hoeveelheden vreemde valuta (Britse Ponden, Surinaamse dollars en Colombiaanse peso).

De woning aan de [adres] is eigendom van verzoekers.

Vervolgens heeft doorzoeking plaatsgevonden van een door verzoekers gebruikte garagebox aan de [adres] te [plaats] .

Daarbij zijn - onder meer - de volgende goederen aangetroffen:

-50,9 gram MDMA;

- 20 bolletjes cocaïne met een bruto gewicht van 203 gram.

Verzoekers hebben de vondst van bovengenoemde zaken niet bestreden.

3. Op grond van de bovengenoemde bestuurlijke rapportage acht verweerder zich bevoegd tot sluiting van de woning op grond van artikel 13b, eerste lid van de Opiumwet over te gaan. MDMA en cocaïne staan vermeld op lijst I van de Opiumwet. Nu een aanzienlijke handelshoeveelheid (hard)drugs is aangetroffen in de woning en de garagebox, kan hieraan het ernstige vermoeden worden ontleend dat de drugs hier aanwezig waren ter verkoop, aflevering of verstrekking.

Op basis van alle feiten en omstandigheden en met inachtneming van de Beleidsregel artikel 13b Opiumwet inzake woningen, lokalen en publiek toegankelijke inrichtingen, niet zijnde een horeca-, of seksinrichting (de Beleidsregel) acht verweerder de tijdelijke sluiting van de woning voor de duur van zes maanden passend en stelt dat niet met een waarschuwing kan worden volstaan.

Hierbij heeft verweerder het volgende van belang geacht: de hoeveelheid van de aangetroffen middelen als bedoeld in lijst I en/of II van de Opiumwet (indicator a), de mate waarin de woning betrokken is bij drugshandel (indicator b), de omstandigheid dat sprake is van een of meer (vuur)wapen(s)/verboden wapenbezit als bedoeld in de Wet wapens en munitie (indicator d), de omstandigheid dat er een vermoeden is van verwijtbaarheid van de bewoner(s)/betrokkenen (indicator e), de omstandigheid dat sprake is van een combinatie van middelen als bedoeld in lijst I en lijst II van de Opiumwet (indicator h), de mate van gevaar voor de omgeving en de mate van risico voor omwonenden (indicator i) en de aannemelijkheid dat behalve de woning of het daarbij behorende erf nog een of meer locaties betrokken zijn bij drugshandel (indicator l).

Volgens verweerder bestaat gezien deze indicatoren aanleiding om de verstoring van de openbare orde zeer groot te achten en de woning voor de duur van zes maanden te sluiten.

4. Verzoekers kunnen zich niet verenigen met het primaire besluit en hebben hiertoe – samengevat weergegeven – aangevoerd dat de sluiting niet alleen verzoekers treft, maar ook hun drie minderjarige kinderen, waarvan één een nabijgelegen school bezoekt. Verder hebben zij aangevoerd dat verzoekster niet op de hoogte was van hetgeen zich in de woning afspeelde. Met een lichtere maatregel, zoals een waarschuwing, kan worden volstaan. De enkele aanwezigheid van drugs en een grote hoeveelheid contant geld betekent nog niet dat sprake zou zijn van verkoop, aflevering, verstrekking of andere vormen van drugshandel vanuit de woning. Niet is gebleken dat sprake is van langdurige ernstige inbreuk op de openbare orde, veiligheid en kwaliteit van het woon- en leefmilieu. Ook is niet gebleken van overlast of verstoring van de openbare orde.

5 De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraak van 11 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2362) heeft overwogen, dient aan de voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting van een woning – die een inmenging in het in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden neergelegde recht kan vormen – een zwaar gewicht te worden toegekend bij de beoordeling van de vraag of verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken en, zo ja, of de wijze waarop de bevoegdheid is toegepast evenredig is. De Afdeling heeft onlangs in de uitspraak van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912) het toetsingskader voor het sluiten van woningen aan de hand van zijn eerdere rechtspraak op hoofdlijnen uiteengezet.

De voorzieningenrechter neemt dit toetsingskader in acht en overweegt als volgt over het door verzoekers ingediende verzoek om een voorlopige voorziening.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 14 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:851) is persoonlijke verwijtbaarheid niet vereist voor toepassing van de bevoegdheid tot woningsluiting van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Bovendien staat de bestuursrechtelijke bevoegdheid van verweerder los van een eventuele strafrechtelijke procedure.

De vraag of verzoekers een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt kan wel aan de orde komen in het kader van de beoordeling van de evenredigheid van de sluiting.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers niet aannemelijk gemaakt dat de sluiting van de woning onevenredig is.

Daartoe wordt overwogen dat nu uit de bestuurlijke rapportage naar voren komt dat in verscheidene kamers van het huis verschillende substantiële hoeveelheden harddrugs, grote hoeveelheden contant geld en attributen die wijzen op drugshandel zijn aangetroffen, het niet aannemelijk wordt geacht dat [verzoeker 2] hiervan niet op de hoogte was. Dat volgens diezelfde rapportage blijkt dat de minderjarige zoon van verzoekers bij de inval heeft gepoogd een tas met een grote hoeveelheid contant geld met zich mee te nemen naar het dak, wijst erop dat het oudste kind kennelijk op de hoogte was van de inhoud van deze tas. Niet valt in te zien immers dat hij dit zou hebben gedaan indien de tas – zoals verzoekers hebben gesteld – een uit Suriname verkregen erfenis in contanten zou bevatten.

De voorzieningenrechter ziet daarom op voorhand niet in dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet om de woning voor de duur van zes maanden te sluiten. Dat volgens verzoekers geen sprake was van overlast, maakt evenmin dat de sluiting gelet op de nadelige gevolgen voor verzoekers onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, waaronder beëindiging en voorkoming van de aanwezigheid van een grote handelshoeveelheid verdovende middelen en een grote hoeveelheid contant geld in de woning.

Verzoekers hebben verder betoogd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de rechten van de inwonende minderjarige kinderen, zoals neergelegd in artikel 3 van het IVRK. De voorzieningenrechter ziet echter geen grond voor het oordeel dat verweerder zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de minderjarige kinderen van verzoekers als bedoeld in artikel 3 van het IVRK. Verweerder heeft ter zitting onweersproken gesteld dat verzoekers recentelijk in een nabijgelegen straat een ander pand (hypotheekvrij) in eigendom hebben verkregen en aanzienlijke sommen geld op hun bankrekening hebben staan. Niet valt derhalve vol te houden dat verzoekers door de woningsluiting met hun kinderen op straat zouden komen te staan.

6 Naar verwachting zal het primaire besluit in bezwaar in stand blijven, zodat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af.

7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.