Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:12154

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-05-2019
Datum publicatie
18-11-2019
Zaaknummer
AWB 19/3465
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vrijwillig vertrek, omdat geen sprake is van uitzetting is geen sprake van een feitelijke handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw. De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/3465

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 mei 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker,

gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils.

Procesverloop

Bij brief van 3 mei 2019 heeft verweerder meegedeeld aan verzoeker dat hij op 7 mei 2019 om 12:20 uur zal uitreizen naar Athene, Griekenland met vlucht KL1575 .

Verzoeker heeft op 6 mei 2019 bezwaar gemaakt. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Partijen hebben stukken ingediend en zijn telefonisch in de gelegenheid gesteld om op hetgeen zij over en weer naar voren hebben gebracht te reageren. De voorzieningenrechter heeft op 6 mei 2019 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter ziet aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Er is immers geen sprake van een gedwongen uitzetting, maar van vrijwillige terugkeer. Indien en voor zover verzoeker besluit niet aan boord van het vliegtuig te stappen, zal hij daartoe niet gedwongen worden door verweerder. Het weigeren om zelfstandig te vertrekken kan mogelijk in de toekomst leiden tot een gedwongen vertrek uit Nederland, maar daar kan op dit moment niet op vooruit worden gelopen, aldus verweerder.

3. Verzoeker betwist dat sprake is van vrijwillig vertrek. Als verzoeker niet meewerkt aan het vertrek, dan zal hij in vreemdelingenbewaring gesteld worden. Verzoeker werkt daarom mee met de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V), maar wil niet naar Griekenland. Daarnaast is de DT&V niet bereid om de vlucht te annuleren, hetgeen volgens verzoeker voldoende zegt over de mate van vrijwilligheid van het vertrek.

4. De voorzieningenrechter staat voor de vraag of zij bevoegd is tot behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening. Dit gelet op het bepaalde in artikel 8:81, eerste lid van de Awb, waarin – onder meer en voor zover hier van belang – is bepaald dat de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt. Vast staat dat verzoeker bezwaar heeft gemaakt. Gelet op het bepaalde in artikel 8:1 van de Awb kan tegen een besluit beroep worden ingesteld. In artikel 72, derde lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) is met een beschikking gelijkgesteld een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig. Een feitelijke uitzetting wordt aangemerkt als een zodanige handeling. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een uitzetting. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:430), is in artikel 1 van de Vw geen omschrijving van het begrip uitzetting gegeven, maar blijkt uit de memorie van toelichting bij de voordien geldende Vreemdelingenwet (Kamerstukken II, 1962-1963, 7163, nr. 3, p. 12) dat in het ontwerp van die wet de grondwettelijke term uitzetting is gebezigd voor alle gevallen van verwijdering met de sterke arm uit het Rijk en is in paragraaf A4/1.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals deze destijds luidde, bij deze omschrijving aangesloten. Het is bij uitstek de dwang waaronder het vertrek van de desbetreffende vreemdeling plaatsvindt die maakt dat sprake is van uitzetting, aldus de Afdeling in die uitspraak. Uit de door verweerder gegeven informatie blijkt dat geen sprake is van dwang. Immers, verzoeker heeft de keuze wel of niet te vertrekken op 7 mei 2019. Nu er geen sprake is van een uitzetting, is de voorzieningenrechter van oordeel dat evenmin sprake is van een feitelijke handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een bezwaar dat voorafgaat aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter en zal zich daarom onbevoegd verklaren. Nu geen sprake is van een beslissing op bezwaar, is ook om die reden geen sprake van een besluit waartegen beroep kan worden ingesteld en geen aanleiding op grond daarvan alsnog de bevoegdheid van de voorzieningenrechter aan te nemen.

5. De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. K.A. Linthout, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 6 mei 2019.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.