Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:12141

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-11-2019
Datum publicatie
21-11-2019
Zaaknummer
NL18.23586
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kind, procesbelang, besnijdenis jongers, Nigeria, 3 EVRM, Resuoluties Raad van Europa

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2020/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.23586


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: mr. J.M. van Leeuwe-Hokke en mr. R.A.P.M. van der Zanden).

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw1.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. van Leeuwe-Hokke.

Bij mondelinge uitspraak van 31 juli 2017, met zaaknummer AWB 17/9415, heeft deze rechtbank, deze zittingsplaats, het beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 1 oktober 2018, zaaknummer 201706929/1/V1, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het hoger beroep tegen de uitspraak van 31 juli 2017 gegrond verklaard, deze uitspraak vernietigd, en de zaak naar de rechtbank teruggewezen.

Verweerder heeft op 30 oktober 2019 een verweerschrift ingediend.

De vervolgzitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2019. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich tijdens deze vervolgzitting laten vertegenwoordigen door mr. R.A.P.M. van der Zanden.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Zijn moeder, [naam 2] , heeft namens eiser aangevoerd dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst heeft te vrezen voor besnijdenis.

2. In het bestreden besluit is bepaald dat eisers moeder in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, met ingang van 27 oktober 2015, geldig tot 27 oktober 2020. Eiser heeft bij hetzelfde besluit een verblijfsvergunning asiel gekregen op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw, met ingang van 27 oktober 2015, geldig tot 27 oktober 2020. Weliswaar wordt de gestelde vrees voor besnijdenis gevolgd, maar dat leidt volgens verweerder niet tot een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, of b, van de Vw. Vrees voor besnijdenis is niet te herleiden tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag, artikel 10 van de Kwalificatierichtlijn2 of artikel 3.37 van het VV3. Verder vindt verweerder de gestelde vrees niet zwaarwegend genoeg voor verlening van een asielvergunning op grond van artikel 3 van het EVRM4. Tot slot is verweerder van mening dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt om tegen zijn wil te worden onderworpen aan besnijdenis.

3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij recht heeft op een zelfstandige asielvergunning. Verweerder heeft volgens eiser miskend dat eiser bij terugkeer te vrezen heeft voor ernstige schade. Verweerder is er terecht van uitgegaan dat besnijdenis bij jongens in Nigeria gemeengoed is. Verder heeft verweerder eiser gevolgd in zijn vrees voor besnijdenis bij terugkeer. Omdat jongensbesnijdenis gemeengoed is, is er voldoende grond om uit te gaan van een reëel en voorzienbaar risico, aldus eiser. Eiser wijst erop dat de omstandigheid dat meisjesbesnijdenis gemeengoed is, voor verweerder tegenwoordig geen reden meer is om een asielaanvraag af te wijzen. Met de overweging dat jongensbesnijdenis gemeengoed is en daarom niet voldoende ernstig, maakt verweerder een ongeoorloofd onderscheid tussen jongens en meisjes, aldus eiser.

4. In het verweerschrift is erop gewezen, onder verwijzing naar bronnen5, dat de beslissing over besnijdenis van eiser primair bij de vader ligt, maar dat de moeder beslist als de vader buiten beeld is, zoals in dit geval. De moeder van eiser wil niet dat eiser besneden wordt en reeds daarom is er geen reëel risico dat eiser tegen zijn wil besneden wordt. Verder blijkt uit deze bronnen ook dat in Nigeria besnijdenis bij jongens veelal plaatsvindt in het tijdvak van vlak na de geboorte totdat het kind zeven jaar oud is. Gelet op de leeftijd van eiser (zes jaar en vier maanden) acht verweerder het niet aannemelijk dat eiser terugkeert naar Nigeria voordat hij zeven jaar oud is.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Anders dan de rechtbank eerder heeft geoordeeld6, moet ervan uit worden gegaan dat eiser belang heeft bij het beroep, omdat hij door verlening van de door hem gewenste (zelfstandige) asielvergunning in een gunstiger positie komt doordat dit verblijfsrecht niet afhankelijk is van dat van zijn moeder.

6. In geschil is, gelet op de beroepsgronden en de ter zitting uitgewisselde standpunten van partijen, of jongensbesnijdenis moet worden aangemerkt als ‘ernstige schade’, als bedoeld in artikel 3 van het EVRM en of er bij terugkeer van eiser naar Nigeria een reëel risico is dat eiser besneden zal worden.

7. Wat betreft de gestelde ernstige schade heeft de rechtbank kennisgenomen van de door partijen, ter ondersteuning van hun eigen standpunt, aangehaalde resoluties van de Raad van Europa7. Uit beide resoluties kan worden afgeleid dat besnijdenis van jongens uitsluitend toelaatbaar kan worden geacht als aan een aantal voorwaarden (onder meer van medische en hygiënische aard) wordt voldaan. Bij gebrek aan informatie over de feitelijke omstandigheden waaronder jongensbesnijdenis in Nigeria plaatsvindt, kan daarom niet zonder meer worden aangenomen dat besnijdenis in dat land niet als ‘ernstige schade’ in de zin van artikel 3 van het EVRM is aan te merken. In zoverre bevat het bestreden besluit geen deugdelijke motivering. Het beroep is om die reden dan ook gegrond wegens schending van artikel 3:46 van de Awb8 en het bestreden besluit zal worden vernietigd.

8. De vraag of er ook een reëel risico is dat eiser daadwerkelijk tegen zijn wil zal worden onderworpen aan besnijdenis, heeft verweerder in het bestreden besluit ontkennend beantwoord. In het verweerschrift is dat standpunt nader onderbouwd aan de hand van de daarin vermelde bronnen. Anders dan eiser heeft aangevoerd, is de enkele stelling dat jongensbesnijdenis gemeengoed is, niet voldoende om te komen tot een reëel en voorzienbaar risico van ernstige schade. Uit de door verweerder aangehaalde bronnen blijkt immers dat, als de vader buiten beeld is, de moeder het laatste woord heeft als het gaat om jongensbesnijdenis. In het geval van eiser is de vader buiten beeld en heeft de moeder kenbaar gemaakt dat zij daartegen is. De stelling ter zitting van eiser dat sociale druk in het land van herkomst ertoe leidt dat de besnijdenis toch zal plaatsvinden, mist een deugdelijke onderbouwing. Uit diezelfde bronnen blijkt verder dat in Nigeria jongensbesnijdenissen veelal plaatsvinden tot de zevenjarige leeftijd. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser de zevenjarige leeftijd al bijna heeft bereikt en dat het niet te verwachten is dat eiser voor die tijd zal terugkeren naar Nigeria, gelet op het feit dat eiser en zijn moeder een verblijfsvergunning hebben. De stelling van eiser ter zitting dat de moeder voor die datum kan komen te overlijden, behelst louter een toekomstig onzekere gebeurtenis.

9. De rechtbank concludeert dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat er geen reëel risico is dat eiser tegen zijn wil zal worden besneden in het land van herkomst. Dit standpunt kan de afwijzing van de door eiser gewenste zelfstandige asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw dragen. Om die reden zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb alle rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten.

10. Omdat het beroep gegrond is en het bestreden besluit wordt vernietigd, is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.280 voor rechtskundige bijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1,5 punt voor het verschijnen op twee zittingen, met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat alle rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten, ten bedrage van € 1.280 (twaalfhonderdentachtig euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Loonstra-Hoekstra, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

1 Vreemdelingenwet 2000

2 Richtlijn (EU) nr. 2011/95

3 Voorschrift Vreemdelingen 2000

4 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

5 Een bericht van ACCORD van 13 februari 2019, met de daarin aangehaalde bron (USAID van mei 2012), https://www.ecoi.net/en/document/1458057.html

6 In de uitspraak van 31 juli 2017 die bij uitspraak van 1 oktober 2018 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is vernietigd.

7 Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa, Resolutie 1952 (2013) en Resolutie 2076 (2015)

8 Algemene wet bestuursrecht.