Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:12129

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
19-11-2019
Zaaknummer
AWB 18/9693
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond.

Nareis.

Unieburger.

Nederlander.

Naturalisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/9693

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] (V-nr [nummer] ) eiser,

[naam 2] (V-nr [nummer 2] ), eiseres,

gezamenlijk te noemen: eisers,

gemachtigde: mr. M. Timmer,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. J. Visschers.

Procesverloop

Eiser heeft op 17 december 2019 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 november 2019 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 19 september 2019. Eiseres is ter zitting verschenen bij haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] en de Somalische nationaliteit te bezitten. Zij is de dochter van eiser. Eiser heeft als referent voor eiseres op 8 juli 2010 een aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (nareisaanvraag) gedaan. Over deze nareisaanvraag is op 5 augustus 2010 een negatief advies uitgebracht.

2. Eiser is op 5 maart 2016 genaturaliseerd tot Nederlander.

3. Op 30 november 2016 heeft eiser opnieuw voor eiseres een nareisaanvraag ingediend. Bij besluit van 24 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, omdat eiser op het moment van het indienen van de aanvraag niet meer voldeed aan de voorwaarden van artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat eiser is genaturaliseerd en dat hij geen houder is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard.

4. Eisers hebben betoogd dat eiser het recht op nareis van zijn familieleden heeft veiliggesteld met zijn eerste nareisaanvraag. De huidige nareisaanvraag moet volgens hem worden beoordeeld naar de toestand ten tijde van de eerste nareisaanvraag. Eisers menen verder dat de gunstiger voorwaarden voor gezinshereniging van vluchtelingen, als bedoeld in de Gezinsherenigingsrichtlijn, van toepassing zijn. De naturalisatie van eiser mag hier volgens hen niet aan afdoen omdat eiser ooit gedwongen is geweest zijn land te ontvluchten. In zoverre onderscheidt hem dat van unieburgers die nooit internationale bescherming hebben genoten.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Op grond van het bepaalde in artikel 29, tweede lid en vierde lid, van de Vw kan een nareisvergunning worden verleend aan de aldaar genoemde gezinsleden van een vreemdeling aan wie een asielvergunning voor bepaalde tijd is verleend (de referent). Het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd aan de referent neemt de mogelijkheid van een nareisvergunning echter niet weg1.

7. Of aan het bepaalde in artikel 29, tweede of vierde lid van de Vw wordt voldaan, moet in beginsel worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden ten tijde van de nareisaanvraag, in dit geval 30 november 2016. Daarbij geldt op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw als vereiste dat de nareizende vreemdeling moeten behoren tot het gezin van de referent op het tijdstip dat deze laatste Nederland is binnengekomen. Verder dient het moment waarop aan de referent een asielvergunning is verleend als peilmoment voor de berekening van de termijn van drie maanden waarbinnen om nareis moet worden verzocht. Deze beide momenten zijn echter niet van invloed op de beoordeling van de vraag of ten tijde van de aanvraag sprake is van een vreemdeling aan wie een asielvergunning is verleend.

8. Eiser is sinds het verkrijgen van het Nederlanderschap op 5 maart 2016 geen vreemdeling meer in de zin van de Vw2. Gelet hierop voldeed eiser ten tijde van zijn aanvraag niet meer aan de voorwaarden om als referent te worden aangemerkt en kon eiseres om die reden niet meer nareizen.

9. Met het verkrijgen van het Nederlanderschap is eiser daarnaast Unieburger geworden en is de Gezinsherenigingsrichtlijn daarmee niet meer op eisers van toepassing3.

10. De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat eiser vanwege zijn oorspronkelijke vluchtelingenrechtelijke achtergrond moet worden onderscheiden van andere Unieburgers. Daarbij is van belang dat eiser zelf heeft gekozen voor het Nederlanderschap en daarmee afstand heeft gedaan van zijn status als vreemdeling, met de daaraan verbonden rechten en plichten. Eisers kunnen overigens nog steeds gebruik maken van de reguliere gezinsherenigingsprocedure.

11. Het bezwaar van eisers tegen het weigeren van een nareisvergunning is daarom terecht ongegrond verklaard. Gelet op de gronden van bezwaar en de inhoud van het primaire besluit heeft verweerder kunnen concluderen dat het bezwaar naar objectieve maatstaven bezien niet kon leiden tot een andersluidend besluit. Verweerder heeft daarom van het horen van eisers op het bezwaar kunnen afzien.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2019.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 16 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1174.

2 Artikel 1 van de Vw. vreemdeling: ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld.

3 Richtlijn 2003/86/EG, artikel 3, derde lid.