Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:12108

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
15-11-2019
Zaaknummer
NL19.17781
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie
-
Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.17781


uitspraak van 10 september 2019 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. C.C. Westermann-Smit),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: drs. F. Gieskes).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening met nummer NL19.17782, plaatsgevonden op 20 augustus 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen F. Haloob. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt staatloos Palestijn te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.

2.1

Eiser heeft op 20 juni 2018 een aanvraag gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 15 januari 2019 heeft verweerder deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Hiertegen heeft eiser beroep ingediend. Bij uitspraak van 5 februari 2019 van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, is het beroep van eiser gegrond verklaard (NL19.1005), het besluit vernietigd en heeft de rechtbank verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag. Verweerder heeft daartegen hoger beroep ingediend en een voorlopige voorziening gevraagd. Op 25 februari 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) de voorlopige voorziening aan verweerder toegewezen, dat geen nieuw besluit hoeft te worden genomen totdat op het hoger beroep is beslist. Bij uitspraak van 15 april 2019 (zaaknummer 201901279/1/V3) van de Afdeling is het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard en is de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Afdeling heeft in voornoemde uitspraak – kort weergegeven – het volgende overwogen:

- De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het Bureau Medische Advisering (BMA) ook zonder de informatie van de meest recente behandelaren een medisch advies kon uitbrengen, op basis van de medische informatie die wel beschikbaar was of op basis van eigen onderzoek.

- De rechtbank heeft wel terecht overwogen dat verweerder ten onrechte aan het besluit van 15 januari 2019 geen inhoudelijke medisch advies van het BMA ten grondslag heeft gelegd. Daardoor kleeft er aan het besluit een zorgvuldigheidsgebrek.

2.2

Op 21 mei 2019 is opnieuw aan het BMA gevraagd om advies uit te brengen inzake de gezondheidstoestand van eiser. Op 17 juli 2019 heeft het BMA een inhoudelijk advies afgegeven.

3. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening (Verordening (EU) nr. 604/2013) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat een beroep op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië (ECLI:EU:C:2017:127, hierna aangeduid als: het arrest C.K.). niet kan slagen. Gelet daarop kan eiser worden overgedragen aan Frankrijk.

4. Eiser voert allereerst aan dat Nederland ingevolge artikel 29, derde lid, Verordening 604/2013 al verantwoordelijk is geworden. Uit de bewoordingen van artikel 29, derde lid, kan worden afgeleid dat na een vernietiging van een overdrachtsbesluit in beroep de verzoekende lidstaat verantwoordelijk wordt. De plicht voor een lidstaat de betrokkene die reeds is overgedragen onmiddellijk terug te nemen na vernietiging van het overdrachtsbesluit, impliceert immers dat die lidstaat geacht wordt de verantwoordelijke lidstaat te zijn. Gelet op de vernietiging van het overdrachtsbesluit door de rechtbank op 5 februari 2019 is Nederland op die datum verantwoordelijk geworden.

4.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat met de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2019 het verzoek om een voorlopige voorziening in deze zaak is toegewezen en dat met de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2019 in onderhavige zaak de overdrachtstermijn van zes maanden pas is aangevangen. Verweerder verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling van 28 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2170) en 27 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3506).

4.2.1

In artikel 29, derde lid Verordening 604/2013 is het volgende bepaald: “Indien een persoon ten onrechte is overgedragen of indien een overdrachtsbesluit in beroep of bezwaar wordt vernietigd nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, neemt de lidstaat die de overdracht heeft verricht, de betrokkene onmiddellijk terug”.

4.2.2

De rechtbank stelt vast, dat uit de bewoordingen van dit artikel uitdrukkelijk blijkt dat het om een situatie gaat waarin overdracht reeds heeft plaatsgevonden. Een dergelijke situatie is hier niet aan de orde. De grond slaagt niet.

5. Eiser voert vervolgens aan dat de overdrachtstermijn gelet op artikel 27, derde lid, sub c in samenhang met artikel 29 Verordening 604/2013 al verlopen is. Met het claimakkoord van 31 augustus 2018 is de termijn van zes maanden verstreken op 28 februari 2019. Na die datum is er immers geen sprake geweest van opschortende werking in de zin van artikel 27, derde lid, Verordening 604/2013. De in hoger beroep aan verweerder toegewezen voorlopige voorziening kan niet als zodanig worden gezien. Ten eerste niet omdat artikel 27, derde lid geen hoger beroep bestrijkt en de werking van Verordening 604/2013 niet kan worden uitgebreid met de algemene bevoegdheid tot opschortende werking op grond van een nationale regeling. Ten tweede niet omdat artikel 27 Verordening 604/2013 een rechtsmiddel aan een vreemdeling toekent tegen een overdrachtsbesluit en niet aan de autoriteiten tegen vernietiging van het overdrachtsbesluit, in ieder geval voor zover dat gaat om de voorlopige voorziening. De voorlopige voorziening van de vreemdeling ziet immers op het niet overgedragen worden voordat op het rechtsmiddel is beslist. De voorlopige voorziening van de autoriteiten ziet op het opschorten van de overdrachtstermijn. Het verlengen van de procedure waarin bepaald wordt welke lidstaat verantwoordelijk is, zonder dat de Verordening 604/2013 expliciet in die mogelijkheid voorziet, is ook in strijd met de doelstelling van de Verordening 604/2013 zoals genoemd in punten 4 en 5 van de Considerans. Eiser verwijst ter onderbouwing van haar argumenten naar een “expert opinion” van 5 mei 2019 van mr. dr. E. Hilbrink (hierna: Hilbrink) “de mogelijkheid tot opschorting van de overdrachtstermijn van artikel 29, eerste lid, Dublinverordening (DV)” en ter zitting naar een mededeling van de Europese Commissie aan het parlement van 10-06-2013.

5.1

Verweerder stelt zich onder verwijzing naar de eerder genoemde Afdelingsuitspraak van 28 juli 2016 op het standpunt dat een opschortende werking in de zin van 27, derde lid, Verordening 604/2013 is neergelegd in artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb), en dat deze zich ook uitstrekt tot hoger beroep en dat dit ook van toepassing is als de voorzieningenrechter van de Afdeling een voorziening voor verweerder treft. Voorts verwijst verweerder naar een door hem overgelegde uitspraak van 15 augustus 2019 van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen met kenmerk NL19.17475, waarin eveneens de expert opinion van Hilbrink is ingebracht en het beroep ongegrond werd verklaard.

5.2

De rechtbank is, anders dan eiser, van oordeel dat ook een aan verweerder in hoger beroep toegewezen voorziening een opschorting is als bedoeld in artikel 27, derde lid, Verordening 604/2013. Zij acht daarbij het volgende van belang.

5.2.1

Artikel 29, eerste lid, Verordening 604/2013, luidt, voor zover van belang: “de verzoeker wordt overgedragen (…..) uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek van een andere lidstaat (….) of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar wanneer dit overeenkomstig artikel 27, lid 3, opschortende werking heeft”.

Art 27, derde lid, Verordening 604/2013 luidt, voor zover van belang: “Voor een beroep of bezwaar tegen het overdrachtsbesluit bepalen de lidstaten in hun nationale recht dat: (…) c. de betrokkene de gelegenheid heeft om binnen een redelijke termijn een rechterlijke instantie te verzoeken de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst van het beroep of bezwaar. De lidstaten zorgen er voor dat er een daadwerkelijk rechtsmiddel beschikbaar is door de overdracht op te schorten totdat de beslissing op het eerste opschortingsverzoek wordt gegeven. Beslissingen over het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit worden gegeven binnen een redelijke termijn die evenwel een nauwkeurige en zorgvuldige bestudering van het opschortingsverzoek mogelijk maakt. Een beslissing om de uitvoering van het overdrachtsbesluit niet op te schorten wordt gemotiveerd”.

De rechtbank stelt vast dat in artikel 27 en in artikel 29, eerste lid, Verordening 604/2013 niet wordt gesproken van hoger beroep, maar van bezwaar en beroep. Een uitleg als door eiser voorgestaan, namelijk dat artikel 27, derde lid geen hoger beroep bestrijkt, zou echter betekenen dat ook eiser het rechtsmiddel van hoger beroep niet toekomt nu ook in artikel 27, eerste lid, alleen wordt gesproken van bezwaar of beroep. Daar komt bij dat volgens de pre-ambule van Verordening 604/2013 (overweging 12) Richtlijn 2013/32/EU (de Procedurerichtlijn) van toepassing moet zijn op Verordening 604/2013 en dat volgens artikel 46, derde lid van de Procedurerichtlijn gelet op de bewoordingen “tenminste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg” het rechtsmiddel ook hoger beroep kan omvatten.

5.2.2

Voorts acht de rechtbank van belang, dat het Hof in het arrest Petrosian (C-19/08, JV 2009/166) met betrekking tot Verordening 343/2003 heeft geoordeeld dat de zesmaandentermijn geacht wordt volledig te worden benut voor het regelen van de technische afhandeling van de overdracht en dientengevolge de termijn voor de tenuitvoerlegging van de overdracht pas mag aanvangen wanneer de toekomstige uitvoering van de overdracht in principe is overeengekomen en zeker is. In het arrest Amayry (ECLI:EU:C:2017:675,C-60/16), heeft het Hof dit nog eens herhaald voor wat betreft Verordening 604/2013:

“55 Zolang een tegen het overdrachtsbesluit ingesteld beroep of bezwaar opschortende werking heeft, is het, per definitie, onmogelijk de overdracht uit te voeren, reden waarom de met dit doel bepaalde termijn in dat geval pas kan aanvangen wanneer de toekomstige uitvoering van de overdracht in beginsel is overeengekomen en alleen de uitvoeringswijze daarvan moet worden geregeld, namelijk vanaf de datum waarop deze opschortende werking is opgeheven (zie naar analogie arrest van 29 januari 2009, Petrosian, C‑19/08, EU:C:2009:41, punt 45)”.

Hoewel de rechtsvraag in die arresten net iets anders was, doet dit niet af aan de ook in onderhavige zaak van belang zijnde vaststelling door het Hof dat de overdrachtstermijn van zes maanden pas aanvangt als de overdracht in principe is overeengekomen. En daarvan kan nog geen sprake zijn als er nog geen uitspraak is gedaan op het hoger beroep.

5.2.3

De rechtbank vindt hiervoor ook steun in de eerder genoemde uitspraken van de Afdeling van 28 juli 2016 en 27 december 2016.

In de uitspraak van 28 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2170) heeft de Afdeling het volgende overwogen:

“3.1. Ingevolge artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening, voor zover thans van belang, bepalen de lidstaten voor een beroep of een bezwaar tegen het overdrachtsbesluit in hun nationale recht dat de betrokkene de gelegenheid heeft om binnen een redelijke termijn een rechterlijke instantie te verzoeken de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst van het beroep of het bezwaar.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, wordt de verzoeker of andere persoon als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onder c of d, overeenkomstig het nationale recht van de verzoekende lidstaat, na overleg tussen de betrokken lidstaten, overgedragen van de verzoekende lidstaat aan de verantwoordelijke lidstaat zodra dat praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek van een andere lidstaat om de betrokkene over of terug te nemen of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar wanneer dit overeenkomstig artikel 27, derde lid, opschortende werking heeft.

3.2.

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover thans van belang, kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:83c, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, zijn op het hoger beroep de titels 8.1 tot en met 8.3 van de Awb van overeenkomstige toepassing, voor zover in deze wet niet anders is bepaald.

3.3.

Uit artikel 27, derde lid, aanhef en onder c van de Dublinverordening vloeit voort dat de termijn van zes maanden voor de overdracht aanvangt na de beslissing op het beroep of bezwaar, wanneer de ingevolge de nationale wetgeving bevoegde rechter of instantie, naar gelang van het geval, tot opschortende werking van het beroep of bezwaar heeft beslist. Een tot zodanige beslissing strekkende bevoegdheid is neergelegd in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. Nu het artikel is opgenomen in titel 8.3 van deze wet, is de bevoegdheid ook van toepassing in het geval van instellen van hoger beroep.

Gelet op de in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb neergelegde eis dat een voorlopige voorziening slechts kan worden getroffen wanneer (hoger) beroep is ingesteld of bezwaar is gemaakt, strekken de bij de uitspraken van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 13 juni 2014 en van de voorzieningenrechter van de rechtbank van 30 november 2015 getroffen voorzieningen tot opschortende werking van onderscheidenlijk het hoger beroep inzake de afwijzing van de aanvraag en het bezwaar inzake de voorgenomen feitelijke overdracht. Derhalve is artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening, in zoverre daarin is voorzien in de aanvang van de termijn van zes maanden voor het geval het beroep opschortende werking heeft, ook van toepassing in de situatie waarin de voorzieningenrechter van de Afdeling, krachtens de hem in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb gegeven bevoegdheid daartoe, de voorziening treft dat de vreemdeling niet mag worden overgedragen tot op het voormelde hoger beroep is beslist. De omstandigheid dat de staatssecretaris het bezwaar zelf behandelt, maakt niet dat de opschortende werking van het bezwaar verkregen op verzoek van de vreemdeling voor rekening van de staatssecretaris dient te komen.

3.4.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de termijn van zes maanden waarbinnen de overdracht ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening uiterlijk dient plaats te vinden, niet reeds is aangevangen vóór de beslissing op het hoger beroep in de uitspraak van 22 juli 2015, zodat de derde grief van de vreemdeling faalt”.

In de uitspraak van 27 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3506) heeft de Afdeling het volgende overwogen:

“1. (…) Bij uitspraak van 22 mei 2015 in zaak nr. 201503847/2/V3 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling hangende het hoger beroep in die procedure bepaald dat de staatssecretaris geen nieuw besluit op deze aanvraag hoeft te nemen voordat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.(…)

2. De rechtbank heeft overwogen dat de overdrachtstermijn is verstreken, aangezien, anders dan in ongeveer 200 vergelijkbare uitspraken vanaf 15 mei 2007, in voornoemde uitspraak van 22 mei 2015 niet is opgenomen dat de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen de opschorting van de in artikel 29 van Verordening (EU) nr. 604/2013 (PB 2013 L180; hierna: de Dublinverordening) genoemde termijn met zich brengt.

3. Tegen deze overwegingen voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank heeft miskend dat de voorlopige voorziening die is getroffen bij voornoemde uitspraak van 22 mei 2015, een vorm van opschortende werking als bedoeld in artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening is. Een andere uitleg maakt het verzoek om voorlopige voorziening zinledig. Ook houdt een andere uitleg in dat de Afdeling niet tot voornoemde uitspraak van 12 november 2015 zou hebben kunnen komen, nu deze uitspraak dateert van ruimschoots na de door de rechtbank kennelijk gevolgde expiratiedatum van de overdracht van 23 september 2015.

3.1.

Onder verwijzing naar de uitspraken van 29 juli 2005 in zaak nr. 200504660/1 (JV 2005/360) en 28 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2170, overweegt de Afdeling dat het treffen van een voorlopige voorziening door de voorzieningenrechter, zoals in dit geval is gebeurd bij voormelde uitspraak van 22 mei 2015, tot gevolg heeft dat de overdrachtstermijn wordt opgeschort totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan op het hoger beroep in de desbetreffende zaak. De omstandigheid dat deze werking niet in de uitspraak is toegelicht, maakt de rechtsgevolgen niet anders”.

5.2.4

De verwijzing door eiser ter zitting naar stukken met betrekking tot de totstandkomingsgeschiedenis leidt evenmin tot een ander oordeel. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang:

Eiser heeft enkele pagina’s van een voorstel van de Europese Commissie in het kader van de herschikking van de DVO, “COM(2008)820 definitief 2008/0243 (COD)”, overgelegd gedateerd 3 december 2008 en een mededeling van de Europese Commissie aan het Europees Parlement, “COM(2013)416 final 2008/0243(COD)”, gedateerd 10 juni 2013. Daarin wordt, zo stelt eiser, alleen maar gesproken over rechten van de Dublinclaimant en het verstevigen van diens juridische waarborgen; het ziet op grondrechten: het recht in beroep te gaan en eiser toe te staan in de lidstaat te blijven zolang het definitief besluit nog niet is genomen. Het gaat om opschorting van de rechtsgevolgen van het besluit en niet om het opschorten van de overdrachtstermijn, aldus eiser.

De rechtbank stelt vast dat eiser een beroep doet op:

- de volgende passages in het stuk van 3 december 2008:

“3. Juridische waarborgen voor personen die onder de Dublinprocedure vallen

Het voorstel bevat een aantal wijzigingen die de aanvragers van internationale bescherming meer juridische waarborgen moeten bieden zodat zij hun rechten beter kunnen verdedigen: (…) * het voorstel voert het recht in om in beroep te gaan tegen een overdrachtsbesluit en verplicht de bevoegde autoriteiten om te beslissen of de tenuitvoerlegging van het besluit al dan niet moet worden opgeschort en om de betrokkene toe te staan in afwachting van die beslissing in de betrokken lidstaat te blijven. ” (…)

Effect op de grondrechten

Dit voorstel is grondig getoetst op zijn verenigbaarheid met de grondrechten als algemene beginselen van zowel het Gemeenschapsrecht als het internationale recht. Daarbij stond voorop dat de juridische en procedurele waarborgen voor personen die onder de Dublinprocedure vallen, moesten worden verscherpt om deze personen in staat te stellen hun rechten beter te verdedigen, alsmede dat de eenheid van het gezin beter moest worden geëerbiedigd en dat de situatie van kwetsbare groepen moest worden verbeterd, met name die van niet-begeleide minderjarigen, zodat beter op hun speciale behoeften kan worden ingespeeld.

Vanuit het oogpunt van de grondrechten zal een hoger beschermingsniveau voor personen die onder de Dublinprocedure vallen, een sterk positief effect hebben voor asielzoekers. (…). Het recht op daadwerkelijke toegang tot de rechter wordt versterkt door: de toekenning van het recht om tegen een overdrachtsbesluit in beroep te gaan en het recht om niet te worden overgedragen tot is besloten of de tenuitvoerlegging van het overdrachtsbesluit moet worden opgeschort.”

- de volgende passages uit het stuk van 10 juni 2013:

Daadwerkelijk rechtsmiddel tegen overdrachtsbesluiten

De huidige Dublinverordening bevat geen bepalingen inzake het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel. Het voorstel van de Commissie bracht drie ingrijpende wijzigingen aan in het huidige systeem: 1. het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit wordt erkend, 2. de autoriteiten moeten ambtshalve onderzoeken of het nodig is de uitvoering van een overdrachtsbesluit op te schorten en de betrokkene moet op het desbetreffende grondgebied blijven totdat daarover een beslissing is genomen, en 3. rechtsbijstand en/of vertegenwoordiging moet(en) kosteloos zijn wanneer de betrokkene de daarmee verband houdende kosten niet kan betalen.

Wat de opschortende werking van het rechtsmiddel betreft, legt het gemeenschappelijk

standpunt de lidstaten de verplichting op te kiezen voor een van de volgende opties:

(1) een automatische opschorting (wanneer beroep is ingesteld heeft de betrokkene altijd

het recht om in afwachting van de uitkomst van het beroep op het desbetreffende

grondgebied te blijven);

(2) een automatische opschorting gedurende een beperkte periode (zelfde optie als

optie 1. alleen moet een rechterlijke instantie beslissen of de verzoeker in afwachting

van de uitkomst van het beroep gedurende een vooraf bepaalde termijn op het

betrokken grondgebied moet blijven: deze termijn moet lang genoeg zijn om een

zorgvuldig onderzoek van het verzoek mogelijk te maken);

(3) opschorting op verzoek (waarbij de overdracht niet automatisch wordt opgeschort

voor alle verzoekers die beroep instellen tegen een overdrachtsbesluit, maar alleen

voor verzoekers die daarom verzoeken; de overdracht wordt dan opgeschort totdat de

rechterlijke instantie zich heeft uitgesproken over de zaak).

Daarnaast werd een nieuwe bepaling ingevoerd volgens welke een verzoeker niet mag worden overgedragen aan een lidstaat waar het gevaar bestaat dat zijn grondrechten zullen worden geschonden. Algemeen gesproken werd niet geraakt aan de doelstellingen van de Commissie aangezien een rechterlijke instantie telkens zal kunnen nagaan of een persoon mag worden overgedragen en die persoon in afwachting daarvan op het betrokken grondgebied blijft”.

De rechtbank is van oordeel dat hieruit geenszins blijkt dat een aan verweerder toegekende voorlopige voorziening niet in artikel 27, derde lid, Verordening 604/2013 kan zijn bedoeld. Een dergelijke voorziening doet immers geen afbreuk aan het in de stukken aangehaalde belang van rechtsbescherming voor de verzoeker. Met de aan verweerder toegewezen voorlopige voorziening, dat verweerder geen nieuw besluit op de aanvraag hoeft te nemen voordat op het hoger beroep is beslist, kan verzoeker in beginsel ook niet worden overgedragen totdat op het hoger beroep is beslist.

5.2.5

Ten slotte volgt de rechtbank ook eisers argument niet, dat opschorting een verlenging van onbepaalde duur zou betekenen hetgeen niet in overeenstemming is met de doelstelling van Verordening 604/2013. De DVO kent immers geen maximale termijn, waarbinnen overdracht moet plaatsvinden.

5.2.6

De grond slaagt niet.

6. Eiser voert voorts aan dat verweerder met het BMA-advies niet aan zijn vergewisplicht heeft voldaan, nu een door het BMA genoemde telefoonnotitie alsmede de vraagstelling niet is opgenomen in het BMA-advies.

6.1

De rechtbank volgt dit niet, nu in het BMA-advies de inhoud van de telefoonnotitie wel wordt weergegeven en de medische gegevens waar het BMA vanuit gaat door eiser niet worden bestreden. De grond slaagt niet.

7. Eiser voert voorts aan dat met het BMA-advies geen antwoord wordt gegeven op de vraag of sprake is van een risico op aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen van een overdracht aan Frankrijk, als bedoeld in het arrest C.K. Door alleen te onderzoeken of eiser in staat is te reizen, en daaraan voorwaarden te stellen, is immers geen uitspraak gedaan over de vraag of de overdracht op zichzelf gevolgen heeft voor de gezondheidstoestand van eiser. Nu er geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de gevolgen van een overdracht aan Frankrijk voor de gezondheidstoestand van eiser, is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid.

Eiser verwijst naar een brief van 16 augustus 2019 van de huisarts met een uitdraai van het patiëntendossier met recente verslagen van het GZA en naar een e-mail van [naam 1] van 16 augustus 2019. Uit de informatie van de huisarts blijkt dat eiser sinds 7 augustus 2019 in hongerstaking is. Ook staat erin vermeld dat sprake is van een passieve doodswens, dat er een goede vertrouwensrelatie met de behandelaars van [naam 1] is opgebouwd, dat die vertrouwensrelatie van belang is gelet op de eerdere crisis na de vertrouwensbreuk met de behandelaars van de [naam 2] . Overdracht aan Frankrijk verbreekt die relatie, wat onvoorspelbare gevolgen kan hebben. In de e-mail van [naam 1] staat dat de kans nog steeds reëel wordt geacht dat eiser bij een overdracht naar Frankrijk opnieuw een suïcidepoging doet, en dat de begeleiding van een psychiatrisch geschoolde medewerker daaraan waarschijnlijk niets aan zal veranderen.

De verwijzing in het bestreden besluit naar de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:92 kan verweerder niet baten, nu in die zaak door het BMA was aangegeven dat er geen noodsituatie op korte termijn aanwezig was. Ook de verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2019, ECLI:NL;RVS:2019:2042 gaat niet op, nu de vreemdeling in die zaak naar het oordeel van de Afdeling niet had aangetoond dat er een reëel of hoog risico op suïcide of anderszins aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen bestonden als gevolg van de overdracht op zichzelf.

7.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat op basis van het BMA-advies het onder voorwaarden mogelijk is eiser over te dragen zonder dat er een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand zal plaatsvinden. De uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2019 is wel van toepassing op onderhavige zaak. Onderdeel van het geschil bij die zaak was of het BMA met de beoordeling dat de vreemdeling in staat is om te reizen en het bepalen van de reisvereisten die daarbij noodzakelijk zijn, heeft voldaan aan de vereisten die voortvloeien uit het arrest C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127. De Afdeling heeft geoordeeld dat met het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten verweerder de gerezen twijfel over een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) vanwege de overdracht heeft weggenomen (zie de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:92).

De handelwijze (onderzoek naar het kunnen reizen en eventuele reisvoorwaarden, toezegging opschorting overdracht) is daarom met deze uitspraak van de Afdeling gesanctioneerd. Mitsdien is, op grond van het BMA-advies van 17 juli 2019, op juiste gronden overwogen dat er geen C.K. tegen Slovenië-situatie bij overdracht aan Frankrijk ontstaat. Uit de aanvullende medische informatie van 16 augustus 2019 blijkt niet dat er sprake is van een wijziging van het ziektebeeld ten opzichte van het ziektebeeld dat beoordeeld is door het BMA. Immers, in het advies van 17 juli 2019 is vermeld dat de suïcidaliteit gerelateerd is aan de dreigende terugkeer naar Frankrijk. De thans overgelegde medische informatie geeft dan ook voor verweerder geen aanleiding om een nieuw advies bij het BMA op te vragen. In het feit dat eiser in hongerstaking is, ziet verweerder evenmin aanleiding om een nieuw BMA-advies op te vragen. Nog afgezien van het feit dat in de “samenvatting patiëntendossier” van het GZA, op 16 augustus 2019 staat vermeld dat eiser strijdlustig is, helder overkomt, geen lichamelijke klachten heeft en ook geen doodwens heeft bij FACT Team van GGZ [naam 1] ”, is de aanleiding voor de hongerstaking – zo blijkt eveneens uit het patiëntendossier – om de IND de beslissing te laten veranderen.

Voorts heeft verweerder overwogen dat op grond van artikel 32 van Verordening 604/2013 de overdragende lidstaat de verantwoordelijke lidstaat informatie verstrekt over eventuele bijzondere behoeften van de over te dragen personen, om ervoor te zorgen dat de adequate medische verzorging of behandeling gegeven wordt. De verantwoordelijke lidstaat zorgt ervoor dat goed in deze bijzondere behoefte wordt voorzien, met name als het gaat om essentiële medische zorg. Verweerder zal de overdracht opschorten als de Franse autoriteiten hem informeren dat zij op dat moment niet aan deze behoeften kunnen voldoen en hij zal een fit to fly check krijgen, alvorens daadwerkelijk te worden overgedragen aan Frankrijk. Verweerder heeft voorts opgemerkt dat bij overdracht altijd – zo heeft DT&V Dublin aangegeven – overleg zal zijn met GGZ [naam 1] en de overdracht opgeschort wordt als de behandelaar aangeeft dat het op dat moment niet kan plaatsvinden. Voorts zullen alle benodigde maatregelen, welke aangedragen worden door de eigen behandelaars voor een overdracht, uitgevoerd worden. Gelet hierop zal de overdracht met alle benodigde voorzorgsmaatregelen plaatsvinden. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd nog toegelicht dat dit betekent dat verweerder eerst gaat overdragen als de Franse autoriteiten uitdrukkelijk hebben bevestigd dat aan de door de BMA gestelde voorwaarde van fysieke overdracht aan een psychiater van een psychiatrische kliniek wordt voldaan. En voorts heeft verweerder verklaard dat er ook escorts op de vlucht mee zullen gaan.

7.2

In het BMA-advies staat – voor zover van belang – het volgende vermeld:

“1b. (…)

Uit de informatie verstrekt door de gemachtigde behandelaren blijkt dat bij betrokkene voornamelijk sprake is van psychische klachten. Deze bestaan onder andere uit moeheid, nergens meer van kunnen genieten, interesse verlies, somberheid, suïcidale gedachten en –plannen. Dit laatste lijkt voornamelijk gerelateerd aan de dreigende (gedwongen) terugkeer naar Frankrijk.

De echtgenote van betrokkene verblijft samen met hun dochter in Syrië. Terugkeer naar Frankrijk zou gevaarlijk zijn voor betrokkene, en zijn echtgenote en dochter in Syrië.

Om zijn gezin te sparen zou betrokkene zelfmoord willen plegen als hij terug moet naar Frankrijk, aldus de informatie.

In oktober 2018 is betrokkene wegens een suïcidale geste kortdurend, en vrijwillig opgenomen geweest op een gesloten afdeling van GGZ Drenthe waarbij hij werd ingesteld op een anti-depressivum.

Vanaf 15 februari 2019 wordt betrokkene ambulant behandeld bij CTP [naam 1] te Balkbrug.

Bij betrokkene is de diagnose gesteld op een Post Traumatische Stress Stoornis en een Depressieve stoornis. Daarnaast zijn er trekken van een persoonlijkheidsstoornis (cluster B).

Uit het telefonisch onderhoud met hr. [naam 3] blijkt dat bij betrokkene voornamelijk sprake lijkt te zijn van een Depressieve stoornis gepaard met suïcidaliteit gerelateerd aan de dreigende terugkeer naar Frankrijk.

2a. (…)

Ja, betrokkene staat onder medische behandeling. (…)

3a. Kan betrokkene reizen, met bovengenoemde vervoersmiddelen?

(alleen met ja of nee beantwoorden)

Nee, tenzij fysieke overdracht geregeld kan worden aan een psychiatrische kliniek.

3b. Als reisvoorwaarden nodig zijn, kunt u hierbij aangeven welke medische reisvoorwaarden bij de reis noodzakelijk zijn? (…)

Ik heb wel aanwijzingen dat enige medische voorziening door anderen (derden) noodzakelijk is, namelijk: begeleiding van betrokkene tijdens de reis door een psychiatrisch geschoolde medewerker, bijvoorbeeld een spv, en fysieke overdracht aan een psychiater in een psychiatrische kliniek.

Aanbevolen wordt voorts, dat betrokkene een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt (zoals bijvoorbeeld een ingevuld Europees Medisch Paspoort) en om de medicatie te continueren tijdens de reis en voldoende medicatie mee te nemen om de periode van de reis te overbruggen. De medicatie dient door de begeleider te worden beheerd, en toegediend.

3c. Indien u de medische reisvoorwaarde van fysieke overdracht aan een medische instelling c.q. behandelaar voorschrijft, kunt u aangeven voor welke behandeling de fysieke overdracht

noodzakelijk is?

Fysieke overdracht is noodzakelijk gelet op de suïcidale uitlatingen en -plannen van betrokkene bij een gedwongen terugkeer naar Frankrijk. De arts ter plekke kan dan beoordelen welke behandeling c.q. maatregelen op dat moment noodzakelijk zijn (bijvoorbeeld een eventuele gedwongen opname).

7.3

In het arrest C.K. is het volgende overwogen:

75 Wanneer een asielzoeker, in het bijzonder in het kader van de doeltreffende voorziening in rechte die hem door artikel 27 van de Dublin III-verordening wordt gewaarborgd, objectieve gegevens overlegt, zoals medische attesten met betrekking tot zijn toestand, die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, mogen de autoriteiten van de betrokken lidstaat, de rechterlijke instanties daaronder begrepen, die gegevens bijgevolg niet buiten beschouwing laten. Zij moeten juist beoordelen wat het risico is dat dergelijke gevolgen zich voordoen wanneer zij beslissen over de overdracht van de betrokkene of – in het geval van een rechterlijke instantie – oordelen over de rechtmatigheid van een overdrachtsbesluit, aangezien de tenuitvoerlegging van dat besluit tot een onmenselijke of vernederende behandeling van de betrokkene zou kunnen leiden (zie naar analogie arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 88).

76 Het staat dus aan die autoriteiten om iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene weg te nemen. In het bijzonder wanneer er sprake is van een ernstige psychische aandoening, mag daarbij niet worden volstaan met te kijken naar de gevolgen van het fysieke vervoer van de betrokkene van een lidstaat naar een andere, maar moet rekening worden gehouden met alle aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen die uit de overdracht zouden voortvloeien.

77 De autoriteiten van de betrokken lidstaat moeten in dat verband nagaan of de gezondheidstoestand van de betrokken persoon passend en voldoende kan worden beschermd door de in de Dublin III-verordening bedoelde voorzorgsmaatregelen te treffen, en die maatregelen in voorkomend geval ten uitvoer brengen.

78 Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft immers geoordeeld dat artikel 3 van het EVRM een verdragsluitende staat in beginsel niet verplicht om een persoon niet te verwijderen of uit te zetten wanneer deze in staat is te reizen en voor zover in dat verband de nodige maatregelen worden genomen die passend zijn en aan de toestand van de betrokkene aangepast (zie in die zin arresten van het EHRM van 4 juli 2006, Karim tegen Zweden, CE:ECHR:2006:0704DEC002417105, § 2, en 30 april 2013, Kochieva e.a. tegen Zweden, CE:ECHR:2013:0430DEC007520312, § 35).

79 Wat meer bepaald omstandigheden betreft waarin de psychische moeilijkheden van de asielzoeker tot suïcidale neigingen leiden, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens herhaaldelijk geoordeeld dat de omstandigheid dat een persoon van wie de verwijdering is gelast, dreigt met zelfdoding, de verdragsluitende staat niet dwingt om van de uitvoering van de voorgenomen maatregel af te zien, indien hij concrete maatregelen treft om te voorkomen dat het dreigement wordt uitgevoerd (zie arresten van het EHRM van 7 oktober 2004, Dragan e.a. tegen Duitsland, CE:ECHR:2004:1007DEC003374303, § 1; 4 juli 2006, Karim tegen Zweden, CE:ECHR:2006:0704DEC002417105, § 2, en 30 april 2013, Kochieva e.a. tegen Zweden, CE:ECHR:2013:0430DEC007520312, § 34).

80 Wat die voorzorgsmaatregelen betreft, kan de overdragende lidstaat overeenkomstig artikel 8 van de uitvoeringsverordening met de verantwoordelijke lidstaat samenwerken teneinde ervoor te zorgen dat de betrokken asielzoeker tijdens en na de overdracht medische zorg ontvangt.

81 Daartoe moet de overdragende lidstaat die overdracht aldus kunnen organiseren dat de betrokken asielzoeker tijdens het vervoer wordt vergezeld door bekwaam medisch personeel dat over de nodige uitrusting, middelen en geneesmiddelen beschikt, teneinde achteruitgang van zijn gezondheid of gewelddadig gedrag van de betrokkene ten aanzien van zichzelf of derden te voorkomen.

82 Die lidstaat moet zich er ook van kunnen verzekeren dat de betrokken asielzoeker wordt verzorgd zodra hij in de verantwoordelijke lidstaat aankomt. In dat verband zij in herinnering gebracht dat een overdragende lidstaat op grond van de artikelen 31 en 32 van de Dublin III-verordening de verantwoordelijke lidstaat de gegevens betreffende de gezondheidstoestand van de asielzoeker dient te verstrekken die deze lidstaat in staat stellen, de asielzoeker de dringende medische zorg te verstrekken die noodzakelijk is ter bescherming van zijn vitale belangen”.

7.4

Partijen verschillen niet van mening over het feit dat eiser voldoende objectieve gegevens heeft overgelegd die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand aantonen en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht. Wel verschillen zij van mening over de vraag of met de door verweerder toegezegde voorzorgsmaatregelen de gezondheidstoestand passend en voldoende kan worden beschermd.

7.5

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de in het bestreden besluit genoemde voorzorgsmaatregelen niet heeft voldaan aan hetgeen in overweging 81 en 82 van het arrest is voorgeschreven. Weliswaar zal eiser alleen worden overgedragen als hij wordt vergezeld door een psychiatrisch verpleegkundige en bij aankomst fysiek kan worden overgedragen aan een psychiatrische kliniek. Echter, in de email van 16 augustus 2019 stellen de behandelaars van het Centrum voor Transculturele Psychiatrie (CTP) [naam 1] dat zij de kans reëel achten dat eiser bij een overdracht aan Frankrijk opnieuw een zelfmoordpoging zal doen en dat een psychiatrisch geschoolde medewerker die met hem meereist daar waarschijnlijk niets aan zal veranderen. De rechtbank concludeert daaruit dat met de voorzorgsmaatregelen niet iedere ernstige twijfel, zoals bedoeld in overweging 76 van het arrest C.K., is weggenomen. Immers, uit het bestreden besluit blijkt dat tijdens de reis zelf geen andere voorziening wordt getroffen dan begeleiding door een psychiatrisch verpleegkundige, terwijl dat volgens de behandelaars aan een kans op een zelfmoordpoging niets zal veranderen. Weliswaar heeft verweerder ter zitting gesteld, dat ook escorts zullen meegaan op de vlucht, echter dit is niet in het bestreden besluit, en overigens ook niet in het BMA advies, opgenomen. Uit arrest C.K. als ook uit de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2986) volgt dat de beoordeling of met de vereiste voorzorgsmaatregelen als bedoeld in overwegingen 81 en 82 iedere twijfel kan worden weggenomen reeds ten tijde van het overdrachtsbesluit moet worden genomen. De beroepsgrond slaagt.

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan op 10 september 2019 door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier.

griffier rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.