Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:12049

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-10-2019
Datum publicatie
26-11-2019
Zaaknummer
AWB 19/6302
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

mondelinge uitspraak, opvolgende mvv-aanvraag, nareis, geboorte kind, beroep ongegrond,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 19/6302

V-nummer: [nummer]

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

25 oktober 2019 in de zaak tussen

[naam 1] , eiser

gemachtigde: mr. H.E. Visscher,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Schut.

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2018 heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiser tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht.

Bij besluit van 22 juli 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens waren aanwezig [naam 2] , de echtgenote van eiser (referente) en T. Tzegai (tolk).

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk

uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat bij deze opvolgende aanvraag niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van het eerdere afwijzende besluit1.

2. In rechte is komen vast te staan dat vóór binnenkomst van referente in Nederland de feitelijke gezinsband tussen haar en eiser was verbroken2. Verweerder heeft dit destijds geconcludeerd op basis van de door referente zelf afgelegde verklaringen. Verweerder mocht hiervan uitgaan en mag daar nog steeds van uitgaan.

3. De gestelde verbeterde omstandigheden tussen referente en eiser en het feit dat uit hun huwelijk een zoon is geboren zegt niet per definitie iets over de feitelijke gezinssituatie op het moment van binnenkomst van referente in Nederland.

4. Verweerder heeft daarom terecht vastgesteld dat hiermee geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E. Paulus, griffier, op 25 oktober 2019.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Besluit van verweerder van 7 september 2016.

2 Zie Rechtbank Den Haag 17 maart 2017, AWB 16/22652 en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 2 juni 2017, 201703108/1/V1.