Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:12045

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-11-2019
Datum publicatie
14-11-2019
Zaaknummer
7259988 RP VERZ 18-50546
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek vernietiging ontslag op staande voet personeelslid Ambassade.

Verschillende ontvankelijkheidsvragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1216
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

HvB

Zaaknr.: 7259988 RP VERZ 18-50546

Uitspraakdatum: 6 november 2019

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij in de zaak van het verzoek,

procederende in persoon,

tegen

De ambassade van Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka,

gevestigd te Den Haag,

niet verschenen,

vrijwillig verschenen is de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka in de persoon van haar gemachtigde mr. J.Dop.

Partijen worden verder aangeduid als ‘ [verzoeker] ’ en ‘ de ambassade’.

1 Het procesverloop

1.1.

[verzoeker] heeft op 4 oktober 2018 een verzoek (met bijlagen) ingediend om het door de ambassade gegeven ontslag op staande voet te vernietigen en ten laste van de ambassade een schadevergoeding toe te kennen.

1.2.

Op 28 januari 2019 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden.

Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

Voor het verloop van de zaak tot en met 28 januari 2019 wordt verwezen naar de inhoud van dat proces-verbaal.

1.3.

Daarna is op verzoek van [verzoeker] en/of mr. Dop de verdere mondelinge behandeling verdaagd uiteindelijk tot 17 september 2019, onder meer om mr. Dop in de gelegenheid te stellen instructies te verkrijgen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka te Colombo. Inmiddels heeft de gemachtigde van [verzoeker] zich aan de zaak ontrokken.

1.4.

De mondelinge behandeling is voortgezet op 17 september 2019. Daar zijn verschenen [verzoeker] in persoon en mr. Dop in zijn kwaliteit van gemachtigde van de Democratische Republiek Sri Lanka (hierna aan te duiden als Sri Lanka). Mr. Dop heeft meegedeeld dat hij namens zijn cliënt is verschenen louter uit respect voor de Nederlandse rechter zonder dat zijn cliënte enig recht wenst prijs te geven en met de instructie van Sri Lanka om op verschillende gronden de niet-ontvankelijkheid van [verzoeker] te bepleiten.

1.5.

In en na overleg met [verzoeker] en mr. Dop is de voortzetting van de mondelinge behandeling beperkt gebleven tot de behandeling van de verschillende ontvankelijkheidsverweren.

Mr. Dop heeft verzocht om tussentijds hoger beroep te mogen instellen voor het geval de kantonrechter [verzoeker] ontvankelijk verklaard en tot een inhoudelijke behandeling van zijn verzoek wordt overgegaan. [verzoeker] heeft daartegen geen bezwaar.

Van de voortzetting van de mondelinge behandeling zijn aantekeningen gemaakt die zich in het griffiedossier bevinden.

[verzoeker] en mr. Dop hebben nog een aantal stukken overgelegd.

Mr. Dop heeft zijn op voorhand toegezonden pleitaantekeningen voorgedragen.

1.6.

Daarna is de mondelinge behandeling gesloten en is de zaak voor uitspraak gezet om te beslissen omtrent de ontvankelijkheid van [verzoeker] in zijn verzoek.

2 De beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek

2.1.

Voorop moet worden gesteld dat mr. Dop namens Sri Lanka vrijwillig is verschenen uitsluitend uit respect voor de Nederlandse autoriteiten en met de uitdrukkelijke opdracht om de niet ontvankelijkheid van het verzoek van [verzoeker] in te roepen.

2.2.

De kantonrechter dient ambtshalve haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van het verzoek te beoordelen.

Het standpunt van Sri Lanka dat [verzoeker] in zijn verzoek niet ontvankelijk dient te worden verklaard, is gegrond op drie verschillende argumenten.

2.3.

Als eerste is aangevoerd dat de Ambassade van Sri Lanka geen rechtspersoonlijkheid bezit en niet kan optreden als procespartij als vertegenwoordiger van haar land. Verwezen wordt naar de uitspraak van het Hof Den Haag van 14 oktober 2014, ECLI:NL:GHDHA: 2014:3176.

Ten tweede wordt aangevoerd dat Ambassade van Sri Lanka zich beroept op immuniteit van rechtsmacht op grond van artikel 13a Wet algemene bepalingen, artikel 31 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verweer, artikel 10.3 van de Protocol Guide for Diplomatic Missions and Consular Posts en artikel 11, tweede lid van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van jurisdictie van staten en hun eigendommen. Voorts ontbreekt de bevoegdheid ook op grond van (voorlopers van) de verordening Brussel I-bis of de commune bevoegdheidsregels, aldus Sri Lanka.

Ten derde wordt er op gewezen dat [verzoeker] de vervaltermijn van artikel 7:686a, vierde lid onderdeel a BW heeft overschreden, omdat het ontslag op staande voet aan [verzoeker] is verleend bij brief 3 augustus 2018, welke brief [verzoeker] die dag ook persoonlijk ter hand is gesteld.

2.4.

Uit de beslissing van de Hoge Raad der Nederlanden van 1 december 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3054, NJ 2019/137) leidt de kantonrechter af dat de Nederlandse rechter ambtshalve dient te onderzoeken of de omstandigheden van het geval een beroep op immuniteit van jurisdictie rechtvaardigen, ook in het geval dat de voor het gerecht opgeroepen partij niet is verschenen. Dat geldt dus ook voor zaken, die met een verzoekschrift moeten worden ingeleid, zoals het verzoek van [verzoeker] .

2.5.

Voorts heeft mr. Dop gewezen op het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 14 oktober 2014, ECLI:NL:GHDHA: 2014:3176, waarin voor deze zaak van belang is geoordeeld dat de Ambassade van de Verenigde Arabische Emiraten niet als procespartij kan optreden omdat zij geen rechtspersoonlijkheid bezit.

In deze zaak is verder van belang dat mr. Dop uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij niet gemachtigd is op te treden namens Sri Lanka, dat de ambassade uitdrukkelijk opdracht heeft gekregen om niet in deze procedure te verschijnen anders dan om te betogen dat [verzoeker] niet ontvankelijk is in zijn verzoek en hij dan ook niet optreedt uit naam van de ambassade.

De conclusie kan hoe dan ook geen andere zijn dan dat een niet bestaande entiteit (een ambassade zonder rechtspersoonlijk) door [verzoeker] is aangewezen als procespartij en vervolgens is opgeroepen en dat [verzoeker] daarom in zijn verzoek jegens de ambassade niet ontvankelijk moet worden verklaard.

2.6.

Uit de voormelde beslissing van de Hoge Raad volgt dat het aan staten toekomende recht op immuniteit van jurisdictie onderdeel uitmaakt van het internationaal gewoonterecht (tenzij er een verdrag is tussen de desbetreffende staat en de staat der Nederlanden), waarin niet is voorgeschreven op welke wijze in de nationale rechtsorde toepassing moet worden gegeven aan dat recht.

Nu Sri Lanka niet is opgeroepen volgens de specifieke regels die op de oproeping van Sri Lanka op grond van de toepasselijke regels van toepassing zijn, mag uit het vrijwillig verschijnen van Sri Lanka in de persoon van mr. Dop (met de opdracht die hij heeft gekregen van Sri Lanka) ook niet worden afgeleid dat Sri Lanka zich onderwerpt aan de rechtsmacht van de Nederlandse rechter of dat Sri Lanka uitdrukkelijk of impliciet afstand heeft gedaan van een beroep op immuniteit van jurisdictie.

Of Sri Lanka in deze zaak een beroep zou toekomen op immuniteit van jurisdictie zou in de omstandigheden van dit geval een onderzoek van feitelijke aard vergen om de vraag te kunnen beantwoorden of dit ontslag op staande voet valt onder de “Acta iure gestionis”, waarbij dit beroep niet of minder snel opgaat of onder de Acta iure imperii, waar het beroep op immuniteit van jurisdictie wel doel treft.

Daarbij zou immers met name moeten worden gekeken naar welke taken en bevoegdheden [verzoeker] in het kader van zijn arbeidsovereenkomst feitelijk en juridisch zijn opgedragen.

Aan een dergelijk onderzoek komt de kantonrechter niet toe, omdat in dit geding een niet bestaande partij is opgeroepen. Ten overvloede wordt overwogen dat de feiten en omstandigheden, die bij de voortzetting van de mondelinge behandeling zijn besproken, nog geen duidelijkheid brengen omtrent het antwoord op de vraag of hier de hoofdregel van toepassing is (in beginsel valt een arbeidsovereenkomst met ambassadepersoneel onder de acta iure gestionis), dan wel dat in er in dit geval juist sprake is van een uitzondering op deze regel.

2.7.

Ten slotte moet dan aan de orde komen het antwoord op de vraag of [verzoeker] binnen de vervaltermijn van artikel 7:686a, vierde lid onderdeel a BW zijn verzoek heeft ingediend.

Ook dat vraagt om een onderzoek van feitelijke aard waar de kantonrechter niet aan toekomt, omdat in deze zaak een niet bestaande partij is opgeroepen. Het antwoord op de vraag of een eventuele overschrijding van die vervaltermijn in de omstandigheden van dit geval aan [verzoeker] verwijtbaar is, moet dan ook in het midden blijven. Immers feitelijk zou dan moeten worden onderzocht wie heeft te gelden als werkgever van [verzoeker] en ook daar komt de kantonrechter in deze constellatie met een niet bestaande procespartij niet aan toe.

2.8.

[verzoeker] is dus niet ontvankelijk in zijn verzoek jegens de ambassade.

Het betreft hier een verzoekschriftprocedure en in de omstandigheden van dit geval ziet de kantonrechter geen aanleiding om een uitspraak over de proceskosten te doen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

Verklaart [verzoeker] niet ontvankelijk in zijn verzoek jegens de ambassade.

Deze beschikking is gewezen door mr. L.C. Heuveling van Beek, kantonrechter en op 6 november 2019 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter