Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:12039

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-09-2019
Datum publicatie
15-11-2019
Zaaknummer
C/09/577727 / KG ZA 19/730
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Eiser wil dat art. 25 onde a van de Uitvoeringsregeling accijns onverbindend wordt verklaard en dat wordt geoordeeld dat de in Nederland volgens de Tsjechische methode gedenatureerde ethanol naar Tsjechie vervoerd mag worden onder vrijstelling van accijns en onder geleide van een Vereenvoudigd Administratief Geleidedocument. Volgens eiser hanteert de Staat een onjuiste visie bij de uitleg van verbindende Unierechtelijke bepalingen, waardoor de interne markt wordt verstoord en waardoor eiser bij ieder transport van alcohol naar haar Tsjechische klant een zeer aanzienlijk, mogelijk desastreus financieel risico loopt. Eiser is niet-ontvankelijk in de vorderingen bij de voorzieninenrechter, omdat eiser de bezwaren die in dit kort geding aan de worden worden gesteld in een bestuursrechtelijke procedure aan de orde kan stellen. Het gestelde spoedeisend belang maakt dat niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 19-11-2019
FutD 2019-3064
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/577727 / KG ZA 19/730

Vonnis in kort geding van 27 september 2019

in de zaak van

1 de vennootschap naar Belgisch recht Alcodis S.A. te Brussel, België,

2. Alco Energy Rotterdam B.V. te Rotterdam,

eiseressen,

advocaat mr. J.M. Wolfs te Maastricht,

tegen:

de Staat der Nederlanden, meer in het bijzonder het Ministerie van Financiën te Den Haag,

gedaagde,

advocaten mrs. E.H. Pijnacker Hordijk, C.M. Bergman en C. Muntinghe te Den Haag.

Eiseressen worden hierna afzonderlijk aangeduid als ‘Alcodis S.A.’ en ‘Alco Energy’; gezamenlijk worden zij (in vrouwelijk enkelvoud) aangeduid als ‘Alcodis’. Gedaagde wordt hierna aangeduid als ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met daarbij en nadien overgelegde producties;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de op 18 september 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald dat vonnis op uiterlijk 1 oktober 2019. Vonnis is vervolgens nader bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

Met betrekking tot de regelgeving

2.1.

Binnen de Europese Unie zijn de voorwaarden waaronder accijns op accijnsgoederen (waaronder alcohol) wordt geheven geharmoniseerd.

2.2.

In Richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken (hierna: de Accijnsrichtlijn) is in artikel 27 het volgende opgenomen, voor zover nu relevant:

“1. De Lid-Staten verlenen voor de onder deze richtlijn vallende producten vrijstelling van de geharmoniseerde accijns op de voorwaarden die zij vaststellen voor de juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstellingen en ter voorkoming van fraude, ontwijking of misbruik:

a) wanneer zij zijn gedistribueerd in de vorm van alcohol die volledig gedenatureerd is overeenkomstig de voorschriften van een Lid-Staat, waarbij deze voorschriften naar behoren zijn gemeld en aanvaard overeenkomstig de leden 3 en 4. Voorwaarde voor deze vrijstelling is dat de bepalingen van Richtlijn 92/12/EEG worden toegepast op het handelsverkeer van volledig gedenatureerde alcohol;

(…)

3. Vóór 1 januari 1993 en drie maanden vóór elke latere voorgenomen wijziging van de nationale wetgeving deelt elke Lid-Staat aan de Commissie, samen met alle dienstige informatie, de denatureringsmiddelen mede die hij voornemens is te gebruiken met het oog op de toepassing van lid 1, onder a). De commissie deelt deze gegevens binnen een maand na ontvangst mede aan de andere Lid-Staten.

4. Indien binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving aan de andere Lid-Staten noch de Commissie noch een Lid-Staat om behandeling van de aangelegenheid in de Raad heeft verzocht, wordt de Raad geacht het aangemelde denatureringsprocédé te hebben toegelaten. Indien binnen de termijn bezwaar wordt aangetekend, wordt er een besluit genomen overeenkomstig de procedure van artikel 24 van Richtlijn 92/12/EEG.

(…)”

2.3.

In de Bijlage bij Verordening 3199/93/EG van 22 november 1993 inzake de wederzijdse erkenning van procedures voor de volledige denaturering van alcohol in verband met de vrijstelling van accijns (hierna: de Bijlage en de Verordening) worden de denatureringsmiddelen die in iedere lidstaat worden gebruikt als bedoeld in artikel 27 van de Accijnsrichtlijn beschreven. Bij EU-Uitvoeringsverordening 2018/1880 van 30 november 2018 is de Bijlage bij de Verordening laatstelijk gewijzigd. Thans is in onderdeel I van de Bijlage een gemeenschappelijke denaturingsprocedure voor volledig gedenatureerde alcohol opgenomen (de Eurodenaturatie-methode) die in een groot aantal (in de bijlage bij naam genoemde) lidstaten van de Europese Unie (waaronder Nederland) wordt gebruikt. In onderdeel II zijn op voormelde gemeenschappelijke procedure gebaseerde procedures opgenomen die in het Verenigd Koninkrijk, Kroatië en Zweden worden gebruikt. In onderdeel III zijn aanvullende denatureringsprocedures voor volledige gedenatureerde alcohol opgenomen die in bepaalde lidstaten worden gebruikt, waaronder een methode voor denaturatie die in Tsjechïe wordt gebruikt (hierna ook: de Tsjechische methode).

2.4.

Een accijnsgoederenplaats is iedere plaats in Nederland waar op grond van de Wet op de accijns accijnsgoederen onder schorsing van accijns mogen worden vervaardigd, mogen worden verwerkt, voorhanden mogen zijn, mogen worden ontvangen en mogen worden verzonden. Accijns over deze goederen wordt verschuldigd zodra deze worden uitgeslagen tot verbruik (een en ander zoals bepaald in artikel 52 van de Wet op de accijns).

2.5.

In artikel 64 lid 1 aanhef en onder b van de Wet op de accijns is bepaald dat onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen vrijstelling van accijns wordt verleend ter zake van de uitslag tot verbruik van overige alcoholhoudende producten die kennelijk niet bestemd zijn voor inwendig gebruik door de mens. De in dit artikel bedoelde voorwaarden en beperkingen zijn neergelegd in artikel 25, aanhef en onder a van de Uitvoeringsregeling accijns, waarvan de tekst luidt:

“De vrijstelling van accijns voor overige alcoholhoudende producten, bedoeld in artikel 64, aanhef en eerste lid, onder b, van de wet, is uitsluitend van toepassing:

a. in geval van volledig gedenatureerde alcohol als bedoeld in artikel 27, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van (…) [voorzieningenrechter: de Accijnsrichtlijn], indien die overige alcoholhoudende producten zijn vermengd op de wijze, genoemd in de bijlage, onder I, bij (….) [voorzieningenrechter: de Verordening);

(…)”

2.6.

Alcohol die in Nederland voor vrijstelling van accijns in aanmerking komt, mag met een Vereenvoudigd Administratief Geleidedocument (VAGD) naar andere lidstaten van de Europese Unie vervoerd worden. Alcohol die in Nederland niet voor vrijstelling van accijns in aanmerking komt, moet “onder schorsing van accijns”, met een Elektronisch Administratief Document (e-AD) vervoerd worden. In dat laatste geval moet de verzender van de alcohol zekerheid aan de Belastingdienst stellen, voor accijns die verschuldigd is, of nog verschuldigd kan worden. Als vervoer plaatsvindt onder een VAGD is geen sprake van ambtelijke tussenkomst. Bij vervoer met een e-AD is sprake van een controle door ambtelijke tussenkomst.

Met betrekking tot onderhavig geschil

2.7.

Alcodis S.A. en Alco Energy zijn zusterondernemingen.

2.8.

Alcodis S.A. heeft een contract met een Tsjechische klant, waarbij de Tsjechische klant volgens de Tsjechische methode gedenatureerde alcohol afneemt van Alcodis S.A. De betreffende ethanol wordt geproduceerd door Caldic Chemic B.V. en wordt in opdracht van Alcodis S.A. bij Standic B.V. te Dordrecht volgens de Tsjechische methode gedenatureerd.

2.9.

De Staat stelt zich jegens Alcodis op het standpunt dat de volgens de Tsjechische methode gedenatureerde alcohol in Nederland niet voor vrijstelling van accijns in aanmerking komt, maar dat in Nederland alleen volgens de Eurodenaturatie-methode gedenatureerde alcohol voor die vrijstelling in aanmerking komt. Conform dit standpunt moet het transport van de gedenatureerde alcohol naar de Tsjechische klant van Alcodis S.A. volgens de Staat onder geleide van een e-AD plaatsvinden en moet zekerheid worden verstrekt voor het geschorste accijnsrisico. Die zekerheid wordt thans geboden door Alco Energy.

3 Het geschil

3.1.

Alcodis vordert, zakelijk weergegeven:

I. artikel 25 onder a van de Uitvoeringsregeling accijns onverbindend te verklaren, althans partieel onverbindend te verklaren, althans buiten toepassing te verklaren, althans de uitvoering c.q. toepasselijkheid van dat artikel op te schorten; en

II. derhalve te oordelen dat de in Nederland volgens de Tsjechische methode gedenatureerde ethanol vervoerd mag worden naar Tsjechië onder vrijstelling van accijns en onder geleide van een VAGD;

met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure.

3.2.

Daartoe voert Alcodis –kort samengevat – het volgende aan. De Staat hanteert een onjuiste visie ten aanzien van de uitleg van verbindende Unierechtelijke bepalingen. Uit de Europese regelgeving blijkt dat er vrijstelling van accijns moet worden verleend als alcohol wordt gedenatureerd conform een door de Europese Unie goedgekeurde methode en dat zijn dus alle methoden zoals omschreven in de Bijlage. De Staat stelt zich ten onrechte op het standpunt – neergelegd in de Uitvoeringsregeling accijns – dat in Nederland alleen alcohol die is gedenatureerd volgens de Eurodenaturatie-methode voor vrijstelling van accijns in aanmerking komt. De Staat heeft aldus met de Uitvoeringsregeling accijns de werking van de Verordening – die in al haar onderdelen verbindend is en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat – beperkt. Daarmee is artikel 25 onder a van de Uitvoeringsregeling accijns onmiskenbaar onverbindend.

3.3.

Door deze onjuiste visie van de Staat wordt, aldus Alcodis, de interne markt binnen de Europese Unie beperkt en loopt Alcodis bij ieder transport van alcohol aan haar Tsjechische klant – in verband met de zekerheidstelling voor het geschorste accijnsrisico – een zeer aanzienlijk, mogelijk desastreus, financieel risico. Die zekerheidstelling wordt geboden door Alco Energy, dus zij loopt in eerste instantie risico. Alcodis heeft onderling afgesproken dat Alcodis S.A. uiteindelijk het risico draagt, in die zin dat het risico naar haar verlegd wordt indien en voor zover het risico zich zou verwezenlijken. Alcodis heeft vanwege dit financiële risico een spoedeisend belang bij haar vorderingen. Bovendien loopt Alcodis S.A. het risico haar contract met de Tsjechische klant kwijt te raken, omdat deze alleen conform de Tsjechische methode gedenatureerde alcohol wil afnemen én deze alleen wil ontvangen onder geleide van een VAGD, hetgeen thans door de visie van de Staat niet mogelijk is. De civiele voorzieningenrechter is bevoegd van dit geschil kennis te nemen, omdat Alcodis geen ingang heeft om deze zaak aan de bestuursrechter voor te leggen.

3.4.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Het geschil van partijen ziet op de vraag of alcohol die in Nederland volgens de Tsjechische methode is gedenatureerd in Nederland moet worden vrijgesteld van accijns en dus onder geleide van een VAGD naar Tsjechië mag worden vervoerd, zoals Alcodis stelt, of dat vervoer dient plaats te vinden met een e-AD en onder zekerheidsstelling voor de accijns, zoals de Staat stelt.

4.2.

De Staat voert als meest verstrekkend verweer aan dat Alcodis niet-ontvankelijk is in haar vordering. Daartoe wordt aangevoerd dat de belastingrechter bij uitsluiting bevoegd is kennis te nemen van dit geschil en dat bij de belastingrechter een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat. Dit verweer slaagt. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.3.

Accijns op alcohol wordt verschuldigd zodra een partij alcohol “wordt uitgeslagen tot verbruik”, tenzij sprake is van een vrijstelling op grond van de Accijnsrichtlijn. Momenteel wordt – in verband met de visie van de Staat (de douane) – de conform de Tsjechische methode in Nederland gedenatureerde alcohol aan de Tsjechische klant van Alcodis S.A. verzonden onder schorsing van accijns en onder geleide van een A-ed. Dat brengt met zich dat Alcodis zekerheid moet stellen voor mogelijk verschuldigde accijns. Niet in geschil is overigens dat na uitslag tot verbruik in Tsjechië door Tsjechië geen accijns zal worden geheven op grond van artikel 27 van de Accijnsrichtlijn, zodat het voor Alcodis feitelijk het accijnsrisico gedurende het vervoer betreft.

4.4.

Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat het op de weg van Alcodis ligt in dit geval de bestuursrechtelijke weg te volgen en een fiscale beslissing uit te lokken. Zoals de Staat terecht naar voren heeft gebracht heeft Alco Energy daarvoor twee opties. Zij kan er voor kiezen een partij alcohol die volgens de Tsjechische methode is gedenatureerd zelf uit te slaan tot verbruik, waarna zij deze uitgeslagen accijnsgoederen opneemt in haar periodieke aangifte als bedoeld in artikel 53 van de Wet op de accijns. Vervolgens kan zij tegen die op aangifte voldane accijns bezwaar en vervolgens beroep bij de belastingrechter instellen. Een tweede mogelijkheid is dat Alco Energy de uitgeslagen accijnsgoederen niet in haar periodieke aangifte op neemt – omdat zij van mening is dat een vrijstelling van toepassing is – waarna de Belastingdienst (indien deze die mening niet deelt) een naheffingsaanslag kan opleggen. Ook tegen deze naheffingsaanslag staat bezwaar en beroep open. Via deze procedures kan de vraag of de in Nederland volgens de Tsjechische methode gedenatureerde alcohol in Nederland van accijns is vrijgesteld aan de daarvoor specifiek aangewezen belastingrechter worden voorgelegd.

4.5.

Met voormelde procedures is sprake van een speciale, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, die geen onnodige of belastende omweg vormt. Alcodis kan haar bezwaren tegen de artikel 25 onder a van de Uitvoeringsregeling accijns en het standpunt van de Staat over de uitleg van de toepasselijke Unierechtelijke bepalingen in die procedure aan de orde stellen. Hoofdregel is dat het bestaan van een dergelijke specifieke rechtsgang in de weg staat aan de mogelijkheid om dezelfde vragen aan de burgerlijke rechter voor te leggen.

4.6.

Het vorenstaande wordt niet anders door het door Alcodis gestelde spoedeisende belang bij haar vordering. Immers, ook in de bestuursrechtelijke procedure kan een voorlopige voorziening gevraagd worden. Niet gebleken is dat langs die weg niet op korte termijn een voorlopig rechterlijk oordeel kan worden verkregen. De blote stelling van Alcodis dat het in het bestuursrecht wel een jaar kan duren voor een voorlopige voorziening kan worden verkregen, is onvoldoende, nu de Staat er op heeft gewezen dat ook in het bestuursrecht op korte termijn een voorlopige voorziening kan worden getroffen. Zonder nadere motivering, die achterwege is gebleven, valt dan ook niet in te zien waarom een dergelijke spoedprocedure in dit geval niet kan worden gevoerd, eens te minder omdat ter terechtzitting door de Staat uitdrukkelijk is toegezegd dat de Belastingdienst bereid is mee te werken aan een spoedige behandeling in een bestuursrechtelijke procedure.

4.7.

Verder is ook niet gebleken dat het spoedeisend belang van Alcodis zodanig is dat zij niet op een beslissing (in een bestuursrechtelijke voorlopige voorziening) over het onderhavige geschil kan wachten. De voorzieningenrechter neemt in dit verband in aanmerking dat de stelling dat Alcodis S.A. haar Tsjechische klant mogelijk kwijt raakt niet is geconcretiseerd. Uit die stelling is dan ook niet af te leiden dat dit een reëel risico is en dat dat risico al zal intreden voordat (in voorlopige voorziening) een oordeel van de bestuursrechter is verkregen. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat Alcodis niet gevolgd kan worden in haar stelling dat zij thans een aanzienlijk en mogelijk desastreus financieel risico loopt, dat noopt tot een beslissing in kort geding. Immers, uit de toelichting van de Staat blijkt dat de zekerheidstelling voor het geschorste accijnsrisico – anders dan Alcodis stelt – geen negen miljoen euro per zending bedraagt, maar dat iedere alcoholgoederenplaats permanent in haar verhouding met de Belastingdienst een zekerheid van maximaal negen miljoen euro uit moet hebben staan indien zij accijnsgoederen onder schorsing van accijns wil uitvoeren. Een dergelijke zekerheid is onderdeel van de normale bedrijfsvoering van een alcoholgoederenplaats (zoals Alco Energy is). Voorts heeft de Staat toegelicht dat de kans dat die zekerheidstelling wordt uitgewonnen zeer gering is. Feitelijk komt het er op neer dat alleen als alcohol tijdens het transport verdwijnt, zonder dat vaststaat dat deze verloren is gegaan (zoals bijvoorbeeld in geval van diefstal) alsnog accijns verschuldigd wordt. Verlies van alcohol tot een bepaald volume in verband met verdamping of weglekken levert geen verschuldigde accijns op, en evenmin wordt accijns verschuldigd indien de alcohol door ontsporing van de trein geheel verloren gaat.

4.8.

De voorzieningenrechter overweegt tot slot dat ook de omstandigheid dat Alco Energy S.A. door een procedure bij de belastingrechter “uit te lokken” mogelijk accijns verschuldigd wordt – hetgeen in beginsel niet het geval is als zij de alcohol onder schorsing van accijns aan de Tsjechische afnemer van Alco Energy verzendt – er niet aan in de weg staat dat van haar gevergd kan worden dat zij de bestuursrechtelijke rechtsgang benut. Zoals de Staat ter terechtzitting immers onweersproken heeft gesteld, kan Alcodis er voor kiezen een kleine hoeveelheid alcohol uit te slaan en daarover vervolgens te procederen. Op die manier is Alco Energy, als zij in de bestuursrechtelijke procedure in het ongelijk wordt gesteld, slechts een laag bedrag aan accijns verschuldigd, terwijl zij wel de benodigde fiscale duidelijkheid krijgt.

4.9.

Slotsom is dat er geen grond is om af te wijken van de door de wetgever gewenste verdeling van zaken tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter. Alcodis is daarom niet-ontvankelijk in haar vordering bij de voorzieningenrechter en zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verklaart Alcodis niet-ontvankelijk in haar vordering;

5.2.

veroordeelt Alcodis in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.619,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 639,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2019.

idt