Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:12035

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-10-2019
Datum publicatie
15-11-2019
Zaaknummer
C/09/579145 / KG ZA 19/820
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Eisers stellen dat er door de wijze van de behandeling van twee beklagzaken op grond van artikel 12 Sv door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, althans de Staat, onrechtmatig jegens hen wordt gehandeld en willen dat dit onrechtmatig handelen door de gevorderde ordemaatregelen wordt beëindigd, c.q. hersteld. Eisers kunnen niet worden ontvangen in hun vorderingen bij de voorzieningenrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/579145 / KG ZA 19/820

Vonnis in kort geding van 24 oktober 2019

in de zaak van

1 [eisende partij sub 1] ,

2. [B.V. I] ,

3. [eisende partij sub 3] ,

respectievelijk wonende en gevestigd te [plaats 1] en [plaats 2] ,

eisers,

advocaat mr. F. Swart te Amsterdam.

tegen:

de Staat der Nederlanden, Ministerie van Justitie en Veiligheid, te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. S. Heeroma te Den Haag.

Eisers worden hierna gezamenlijk aangeduid als ‘ [eisende partij sub 1 c.s.] ’ en ieder afzonderlijk respectievelijk als ‘ [eisende partij sub 1] ’, ‘ [B.V. I] ’ en ‘ [eisende partij sub 3] ’. Gedaagde wordt hierna aangeduid als ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de akte inbreng producties tevens houdende akte wijziging/vermeerdering van eis;

- de door de Staat bij brief van 4 oktober 2019 overgelegde producties;

- de bij brief van 7 oktober 2019 overgelegde nagekomen producties van de zijde van [eisende partij sub 1 c.s.] ;

- de op 8 oktober 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op 22 oktober 2019. Vonnis is vervolgens nader bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eisende partij sub 3] is enig houder van de aandelen in [B.V. I] .

2.2.

[eisende partij sub 1] is betrokken geweest in civielrechtelijke procedures met Woningstichting Rochdale (hierna: Rochdale) als tegenpartij.

2.3.

[B.V. I] en [eisende partij sub 3] zijn betrokken geweest in civielrechtelijke procedures tegen de heer [A] en [B.V. X] (hierna gezamenlijk: [A c.s.] ). [eisende partij sub 1] heeft in die procedure opgetreden als advocaat van [B.V. I] en [eisende partij sub 3] .

2.4.

[eisende partij sub 1] heeft op 25 april 2016 aangifte gedaan tegen Rochdale en een aantal van haar medewerkers, omdat hij vindt dat zij zich tijdens een voorlopige getuigenverhoor in het kader van de civielrechtelijke procedures schuldig hebben gemaakt aan meineed. Volgens [eisende partij sub 1] hebben de behandelend rechters in de civiele procedures niet de juiste gevolgen verbonden aan deze meineed, die hij ook in de civiele procedures onder de aandacht heeft gebracht.

2.5.

Op 12 augustus 2016 heeft [eisende partij sub 1] namens [B.V. I] en [eisende partij sub 3] aangifte gedaan van valsheid in geschrifte en bedrog gepleegd door [A c.s.] in de onder 2.3 bedoelde civiele procedures (namelijk het in de procedure brengen van een vervalst gespreksverslag). Ook aan deze valsheid in geschrifte en bedrog zijn volgens [eisende partij sub 1 c.s.] in de civiele procedures niet de juiste gevolgen verbonden.

2.6.

Bij afzonderlijke brieven van 20 februari 2017 heeft het openbaar ministerie aan [eisende partij sub 1] bericht dat naar aanleiding van de aangifte van 25 april 2016 van [eisende partij sub 1] en de aangifte van 12 augustus 2016 namens [B.V. I] en [eisende partij sub 3] geen strafrechtelijke vervolging zal worden ingesteld. De brief van 20 februari 2017 over de aangifte namens [B.V. I] en [eisende partij sub 3] heeft [eisende partij sub 1] (door een eerdere onjuiste adressering) pas op 22 september 2017 bereikt.

2.7.

Naar aanleiding van voormelde brieven van 20 februari 2017 heeft mr. T.J. Stapel, advocaat, bij klaagschrift van 18 mei 2017 namens [eisende partij sub 1] beklag als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ingediend (hierna aan te duiden als: het beklag van [eisende partij sub 1] ) en heeft [eisende partij sub 1] , als advocaat van [B.V. I] en [eisende partij sub 3] , bij klaagschrift van 28 september 2017 namens [B.V. I] en [eisende partij sub 3] beklag ingediend (hierna aan te duiden als: het beklag van [B.V. I] en [eisende partij sub 3] . Beide klaagschriften zijn ingediend bij het gerechtshof Amsterdam.

2.8.

Bij beschikking van 7 september 2017 heeft het gerechtshof Amsterdam de zaak met betrekking tot het beklag van [eisende partij sub 1] doorverwezen naar het gerechtshof Arnhem, omdat bij de aangifte van [eisende partij sub 1] een brief was gevoegd waarin [eisende partij sub 1] schreef dat hij zich niet aan de indruk kon onttrekken dat het gerechtshof Amsterdam “er doelgericht op heeft aangestuurd om de zaak op de hiervoor aangehaalde leerstukken te doen stranden, zodat ieder inhoudelijk oordeel over de gestelde meineed uit de weg kon worden gegaan”. Bij beschikking van 22 mei 2018 is ook de beklagzaak van [B.V. I] en [eisende partij sub 3] verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Aanleiding voor deze verwijzing vormde een brief van de advocaat-generaal bij het gerechtshof Amsterdam die er onder meer op wijst dat in de beklagzaak van [B.V. I] en [eisende partij sub 3] ook voormelde brief is gevoegd en een brief van [eisende partij sub 1] die schrijft: “Overigens kan ik niet verhullen dat ook cliënt, gelet op het verloop tot nu toe, weinig hoop heeft op de goede afloop van deze zaak in – laten we zeggen- het Amsterdamse, zodat het wellicht om die reden geïndiceerd is de zaak te verwijzen.”

2.9.

Op 20 mei 2019 heeft [eisende partij sub 1] aangifte van afdreiging tegen Rochdale gedaan. Ten aanzien van deze aangifte is door het openbaar ministerie nog geen afdoeningsbeslissing genomen.

2.10.

Bij afzonderlijke, maar gelijkluidende brieven van 2 oktober 2018 heeft het gerechtshof Stapel, respectievelijk [eisende partij sub 1] in beide beklagzaken bericht dat de behandeling van het beklag zal worden aangehouden voor onbepaalde tijd, om “de advocaat-generaal bij het ressortsparket Arnhem-Leeuwarden in de gelegenheid te stellen een aanvullend schriftelijk verslag op te stellen, met het verzoek inhoudelijk op de zaak in te gaan. Voorts zal het hof de advocaat-generaal verzoeken in het aanvullend schriftelijk verslag aandacht te besteden aan de vraag of er een politie-sepot beschikbaar is.”

2.11.

Bij schrijven van 21 juni 2019 en 25 juni 2019 heeft de advocaat-generaal te Arnhem-Leeuwarden in de beklagzaak [B.V. I] en [eisende partij sub 3] , respectievelijk de beklagzaak van [eisende partij sub 1] schriftelijk verslag uitgebracht. De inhoud van deze verslagen is grotendeels gelijkluidend. Voor zover nu relevant staat het volgende in beide verslagen vermeld:

“(…)

Voor een samenvatting van de feiten, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de genomen beslissingen verwijs ik naar het ambtsbericht en de sepotbrief van de officier van justitie van 20 februari 2017. De officier van justitie heeft besloten geen vervolging in te stellen en heeft die beslissing in het ambtsbericht toegelicht.

Ik deel de opvatting van de officier van justitie ten aanzien van de vervolgingsbeslissing en acht die beslissing verantwoord.

Ik adviseer uw hof het beklag als ongegrond af te wijzen.

(…)”

2.12.

De mondelinge behandeling van beide beklagzaken heeft plaatsgevonden op 5 juli 2019, in raadkamer, ten overstaan van één van de leden van het gerechtshof (de voorzitter). Tijdens die behandeling van het beklag van [eisende partij sub 1] heeft [eisende partij sub 1] zich – blijkens het proces-verbaal raadkamer en de door [eisende partij sub 1] bij die mondelinge behandeling overgelegde pleitnota, kort samengevat – op het standpunt gesteld dat het verslag van de advocaat-generaal zeer summier is, dat de advocaat-generaal zich geen zelfstandig oordeel heeft gevormd over de klacht en dat het verslag niet kan worden aangemerkt als een verslag dat voldoet aan de eisen van de wet. [eisende partij sub 1] heeft het gerechtshof verzocht de zaak aan te houden, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een schikking te beproeven, dan wel direct de vervolging te gelasten of de zaak aan te houden om de advocaat-generaal alsnog een verslag te laten opstellen dat wel aan de eisen van de wet voldoet. [eisende partij sub 1] heeft verder aangevoerd dat van een inhoudelijke behandeling van het beklag ook nog geen sprake kan zijn, omdat het proces-verbaal van politie nog steeds ontbreekt en omdat de advocaat-generaal zich niet heeft uitgelaten over de afdreiging. De voorzitter heeft vervolgens, zo blijkt uit het proces-verbaal, medegedeeld dat met betrekking tot de aangifte van afdreiging nog geen sepotbeslissing bekend is, zodat die aangifte in de beklagprocedure buiten beschouwing blijft. Tevens heeft zij medegedeeld dat zij de hoorzitting op het beklag alleen behandelt, maar dat op het beklag meervoudig zal worden beslist. Ook op de aanhoudingsverzoeken, zo heeft de voorzitter ter zitting medegedeeld, zal een meervoudige beslissing volgen. Zij heeft [eisende partij sub 1] verzocht om een inhoudelijk standpunt in te nemen over het beklag. Indien een van de aanhoudingsverzoeken wordt gehonoreerd, zal dat nog worden meegedeeld en anders zal een eindbeslissing volgen. [eisende partij sub 1] heeft vervolgens medegedeeld dat hij het niet eens was met de voorgestelde wijze van behandeling van het klaagschrift, dat er geen vertrouwen is in een goede afloop van de zaak en dat hij de voorzitter wraakt. De behandeling in raadkamer is vervolgens geschorst in afwachting van de afhandeling van het wrakingverzoek. Dit wrakingsverzoek strekte zich, zo blijkt uit het proces-verbaal raadkamer (wraking) ook uit tot de beklagzaak van [B.V. I] en [eisende partij sub 3] .

2.13.

Bij beslissingen van de wrakingskamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 oktober 2019 zijn de verzoeken tot wraking afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eisende partij sub 1 c.s.] vorderen, zakelijk weergegeven:

  1. de Staat te gebieden om ten aanzien van [eisende partij sub 1] in de beklagzaak met kenmerk [nummer 1] en ten aanzien [B.V. I] en [eisende partij sub 3] in de beklagzaak met kenmerk [nummer 2] binnen één maand na betekening van dit vonnis een verslag uit te brengen, in overeenstemming met artikel 12a Sv, in die zin dat de advocaat-generaal bij het parket Arnhem-Leeuwarden een zelfstandig schriftelijk verslag opstelt, waarin hij alle klachten, gekwalificeerd en niet-gekwalificeerd, zowel individueel als in onderlinge samenhang bezien, beoordeelt en de advocaat-generaal tevens tot een zelfstandige eindoordeel komt over de opportuniteit van de vervolging van de beklaagden;

  2. zolang aan het voormelde niet is voldaan, de Staat op te dragen het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden te verbieden om een beschikking te wijzen in voormelde klachtprocedures, althans de Staat (het OM) te gebieden om het hof te verzoeken de zaak aan te houden tot één maand nadat dat de advocaat-generaal zijn verslag heeft opgesteld;

  3. de Staat te bevelen een strafrechtelijke vervolging in te stellen tegen de beklaagden, althans de Staat te bevelen om binnen één maand na het verschijnen van het verslag van de advocaat-generaal, zoals hiervoor onder i nader omschreven, een strafrechtelijk onderzoek in te stellen, naar alle strafbare feiten, zoals beschreven in de klaagschriften van [eisende partij sub 1 c.s.] , gekwalificeerd en niet gekwalificeerd;

  4. de Staat op te dragen tot het verrichten van een volledig neutraal onderzoek, waarbij mr. Stapel in alle stappen van het onderzoek wordt gekend en waarin de Nationale ombudsman als neutraal procesbewaker wordt toegelaten;

  5. indien het gevorderde onder iii leidt tot een strafrechtelijk onderzoek en dit onderzoek is afgerond, de Staat te bevelen een nieuwe mondelinge behandeling te bepalen, met inachtneming van een termijn van minimaal één maand na het afronden van het strafrechtelijk onderzoek;

alles met veroordeling van de Staat in de kosten van dit geding.

3.2.

Daartoe voeren [eisende partij sub 1 c.s.] aan dat er door de wijze van de behandeling van de beide beklagzaken door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, althans de Staat, onrechtmatig jegens hen wordt gehandeld. Dit onrechtmatig handelen moet door de gevorderde ordemaatregelen worden beëindigd c.q. hersteld.

3.3.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij de Staat, meer in het bijzonder het openbaar ministerie, het vervolgingsmonopolie rust. Aan het openbaar ministerie komt een ruime beleidsvrijheid toe bij de beantwoording van de vraag of wel of geen strafvervolging moet plaatsvinden. Als de officier van justitie besluit om een strafbaar feit niet te vervolgen, kan over die beslissing op grond van artikel 12 Sv beklag worden gedaan bij het gerechtshof. [eisende partij sub 1 c.s.] hebben deze mogelijkheid ook benut. De beklagregeling vormt in beginsel een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, die – vanwege het gesloten stelsel van rechtsmiddelen – de weg naar de burgerlijke rechter uitsluit. Indien de voorzieningenrechter via een (on)rechtmatigheidstoets de juistheid van in de artikel 12 Sv-procedure genomen beslissingen zou kunnen toetsen, komt dat neer op een verkapt (tussentijd) appel. Dat is een rol die de voorzieningenrechter niet toekomt. Slechts in zeer uitzonderlijke situaties staat de weg naar de voorzieningenrechter wel open, bijvoorbeeld als sprake is van een bijzonder spoedeisende situatie (vlg. Rechtbank Den Haag, 10 november 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:13061), of als er geen sprake is van een eerlijke behandeling van de zaak in de zin van artikel 6 EVRM. Van een dergelijke uitzonderlijke situatie is in dit geval geen sprake, zodat [eisende partij sub 1 c.s.] niet kunnen worden ontvangen in hun vorderingen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.

4.2.

[eisende partij sub 1 c.s.] hebben bezwaar tegen het advies van de advocaat-generaal in beide beklagzaken. Volgens [eisende partij sub 1 c.s.] houden de verslagen niet meer in dan een referte aan de sepotbeslissing van de officier van justitie en kan daarmee niet worden volstaan. De voorzieningenrechter acht het advies van de advocaat-generaal nogal summier gelet op het feit dat het gerechtshof in beide zaken de advocaat-generaal heeft gevraagd om inhoudelijk op de zaak in te gaan; een enkele referte aan de sepotbeslissing van de officier van justitie lijkt niet op een inhoudelijke beoordeling. Het is echter, zoals ook al volgt uit hetgeen onder 4.1 is overwogen en anders dan [eisende partij sub 1 c.s.] beogen, niet aan de voorzieningenrechter om te beoordelen of het advies aan de daaraan te stellen (wettelijke) eisen voldoet. Dat oordeel is – gezien de manier waarop de artikel 12 Sv-procedure door de wetgever is ingericht – voorbehouden aan het gerechtshof. Indien het gerechtshof daartoe aanleiding ziet, kan het de advocaat-generaal opdragen een nader verslag, met een eigen inhoudelijke beoordeling door de advocaat-generaal, op te stellen.

4.3.

Het gerechtshof heeft de beklagzaak feitelijk nog niet inhoudelijk behandeld en heeft ook nog niet geoordeeld over de genoegzaamheid van de verslagen van de advocaat-generaal. Er bestaat voor de voorzieningenrechter geen aanleiding om te treden in de bevoegdheden van het gerechtshof in de artikel 12 Sv-procedure. De enkele omstandigheid dat de voorzitter van het gerechtshof bij de mondelinge behandeling niet direct de beslissing heeft willen nemen om de zaak aan te houden in afwachting van een nader verslag van de advocaat-generaal, vormt daarvoor geen grond. Op de mededeling van de voorzitter dat zij die beslissing meervoudig wilde nemen valt niets af te dingen en deze mededeling getuigt van zorgvuldigheid. Hieraan kan niet de conclusie worden verbonden dat bij het gerechtshof geen sprake is van een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. Hetzelfde geldt voor de wens van de voorzitter om tijdens de mondelinge behandeling de zaak alvast inhoudelijk te behandelen.

4.4.

Het vorenstaande wordt ook niet anders door de omstandigheid dat alleen de voorzitter bij de mondelinge behandeling aanwezig was en de andere raadsheren die over deze zaak oordelen daardoor afhankelijk zijn van het verslag van de voorzitter. Immers, de wet (artikel 12h Sv) voorziet in de mogelijkheid dat het horen van de klager aan één van de leden van het gerechtshof wordt opgedragen. In dit verband merkt de voorzieningenrechter nog op dat voor zover [eisende partij sub 1 c.s.] stellen dat uit de houding van de voorzitter op 5 juli 2019 kan worden afgeleid dat te vrezen valt dat de behandeling van de beklagzaken vooringenomen zal verlopen, dit hen in dit kort geding ook niet baat. Immers, de wrakingskamer van het gerechtshof heeft naar aanleiding van de wrakingsverzoeken van [eisende partij sub 1 c.s.] al geoordeeld dat uit de gedragingen van de voorzitter geen partijdigheid of vooringenomenheid, of de objectieve vrees daartoe, kan worden afgeleid.

4.5.

Zoals uit het voorstaande volgt is van een inhoudelijke behandeling van de beklagzaken nog geen sprake geweest en kan uit de behandeling van de beklagzaken tot heden niet worden afgeleid dat er sprake is van een situatie waarin de procedure van artikel 12 Sv geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang zou bieden. Gelet hierop staat de weg naar de voorzieningenrechter niet open en moeten [eisende partij sub 1 c.s.] reeds daarom niet ontvankelijk worden verklaard in al hun vorderingen. De vraag naar de juridisch grondslag van de vorderingen van [eisende partij sub 1 c.s.] en op grond waarvan de voorzieningenrechter de bevoegdheid zou hebben de specifieke, vergaande ordemaatregelen te treffen, kan verder onbeantwoord blijven. De door [eisende partij sub 1 c.s.] gestelde spoedeisendheid maakt dit alles niet anders. Die spoedeisendheid is niet zodanig dat van [eisende partij sub 1 c.s.] niet gevergd kan worden dat zij de aangewezen weg van de artikel 12 Sv-procedure (verder) bewandelen en de resultaten daarvan afwachten.

4.6.

[eisende partij sub 1 c.s.] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verklaart [eisende partij sub 1 c.s.] niet-ontvankelijk in hun vorderingen;

5.2.

veroordeelt [eisende partij sub 1 c.s.] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.619,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 639,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2019.

idt