Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1201

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
12-02-2019
Zaaknummer
18/7468
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

geen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 18/7468 (beroep)

AWB 18/7469 (voorlopige voorziening)

[V-nr.]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 29 januari 2019 in de zaken tussen

[eiseres] (voorheen: [eiseres] ),

geboren op [geboortedatum] , van Armeense nationaliteit, eiseres en verzoekster, hierna te noemen: eiseres

(gemachtigde: mr. A. Koopsen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 4 juli 2016 tot uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 2 oktober 2018 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 8 oktober 2018 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Bij brief van diezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2018. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich niet laten vertegenwoordigen en heeft de rechtbank daarover vooraf bericht. Ook was ter zitting aanwezig [naam 1] , de psychologe van eiseres. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1.1

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres in het primaire besluit afgewezen omdat de vereiste behandeling mogelijk is in Armenië, het land van herkomst van eiseres. Hieraan heeft verweerder een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van
12 september 2016 ten grondslag gelegd.

1.2

Uit het advies van 12 september 2016 komt, samengevat, naar voren dat eiseres psychische klachten heeft en dat zij hiervoor wordt behandeld. Ook is medicatie geïndiceerd. Tevens staat in het BMA-advies dat eiseres nierproblemen heeft. Hiervoor staat zij onder behandeling bij een nefroloog en krijgt zij medicatie. Eiseres heeft daarnaast bloedarmoede, hoofdpijnklachten bij hoge bloeddruk en een verhoogd cholesterolgehalte, waarvoor zij ook medicatie krijgt. Het BMA merkt op dat uit het dossier niet blijkt dat mantelzorg voor eiseres essentieel is voor het welslagen van de medische behandeling. Bij het uitblijven van behandeling wordt verwacht dat een medische noodsituatie op korte termijn zal ontstaan. De voor eiseres noodzakelijke behandeling en de medicatie zijn aanwezig in Armenië. Eiseres is in staat om te reizen onder bepaalde medische voorwaarden. Fysieke overdracht is volgens het BMA noodzakelijk.

1.3

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Verweerder heeft aanleiding gezien om een aanvullend BMA-advies te vragen, van 23 januari 2017. Verweerder heeft vervolgens de behandeling van het bezwaar aangehouden wegens het arrest Paposhvili v. België1 en de daarop volgende wijziging van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 . Bij brief van 22 september 2017 is de bezwaarprocedure voortgezet. Verweerder gaf hierbij tevens aan dat het medisch advies van 12 september 2016 door de aanhouding verouderd was en dat een nieuw BMA-advies zou worden uitgebracht.

1.4

Op 5 januari 2018 is een nieuw advies uitgebracht. Hierin staat dat volgens de behandelaars van de GGZ geen sprake is van een wijziging in de klachten van eiseres. Het BMA verwacht bij het uitblijven van de benodigde behandeling, die bestaat uit therapie, consulten door artsen en medicatie, een medische noodsituatie op korte termijn. Zowel de psychiatrische gesteldheid als de bloeddrukproblemen kunnen tot de dood of ernstige invaliditeit leiden. Eiseres kan niet reizen, tenzij wordt voldaan aan de reisvoorwaarden. Tijdens de reis zijn enige medische voorzieningen noodzakelijk, namelijk begeleiding door bijvoorbeeld een psychiatrisch verpleegkundige, die de medicatie in beheer houdt vanwege een risico op zelfdoding. Totdat wordt voldaan aan de reisvoorwaarden kan niet worden gereisd, aldus het BMA. Het advies vermeldt verder dat uitgaande van de juistheid van de beschikbare informatie met betrekking tot de therapiemogelijkheden in Armenië, de voor eiseres benodigde behandeling in Armenië aanwezig is.

1.5

In het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing, onder verwijzing naar het BMA-advies van 5 januari 2018, gehandhaafd. Het BMA-advies is inzichtelijk en concludent en verweerder mocht dit dan ook ten grondslag leggen aan het bestreden besluit. Er is ook geen reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM2. Verweerder heeft daarbij overwogen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in Armenië geen toegang zal hebben tot de vereiste medische zorg.

2.1

Eiseres voert onder meer aan dat mantelzorg in haar geval essentieel is voor een effectieve behandeling en dat is onvoldoende tot uitdrukking gekomen in verweerders besluitvorming. Eiseres heeft haar betoog met diverse stukken onderbouwd, waaronder met een e-mail van 16 januari 2018 van [naam 2] , verpleegkundige bij MOO.3 In de e-mail staat, onder meer:

“(…) Ik heb vandaag met [eiseres] gesproken over de impact die terugkeer naar Armenië voor haar gezondheid betekent. Ik heb dit overgenomen van [naam 3] die ziek is.

Zij stelt:

(…) In Nederland heeft zij een netwerk van zowel formele (behandelaars/specialisten) als informele steunpunten (mantelzorg) waarmee zij zich net staande weet te houden en haar gezondheid zo goed mogelijk kan bewaken. (…)”

3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat, voor zover wat MOO voor eiseres doet dient te worden aangemerkt als mantelzorg, dat niet kan leiden tot uitstel van vertrek. Volgens verweerder moet daarvoor namelijk sprake zijn van mantelzorg die wordt gegeven door – kort gezegd – rechtmatig in Nederland verblijvende gezins- of familieleden. Niet is gebleken dat daarvan sprake is, aldus verweerder. In het verweerschrift heeft verweerder aanvullend gesteld dat de inhoud van de e-mail is gebaseerd op verklaringen van eiseres zelf. Om die reden kan daar dan ook niet de waarde aan worden toegekend, die eiseres daaraan gehecht wil zien.

4.1

In geschil is de vraag of eiseres noodzakelijke mantelzorg ontvangt, en zo ja, of verweerder zich dan op het standpunt heeft mogen stellen dat die noodzakelijke mantelzorg niet kan leiden tot uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000. De rechtbank overweegt als volgt.

4.2

Mantelzorg is in verweerders beleid geregeld in paragraaf A3/7.1.6 van de Vc 2000. Daarin staat onder meer:

“(…) Om in aanmerking te komen voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw vanwege door BMA noodzakelijk geachte mantelzorg moet de vreemdeling aantonen dat:

de vreemdeling in Nederland mantelzorg (die een essentieel onderdeel is van de medische behandeling) ontvangt van een of meer gezins- of familieleden, die hier te lande verblijven op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw of Nederlander zijn; en

(…)

Als de vreemdeling in Nederland geen mantelzorg ontvangt van gezins- of familieleden, maar mantelzorg wordt verleend door een andere derde (niet zijnde een medisch professional) dan kan de IND overwegen dat deze in het land van herkomst ook door een derde verleend kan worden. (…)”

4.3

De rechtbank constateert dat verweerder zijn beleid in het bestreden besluit niet juist heeft toegepast. Verweerder heeft zich daarin slechts uitgelaten over mantelzorg verleend door rechtmatig in Nederland verblijvende gezins- of familieleden. De rechtbank is van oordeel dat eiseres met de e-mail van mevrouw [naam 2] aannemelijk heeft gemaakt dat zij mantelzorg krijgt van derden zoals in het beleid is genoemd. Dit heeft verweerder echter niet betrokken in zijn besluitvorming, terwijl dat wel kan uitmaken voor het door eiseres beoogde uitstel van vertrek. Volgens eiseres kan de mantelzorg immers niet worden verleend door derden in Armenië. Dit motiveringsgebrek is in het verweerschrift niet gerepareerd. In het verweerschrift stelt verweerder daarnaast dat de e-mail is gebaseerd op stellingen van eiseres zelf. De rechtbank volgt dit niet. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat de informatie uit de

e-mail is afgeleid van verklaringen van [naam 3] , de vaste begeleidster van eiseres en coördinator bij het MOO. De passage “zij stelt” slaat namelijk terug op [naam 3] en niet op eiseres. Dit is tevens ter zitting bevestigd door de psychologe van eiseres.

4.4

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder zijn standpunt ten aanzien van de mantelzorg niet voldoende heeft gemotiveerd. De beroepsgrond van eiseres slaagt dan ook. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder aanleiding moeten zien de informatie ten aanzien van de mantelzorg uit de e-mail van 16 januari 2018 aan het BMA voor te leggen. Daarbij had het BMA dan ook de informatie over de noodzakelijke mantelzorg die de oudere huisgenoot van eiseres volgens eiseres verleend, zoals is verklaard bij de hoorzitting en verder is toegelicht op de zitting, moeten betrekken. Verweerder dient deze informatie dan ook alsnog voor te leggen aan het BMA. De rechtbank ziet aanleiding verweerder verder op te dragen de informatie die gedurende de beroepsprocedure en op de zitting bij de rechtbank bekend is geworden ook aan het BMA voor te leggen. Volgens de psychologe van eiseres is zij namelijk geplaatst op een wachtlijst voor een psychiatrische opname. Verder heeft de psychologe op de zitting uitgelegd dat in het medisch dossier van eiseres, waar het BMA ook over beschikt en de rechtbank niet, een brief aanwezig is waarin staat dat voor eiseres een combinatiebehandeling van de nefroloog en psycholoog noodzakelijk is. Als dit klopt, dan dient verweerder het BMA te vragen zich ook daarover uit te laten.

5. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en dat is in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal de rechtbank wat overigens door eiseres is aangevoerd buiten bespreking laten. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder zal het BMA om een aanvullend dan wel nieuw advies moeten vragen, waarbij rechtsoverwegingen 4.1 tot en met 4.4 betrokken zullen moeten worden. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

6. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.536,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Als aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 18/7468,

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 17/7469,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter, in alle zaken,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.536,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.S. Kempers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 13 december 2016 inzake Paposhvili v. België, procedurenummer 41738/10.

2 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

3 Medisch Opvangtraject Ongedocumenteerden