Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:12004

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2019
Datum publicatie
19-11-2019
Zaaknummer
09/857003-19 en 09/837308-19 (ttz gev)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 52-jarige man voor het plegen van ontucht met zijn minderjarige stiefzoon, zoon en dochter en het bezit van kinderporno. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 48 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast wijst de rechtbank de vorderingen tot schadevergoeding van de slachtoffers (deels) toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-1339
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/857003-19 en 09/837308-19 (ttz gev)

Datum uitspraak: 13 november 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1967 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de [penitentiaire inrichting] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 30 oktober 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.C.E.T. de Ceuninck van Capelle en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J. Gravesteijn naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging – ten laste gelegd dat:

09/857003-19 (dagvaarding I)

1.

hij meermalen, althans een maal, in of omstreeks 1 augustus 2009 tot en met 1 november 2010 te Schipluiden, gemeente Midden-Delfland, althans in Nederland, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 3] 1999, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit:

- het zoenen op de mond en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

- het betasten van het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

- het betasten van de penis van die [slachtoffer 1] en/of

- het zich laten aftrekken door die [slachtoffer 1] en/of

- het aftrekken van die [slachtoffer 1] en/of

- het in zijn, verdachtes, mond brengen en/of houden en/of heen en weer bewegen van de

penis van die [slachtoffer 1] ,

zulks terwijl hij (telkens) aan zijn, verdachtes, zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd;

2.

hij meermalen, althans een maal, in of omstreeks de periode van 22 mei 2014 tot en met 6 december 2018 te Delft en/of Schipluiden, gemeente Midden-Delfland, althans in Nederland, (telkens) met [slachtoffer 2] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , hebbende verdachte (telkens)

- het aftrekken van die [slachtoffer 2] en/of

- het in zijn, verdachtes, mond brengen en/of houden en/of heen en weer bewegen van de

penis van die [slachtoffer 2] en/of

- het duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 2] ,

zulks terwijl hij aan zijn, verdachtes zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd en/of

- het duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis in de anus van die [slachtoffer 2] ;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij meermalen, althans een maal, in of omstreeks de periode van 22 mei 2014 tot en met 6 december 2018 te Schipluiden, gemeente Midden-Delfland, althans in Nederland met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag] 2009, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit

- het aftrekken van die [slachtoffer 2] en/of

- het likken van de penis van die [slachtoffer 2] en/of

- het in zijn, verdachtes, mond brengen en/of houden en/of heen en weer bewegen van de

penis van die [slachtoffer 2] ,

zulks terwijl hij aan zijn, verdachtes zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd;

3.

hij meermalen, althans een maal, in of omstreeks 8 oktober 2009 tot en met 7 oktober 2018 te Schipluiden, gemeente Midden-Delfland, althans in Nederland, (telkens) met [slachtoffer 3] , die toen (telkens) de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , hebbende verdachte:

- zijn, verdachtes tong in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 3]

gebracht en/of

- zijn, verdachtes vinger(s) tussen de schaamlippen en/of in de vagina van die [slachtoffer 3]

geduwd/gebracht en/of

- zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 3] geduwd/gebracht,

zulks terwijl zij aan zijn, verdachtes zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd;

4.

hij meermalen, althans een maal, in of omstreeks de periode van 8 oktober 2009 tot en met 7 oktober 2018 te Schipluiden, gemeente Midden-Delfland, althans in Nederland,(telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedag 2] 2007, bestaande die ontucht (telkens) hierin dat hij:

- zich heeft afgetrokken in de directe nabijheid van die [slachtoffer 3] en/of (daarbij) heeft

geejaculeerd op de (ontklede) buik van die [slachtoffer 3] en/of

- zijn, verdachtes, penis heeft laten betasten door die [slachtoffer 3] en/of

- zijn, verdachtes, vingers heeft gebracht tussen de schaamlippen en/of in/tegen de vagina

en/of op/tegen clitoris en/of over de clitoris heeft gestreeld, althans de vagina van die [slachtoffer 3]

heeft betast en/of

- aan de borsten/tepels van die [slachtoffer 3] heeft gezogen en/of

- die [slachtoffer 3] met haar (naakte) vagina op zijn, verdachtes penis, althans lichaam, heeft

laten zitten en/of (daarbij) [slachtoffer 3] op en neer gaande (rijdende) bewegingen heeft

laten maken;

09/837308-19 (dagvaarding II)

hij op of omstreeks 18 februari 2019 te Delft, althans in Nederland, afbeeldingen en/of gegevensdragers, bevattende afbeeldingen, te weten op een tablet/I pad en/of een CD rom, van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft verworven en/of in bezit heeft gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft

welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

het met de/een penis en/of vinger(s) en/of voorwerp en/of tong, oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

en/of

het met de/een vinger(s) en/of voorwerp en/of penis en/of tong oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

['']

en/of ['']

en/of

het met de/een penis en/of vinger(s)/hand en/of mond/tong betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, de billen en/of borsten van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

en/of

het met de/een penis/ en/of vinger(s)/hand en/of mond/tong betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, de billen en/of borsten van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

[''] en/of

['']

en/of

het door een dier oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

en/of

het door een dier likken, betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, de billen en/of de borsten van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

['']

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en/of opgemaakt is en/of poseert in een omgeving en/of met een voorwerp en/of in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past/passen en/of waarbij deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van zijn/haar kleding ontdoet en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de foto's /film(s) nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen van deze persoon in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling

['']

en/of

het masturberen boven/bij en/of ejaculeren op het gezicht en/of lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

en/of

het houden van een (stijve) penis bij/naast het gezicht en/of lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij op dat gezicht/lichaam een op sperma gelijkende substantie zichtbaar is, (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling ['']

en hij/zij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op 30 april 2018 heeft [slachtoffer 1] (hierna ook: [slachtoffer 1] ), geboren op [geboortedag 3] 1999, aangifte gedaan van seksueel misbruik gepleegd door zijn stiefvader (de verdachte). De verdachte zou hem tijdens een zomervakantie, toen hij ongeveer tien jaren oud was, hebben misbruikt. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij aangifte deed omdat hij bang was dat ook zijn halfbroertje en halfzusje – de biologische kinderen van zijn stiefvader – door zijn stiefvader seksueel zouden worden misbruikt. Het misbruik van [slachtoffer 1] is ten laste gelegd bij dagvaarding I onder 1.

In september 2018 is door [aangever 1] en [aangever 2] aangifte gedaan van misbruik van hun kleinzoon [slachtoffer 2] (hierna ook: [slachtoffer 2] ), geboren op [geboortedag] 2009, door de vader van [slachtoffer 2] (de verdachte). [slachtoffer 2] had in juni 2018 aan zijn opa en oma verteld dat papa met zijn piemel had gespeeld. Op 2 oktober 2018 is [slachtoffer 2] in een kindvriendelijke studio verhoord. [slachtoffer 2] heeft verklaard meermalen te zijn misbruikt door zijn vader. Het misbruik van [slachtoffer 2] is ten laste gelegd bij dagvaarding I onder 2.

Op 29 maart 2019 heeft [aangever 1] verklaard dat zijn kleindochter [slachtoffer 3] (hierna ook: [slachtoffer 3] ), geboren op [geboortedag 2] 2007, opmerkingen had gemaakt waaruit kon worden geconcludeerd dat ook zij was misbruikt door haar vader. Op 16 april 2019 is [slachtoffer 3] in een kindvriendelijke studio verhoord. [slachtoffer 3] heeft verklaard meermalen te zijn misbruikt door haar vader. Het misbruik van [slachtoffer 3] is ten laste gelegd bij dagvaarding I onder 3 en 4.

Naar aanleiding van voorgaande verklaringen is de verdachte aangehouden en zijn huiszoekingen verricht. Daarbij zijn op 18 februari 2019 in een kluis en op een tablet van de verdachte 6.162 kinderpornografische afbeeldingen aangetroffen. Het bezit van kinderporno is ten laste gelegd bij dagvaarding II.

De verdachte heeft bekend ontucht te hebben gepleegd met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , maar hij heeft sommige ten laste gelegde handelingen met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ontkend. Verder heeft hij bekend kinderpornografische afbeeldingen in zijn bezit te hebben gehad.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de aan de verdachte bij dagvaarding I onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten en het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het bij dagvaarding I onder 2 primair ten laste gelegde duwen/brengen van de penis van de verdachte in de anus. Van dit onderdeel heeft hij vrijspraak gevraagd, omdat het enige bewijs hiervoor een ‘de auditu’ verklaring van getuige [aangever 1] is en de verdachte dit onderdeel heeft ontkend.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

3.4.1

Dagvaarding I

3.4.1.1 Feit 1 ( [slachtoffer 1] )

Aangezien de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en de raadsman van de verdachte geen vrijspraak heeft bepleit van dit feit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 30 oktober 2019;

- het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 53-57;

- het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] , p. 65.

3.4.1.2 Feit 2 ( [slachtoffer 2] )

Aangezien de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en de raadsman van de verdachte geen vrijspraak heeft bepleit van dit feit in zoverre de rechtbank dat bewezen acht, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank acht het onder 2 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 30 oktober 2019;

- het proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] , p. 66-70;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 130, met als bijlage de uitwerking van het studioverhoor van [slachtoffer 2] , p. 131-146.

Pleegperiode

Ten aanzien van het einde van de pleegperiode overweegt de rechtbank dat uit het dossier is gebleken dat de verdachte in juni 2017 door zijn toenmalige echtgenote, de moeder van zijn kinderen, het huis uit is gezet nadat zij erachter was gekomen dat de verdachte haar zoon [slachtoffer 1] had misbruikt.2 De verdachte heeft verklaard dat hij zich daarna meteen heeft aangemeld bij de GGZ, en werd doorverwezen naar De Waag. Tijdens de periode dat hij onder behandeling was bij De Waag is er niets meer gebeurd, aldus de verdachte.3 Gelet op deze verklaringen zal de rechtbank de pleegperiode tot en met 1 juli 2017 bewezen verklaren.

Partiële vrijspraak

Na een wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 30 oktober 2019 is aanvullend ten laste gelegd dat de verdachte zijn penis in de anus van [slachtoffer 2] heeft geduwd/gebracht. Het enige bewijs voor deze handeling is een verklaring van [aangever 1] , die zijn kleinzoon heeft horen zeggen dat de verdachte hem anaal heeft gepenetreerd. De verdachte heeft ontkend [slachtoffer 2] anaal te hebben gepenetreerd. [slachtoffer 2] heeft hierover tijdens het studioverhoor op 2 oktober 2018 – waar hij uitvoerig heeft verklaard over het misbruik – ook niet verklaard. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de enkele ‘de auditu’ verklaring van [aangever 1] onvoldoende is om wettig en overtuigend bewezen te kunnen achten dat de verdachte [slachtoffer 2] anaal heeft gepenetreerd. De rechtbank zal de verdachte derhalve vrijspreken van dat onderdeel (vierde gedachtestreepje) van de tenlastelegging.

3.4.1.3 Feiten 3 en 4 ( [slachtoffer 3] )

Verklaring [slachtoffer 3]

, geboren op [geboortedag 2] 2007, heeft verklaard dat haar vader, de verdachte, zijn middelvinger in haar vagina deed en dan ronddraaide. Dit gebeurde wel elke dag in de schuur, in de douche of in de keuken van hun woning in Schipluiden. [slachtoffer 3] heeft ook verklaard dat de verdachte zich in haar bijzijn in de schuur heeft afgetrokken en dat er wit spul uit zijn penis op haar buik terecht is gekomen. Hij heeft ook aan haar borsten gezeten en aan haar tepels gezogen en met zijn tong haar vagina gelikt. Dit gebeurde bijna elke dag als haar moeder naar de winkel was. [slachtoffer 3] heeft ook verklaard dat zij van de verdachte in haar bed moest gaan liggen en haar kleren uit moest doen. De verdachte likte dan aan haar vagina, knabbelde aan haar borsten en vingerde haar. Dit gebeurde twee keer per week. Ook moest zij zich uitkleden en op de buik van de verdachte gaan liggen en heen en weer stuiten. Zij moest dan haar vagina op de penis van de verdachte leggen en op en neer gaan. De verdachte heeft ook zijn penis in haar mond gedaan. Zij moest er dan aan zuigen. De verdachte duwde totdat zijn penis niet meer verder kon. Dit gebeurde ook bijna elke dag. Dit alles vond plaats in hun huis in Schipluiden.4

Verklaring verdachte

De verdachte heeft verklaard dat hij zich wel eens heeft afgetrokken in de nabijheid van zijn dochter [slachtoffer 3] . Ook is er een keer sperma op de buik van [slachtoffer 3] terecht gekomen. De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 3] een paar keer – nadat hij haar dat had gevraagd – zijn penis heeft aangeraakt. Ook heeft zij twee keer zijn penis in haar mond gehad. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij [slachtoffer 3] wel eens heeft gevingerd en dat hij haar clitoris dan stimuleerde. Hij maakte draaiende bewegingen maar heeft zijn vinger niet in haar vagina gehad. De verdachte heeft [slachtoffer 3] ook meer dan een keer gebeft.5

De verdachte heeft ontkend dat [slachtoffer 3] naakt op hem heeft gezeten.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat de verklaring die [slachtoffer 3] heeft afgelegd tijdens het

studioverhoor zeer gedetailleerd is. Zij heeft eerst in haar eigen woorden en uit zichzelf verklaard over het misbruik, en daarna geantwoord op open vragen van de verhoorder. De verklaring van [slachtoffer 3] komt authentiek en betrouwbaar op de rechtbank over en de rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De verdachte heeft voorts alle ontuchtige handelingen – op één na – waarover [slachtoffer 3] heeft verklaard, bekend. Zijn verklaring dat [slachtoffer 3] niet naakt op hem heeft gezeten, schuift de rechtbank dan ook als ongeloofwaardig terzijde. De rechtbank acht de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, waaronder ook de bij onder 4 onder het vijfde gedachtestreepje ten laste gelegde handelingen.

Pleegperiode

Ten aanzien van de aanvang van de pleegperiode overweegt de rechtbank dat [slachtoffer 3] tijdens het studioverhoor heeft verklaard dat zij zes, zeven, acht, negen en tien jaar was ten tijde van het misbruik.6 Daarom zal de rechtbank als aanvangsdatum van de pleegperiode uitgaan van 8 oktober 2013, te weten de datum dat [slachtoffer 3] de leeftijd van zes jaren had bereikt.

Ten aanzien van het einde van de pleegperiode overweegt de rechtbank dat uit het dossier is gebleken dat de verdachte in juni 2017 door zijn toenmalige echtgenote, de moeder van zijn kinderen, het huis uit is gezet nadat zij erachter was gekomen dat de verdachte haar zoon [slachtoffer 1] had misbruikt.7 De verdachte heeft verklaard dat hij zich daarna meteen heeft aangemeld bij de GGZ, en werd doorverwezen naar De Waag. Tijdens de periode dat hij onder behandeling was bij De Waag is er niets meer gebeurd, aldus de verdachte.8 Gelet op deze verklaringen zal de rechtbank de pleegperiode tot en met 1 juli 2017 bewezen verklaren.

3.4.2

Dagvaarding II

Aangezien de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en de raadsman van de verdachte geen vrijspraak heeft bepleit van dit feit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank acht het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 30 oktober 2019;

- een proces-verbaal bevindingen, p. 98-99;

- kennisgeving van inbeslagneming, p. 5;

- een proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal, p. 263-267, met bijlage II, p. 271, en bijlage III, p. 275-279.

Gewoonte

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte op 18 februari 2019 kinderpornografische afbeeldingen en gegevensdragers bevattende kinderpornografische afbeeldingen in zijn bezit heeft gehad. Nu niet ten laste is gelegd dat de verdachte zich gedurende een (langere) periode schuldig heeft gemaakt aan het bezit van kinderpornografische afbeeldingen, kan ook het maken van een gewoonte van dat bezit niet bewezen worden verklaard. De rechtbank zal de verdachte derhalve van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

09/857003-19 (dagvaarding I)

1.

hij meermalen in de periode van 1 augustus 2009 tot en met 1 november 2010 te Schipluiden, gemeente Midden-Delfland, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 3] 1999, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit:

- het zoenen op de mond en het lichaam van die [slachtoffer 1] en

- het betasten van het lichaam van die [slachtoffer 1] en

- het betasten van de penis van die [slachtoffer 1] en

- het zich laten aftrekken door die [slachtoffer 1] en

- het aftrekken van die [slachtoffer 1] en

- het in zijn, verdachtes, mond brengen en houden en heen en weer bewegen van de

penis van die [slachtoffer 1] ,

zulks terwijl hij (telkens) aan zijn, verdachtes, zorg en waakzaamheid was toevertrouwd;

2.

hij meermalen in de periode van 22 mei 2014 tot en met 1 juli 2017 te Schipluiden, gemeente Midden-Delfland, (telkens) met [slachtoffer 2] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , (telkens) bestaande uit:

- het aftrekken van die [slachtoffer 2] en

- het in zijn, verdachtes, mond brengen en houden en heen en weer bewegen van de

penis van die [slachtoffer 2] en

- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 2] ,

zulks terwijl hij aan zijn, verdachtes zorg en waakzaamheid was toevertrouwd;

3.

hij meermalen in de periode van 8 oktober 2013 tot en met 1 juli 2017 te Schipluiden, gemeente Midden-Delfland, (telkens) met [slachtoffer 3] , die toen (telkens) de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die (telkens) bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , hebbende verdachte:

- zijn, verdachtes tong in de vagina en tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 3]

gebracht en

- zijn, verdachtes vinger(s) tussen de schaamlippen en/of in de vagina van die [slachtoffer 3]

gebracht en

- zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 3] gebracht,

zulks terwijl zij aan zijn, verdachtes zorg en waakzaamheid was toevertrouwd;

4.

hij meermalen in de periode van 8 oktober 2013 tot en met 1 juli 2017 te Schipluiden, gemeente Midden-Delfland, (telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedag 2] 2007, bestaande die ontucht (telkens) hierin dat hij:

- zich heeft afgetrokken in de directe nabijheid van die [slachtoffer 3] en/of (daarbij) heeft

geëjaculeerd op de (ontklede) buik van die [slachtoffer 3] en

- zijn, verdachtes, penis heeft laten betasten door die [slachtoffer 3] en

- zijn, verdachtes, vingers heeft gebracht tussen de schaamlippen en/of in de vagina en/of

tegen de clitoris en/of over de clitoris heeft gestreeld en

- aan de borsten/tepels van die [slachtoffer 3] heeft gezogen en

- die [slachtoffer 3] met haar (naakte) vagina op zijn, verdachtes, penis heeft laten zitten en

(daarbij) [slachtoffer 3] op en neer gaande (rijdende) bewegingen heeft laten maken;

09/837308-19 (dagvaarding II)

hij op 18 februari 2019 te Delft afbeeldingen en gegevensdragers bevattende afbeeldingen, te weten een tablet/I pad en cd-roms, van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit heeft gehad, welke seksuele gedragingen – zakelijk weergegeven – bestonden uit:

het met de vingers vaginaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

en

het met de penis anaal penetreren van het lichaam van een (ander) persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

['']

en ['']

en

het met de hand aanraken van het geslachtsdeel van een persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

en

het met de penis aanraken van het geslachtsdeel van een (ander) persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

[''] en/of

['']

en

het door een dier likken van het geslachtsdeel van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

['']

en

het gedeeltelijk naakt (laten) poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en poseert in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij haar leeftijd past en waarbij door de (onnatuurlijke) pose en de wijze van kleden van deze persoon nadrukkelijk het ontblote geslachtsdeel van deze persoon in beeld gebracht wordt waarbij de afbeelding aldus een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling

['']

en

het gezicht en lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij op dat gezicht een op sperma gelijkende substantie zichtbaar is, (waarbij) de afbeelding aldus een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling

[''] .

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht een lagere gevangenisstraf op te leggen dan geëist door de officier van justitie. De raadsman heeft een deels voorwaardelijke gevangenisstraf bepleit en daartoe aangevoerd dat de verdachte in het kader van een voorwaardelijke straf langer begeleid kan worden door de reclassering dan in het kader van een eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige strafbare feiten. Hij heeft gedurende een lange periode meerdere malen zijn stiefzoon [slachtoffer 1] , zijn zoon [slachtoffer 2] en zijn dochter [slachtoffer 3] seksueel misbruikt. De kinderen waren in de bewezenverklaarde periode tussen de vijf en de tien jaar oud. Het misbruik bestond bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] mede uit het seksueel binnendringen van hun lichaam. Zij werden door hun eigen vader misbruikt in hun eigen woning: juist op de plek waar en door de persoon bij wie zij zich veilig hadden moeten kunnen voelen. Ook [slachtoffer 1] had zich veilig moeten kunnen voelen bij zijn stiefvader, bij wie hij op dat moment tijdens een vakantie verbleef. Het misbruik heeft plaatsgevonden op momenten dat de kinderen aan de zorg en de waakzaamheid van de verdachte waren toevertrouwd. De verdachte heeft van deze afhankelijkheid, en van de kwetsbaarheid van de kinderen, misbruik gemaakt. Met zijn handelen heeft de verdachte op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van zowel [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] als [slachtoffer 3] geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van kindermisbruik vaak ernstige en langdurige psychische schade oplopen. Dat is in deze zaak niet anders, nu bij alle drie slachtoffers PTSS vastgesteld is, terwijl uit het namens [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ter terechtzitting uitgeoefende slachtofferspreekrecht is gebleken dat de feiten een grote impact op hun levens hebben gehad.

De rechtbank zal er bij de straftoemeting rekening mee houden dat ten aanzien van [slachtoffer 1] weliswaar een langere periode waarbinnen het misbruik plaatsvond bewezen is verklaard, maar dat uit de verklaringen blijkt dat de verdachte met hem vier of vijf keer ontuchtige handelingen heeft gepleegd.

Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van een groot aantal kinderpornografische afbeeldingen. Bij de productie van kinderpornografisch materiaal worden minderjarigen uitgebuit en gedwongen tot het poseren en het ondergaan van handelingen die op ernstige wijze inbreuk maken op hun lichamelijke integriteit. De afbeeldingen, waarvan omschrijvingen in de bewezenverklaring zijn opgenomen, bevatten onder meer de omschrijving van een afbeelding van een meisje tussen de twee en vier jaar oud die anaal wordt gepenetreerd door een volwassen man. Het moet als algemeen bekend worden verondersteld dat kinderen door betrokkenheid bij seksueel misbruik, zoals hier aan de orde, psychische schade kunnen oplopen, die ook vele jaren later nog diepe sporen kan nalaten. Daarnaast veroorzaken dergelijke handelingen bij dusdanig jonge kinderen ook lichamelijke schade. De verdachte moet hiervoor mede verantwoordelijk worden gehouden, nu de vraag naar de kinderpornografie bijdraagt aan de productie daarvan en daarmee aan het daadwerkelijke misbruik van kinderen.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 8 oktober 2019. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Pro Justitia rapportage van 1 augustus 2019, opgesteld door J. van der Meer, psychiater. De psychiater concludeert dat er bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een pedofiele stoornis. De stoornis was naar het oordeel van de psychiater ook aanwezig op het moment van het plegen van de bewezenverklaarde feiten. Deze stoornis, en de daarmee gepaard gaande cognitieve vertekeningen, zorgden ervoor dat de verdachte minder in staat was om de gevolgen van zijn handelen voor de kinderen te kunnen overzien. De verdachte dacht met het misbruik de kinderen aan zich te kunnen binden en hij onderschatte de schadelijkheid van het misbruik. Aan de andere kant wist de verdachte wel dat zijn gedrag niet acceptabel was. Hij loog over het gedrag tegen de moeder van de slachtoffers. Er zijn daarom aanwijzingen dat de verdachte wel in enige mate de negatieve gevolgen van zijn gedrag kon overzien. Gelet op voorgaande adviseert de psychiater de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Het recidiverisico wordt door de psychiater als laag ingeschat. De verdachte heeft een behandeling gevolgd en zich coöperatief opgesteld. Het is minder waarschijnlijk dat de verdachte voor hem onbekende kinderen zal misbruiken. Het risico op recidive wordt echter hoger als de verdachte weer in een gezin met kinderen komt te leven. Daarnaast is het onduidelijk hoe sterk de gevoelens van de verdachte jegens kinderen zijn. De psychiater adviseert de verdachte na een eventuele detentie poliklinisch te behandelen voor zijn pedofiele stoornis.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van een Pro Justitia rapportage van 25 juli 2019, opgesteld door F.M. Vuister, klinisch psycholoog. Volgens de psycholoog kan het bestaan een pedofiele stoornis bij de verdachte niet worden uitgesloten. Daarnaast is sprake van afhankelijke en vermijdende trekken binnen zijn persoonlijkheid. De pedofiele stoornis leidde tot cognitieve vervormingen waarbij de verdachte zich voorhield dat zijn pedofiele gedrag de kinderen een goed gevoel moest geven zodat hij de kinderen sterker aan zich kon binden. Door deze vervorming had de verdachte geen oog voor het grensoverschrijdende karakter van zijn handelingen. De pedofiele stoornis van de verdachte werkte daarom door in de cognities, emoties en gedragingen van de verdachte. Gelet hierop adviseert de psycholoog de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De psycholoog acht het recidiverisico in principe laag. Als de verdachte in de toekomst echter opnieuw binnen enig gezinsverband in contact zal komen met pre-puberale kinderen, dan is de kans op recidive niet denkbeeldig, aldus de psycholoog. De psycholoog adviseert een deels voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarde van een ambulante behandeling bij De Waag. Bij De Waag dient ook gekeken te worden of een pedofiele stoornis kan worden vastgesteld, waarna een aangepaste behandeling dient te volgen.

De rechtbank is van oordeel dat de bovengenoemde rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusies van het psychiatrisch en psychologisch onderzoek met betrekking tot de toerekenbaarheid worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt de conclusies dat het bewezenverklaarde de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend dan ook over en zal daarmee bij de strafoplegging rekening houden.

Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsadvies van 27 september 2019, opgesteld door [de reclasseringsmedewerker] . De reclassering stelt dat de verdachte het bestaan van een pedofiele stoornis ontkent. De reclassering schat in dat wanneer de verdachte in de toekomst opnieuw de gelegenheid heeft tot het plegen van seksueel overschrijdend gedrag met jonge kinderen, de kans op recidive toeneemt. Een langdurig toezicht is om die reden gewenst. De reclassering adviseert aan de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, het vermijden van contact met minderjarigen, het aanmelden bij en meewerken aan het zedenconvenant en het geven van toestemming voor referenteninformatie.

De straf

Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden is. Bij het bepalen van de duur heeft de rechtbank willen aansluiten bij de straffen die in vergelijkbare zaken plegen te worden opgelegd. De eis van de officier van justitie komt de rechtbank in dat licht voor als te hoog. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met het advies van de gedragsdeskundigen om de verdachte na zijn detentie te laten behandelen, waarbij de rechtbank – evenals de reclassering – een langdurig toezicht wenselijk acht. In de eis van de officier van justitie komt dat echter onvoldoende tot zijn recht, aangezien het toezicht dan in het kader van een eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling hooguit 28 maanden zou belopen. De rechtbank zal dus afwijken van de eis van de eis van de officier van justitie en een gevangenisstraf opleggen die de duur van vier jaren niet te boven gaat, zodat zij – gelet op artikel 14a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht – daarvan een deel voorwaardelijk kan opleggen en daaraan een proeftijd van drie jaren kan verbinden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel alle door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen / schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] heeft zich ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde feit als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 5.000,-. De vordering strekt tot vergoeding van immateriële schade.

[slachtoffer 2] heeft zich ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 2 ten laste gelegde feit als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 13.250,-. De vordering strekt tot vergoeding van immateriële schade.

[slachtoffer 3] heeft zich ten aanzien van de bij dagvaarding I onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 16.250,-. De vordering strekt tot vergoeding van immateriële schade.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij [slachtoffer 1] voldoende onderbouwd dat hij psychische schade heeft geleden als gevolg van het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde feit. Bij de benadeelde partij is PTSS vastgesteld. Onder meer het seksueel misbruik heeft zijn persoonlijkheid op negatieve wijze beïnvloed. Door de verdediging is de vordering niet betwist.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade toewijsbaar is.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 5.000,-.

De rechtbank zal over dit bedrag de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 1 november 2010, de laatste dag van de pleegperiode, omdat vast is komen te staan dat de schade uiterlijk op die datum is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De schadevergoedingsmaatregel

Aangezien de verdachte voor het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.000,-,

vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer 1] .

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Naar het oordeel van de rechtbank is door de benadeelde partij [slachtoffer 2] voldoende onderbouwd dat hij psychische schade heeft geleden als gevolg van het bij dagvaarding I onder 2 bewezenverklaarde feit. Door een psycholoog is bij de benadeelde partij PTSS vastgesteld. Voorts is een behandeling ingezet middels EMDR-therapie om de traumatische gebeurtenissen te verwerken. Door de verdediging is de vordering niet betwist.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 10.000, - naar billijkheid toewijsbaar is.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 10.000,-.

De rechtbank zal over dit bedrag de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 1 juli 2017, de laatste dag van de pleegperiode, omdat vast is komen te staan dat de schade uiterlijk op die datum is ontstaan.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De schadevergoedingsmaatregel

Aangezien de verdachte voor het bij dagvaarding I onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.000,-,

vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer 2] .

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Naar het oordeel van de rechtbank is door de benadeelde partij [slachtoffer 3] voldoende onderbouwd dat zij psychische schade heeft geleden als gevolg van de bij dagvaarding I onder 3 en 4 bewezenverklaarde feiten. Een psycholoog heeft bij de benadeelde partij PTSS vastgesteld en voorts is een traumabehandeling ingezet middels EMDR- en schrijftherapie. Door de verdediging is de vordering niet betwist.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 10.000, - naar billijkheid toewijsbaar is.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 10.000,-.

De rechtbank zal over dit bedrag de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 1 juli 2017, de laatste dag van de pleegperiode, omdat vast is komen te staan dat de schade uiterlijk op die datum is ontstaan.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De schadevergoedingsmaatregel

Aangezien de verdachte voor de bij dagvaarding I onder 3 en 4 bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door deze feiten zijn toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.000,-,

vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer 3] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 240b, 244, 247, 248 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I met parketnummer 09/857003-19 onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten en het bij dagvaarding II met parketnummer 09/837308-19 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard, en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I, feit 1:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;

ten aanzien van dagvaarding I, feit 2 primair:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;

ten aanzien van dagvaarding I, feit 3:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;

ten aanzien van dagvaarding I, feit 4:

ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd;

ten aanzien van dagvaarding II:

een afbeelding en een gegevensdrager, bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 48 (ACHTENVEERTIG) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 10 (TIEN) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op het adres Bezuidenhoutseweg 179, 2594 AH Den Haag, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van de forensische polikliniek De Waag, althans een soortgelijke zorgverlener, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, teneinde zich te laten behandelen en mee te werken aan het opstellen van een veiligheidsplan;

- gedurende de proeftijd wordt aangemeld bij het zedenconvenant en meewerkt aan het convenant tussen reclassering en politie (dat onder meer inhoudt dat hij door de wijkagent bezocht kan worden in zijn huis of omgeving);

- gedurende de proeftijd de reclassering zicht verschaft op de voortgang van zijn behandeling en begeleiding en de reclassering toestemming verleent om relevante referenten te raadplegen en contact te onderhouden met personen en instanties die deel uitmaken van zijn netwerk. De veroordeelde geeft daarnaast openheid over het aangaan en onderhouden van (partner)relaties en verleent toestemming tot contactopname met een eventuele nieuwe relatie;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze contact zoekt met minderjarigen en deze contacten zoveel mogelijk vermijdt, terwijl hij, als deze contacten onvermijdelijk zijn, ervoor zorgt dat hierbij een volwassene aanwezig is, wanneer en zolang de reclassering dat nodig vindt;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

benadeelde partij [slachtoffer 1]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1] , een bedrag van € 5.000,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 november 2010, tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer 1] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

benadeelde partij [slachtoffer 2]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 2] , een bedrag van € 10.000,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 10.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2017, tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer 2] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 85 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

benadeelde partij [slachtoffer 3]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 3] , een bedrag van € 10.000,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 10.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2017, tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer 3] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 85 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.W. Mulder, voorzitter,

mr. Chr.A.J.F.M. Hensen, rechter,

mr. M. Rigter, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. E.C. Bloem, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 november 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018234556, van de politie eenheid Den Haag, dienst regionale recherche, afdeling thematische opsporing, team zeden, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 332).

2 Proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] , p. 70-71.

3 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting d.d. 30 oktober 2019.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 174, met als bijlage de uitwerking van het studioverhoor van [slachtoffer 3] p. 181-195.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 217-222, 227-233.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 174, met als bijlage de uitwerking van het studioverhoor van [slachtoffer 3] , p. 195.

7 Proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] , p. 70-71.

8 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting d.d. 30 oktober 2019.