Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:11949

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-09-2019
Datum publicatie
12-11-2019
Zaaknummer
NL19.20015
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Griekse statushouder; moeilijkheden met opvang / vinden huisvesting; interstatelijk vertrouwensbeginsel; uitspraken Afdeling 15 juli 2019; beroep ongegrond; rechtbankuitspraak met toepassing van artikel 91 Vw (kaal) bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.20015


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. L.M.E. Embregts),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Jonkman).


Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet-ontvankelijk verklaard.


Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL19.20016, plaatsgevonden op 12 september 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door
mr. R.W.J.L. Loonen, die de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft vervangen. Als tolk is verschenen A. Ahmed. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Iraanse nationaliteit. Op 12 augustus 2019 heeft zij de asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag op grond artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 in samenhang met artikel 3.106a, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres door de Griekse autoriteiten in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning en als statushouders een zodanige band met Griekenland heeft dat het voor haar redelijk zou zijn daarheen te gaan.

3. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres door de Griekse autoriteiten in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning met een geldigheidsduur van 22 februari 2017 tot 22 februari 2020.

4. Eiseres betoogt dat ten aanzien van Griekenland niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Als statushouder loopt zij bij terugkeer naar Griekenland een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Zij verwijst ter illustratie van haar standpunt naar de door haar afgelegde verklaring(en) en de door haar overgelegde (landen)informatie:

  1. een internetartikel (‘Klein lichtpuntje voor vluchtelingen met Griekse status’) van VluchtelingenWerk Nederland van 6 maart 2019;

  2. een rapport van Stiftung PRO ASYL, Refugee Support Aegean (RSA), Legal Note, “On the living conditions of beneficiaries of international protection in Greece” van 23 juni 2017;

  3. een ‘Country Report: Greece, 2018 Update’, Asylum Information Database (AIDA), van 29 maart 2019;

  4. een uitspraak van het Bundesverfassungsgericht van 8 mei 2017 (zaaknummer 2 BvR 157/17);

  5. en uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 8 november 2017 (ECLI:NL:RBOBR:2017:5898);

  6. een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 6 april 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:2769) en

  7. een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2385).

4.1.

Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder ervan uitgaan dat de lidstaten van de Europese Unie (EU) de verplichtingen uit hoofde van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waarnaar de vreemdeling zal terugkeren zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Het ligt op de weg van de vreemdeling om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging door verdragspartijen van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest wordt weerlegd. Echter, ook in de situatie waarin de vreemdeling zijn beroep op artikel 3 van het EVRM louter staaft met algemene documentatie, is een zorgvuldige beoordeling daarvan door verweerder geboden.

In de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1795) is overwogen dat de situatie voor statushouders in Griekenland moeilijk was. Zij konden moeilijk betaald werk vinden, de toegang tot gezondheidszorg was voor hen moeizaam en zij waren volledig op zichzelf aangewezen om huisvesting te vinden. De situatie was volgens de Afdeling echter niet zo slecht dat sprake was van extreme armoede of ontberingen van eerste levensbehoeften en rechteloosheid waartegenover de Griekse autoriteiten onverschillig zouden staan. Verweerder heeft zich toen terecht op het standpunt gesteld dat hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht uitgaan.

Op 15 juli heeft de Afdeling naast de uitspraak die door eiseres onder g. is aangehaald nog een uitspraak gedaan (ECLI:NL:RVS:2019:2384) waarin de Afdeling de situatie in Griekenland voor terugkerende statushouders heeft beoordeeld. Opnieuw is overwogen dat die situatie moeilijk is (gebleven): statushouders kunnen moeilijk betaald werk vinden, de toegang tot gezondheidszorg is voor hen moeizaam en zij zijn volledig op zichzelf aangewezen om huisvesting te vinden. Er is echter volgens de Afdeling nog altijd geen sprake van een dermate slechte situatie dat sprake is van extreme armoede of ontberingen van eerste levensbehoeften en rechteloosheid waartegenover de Griekse autoriteiten onverschillig zouden staan. Verweerder mag daarom in algemene zin nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan.

In de uitspraak die door eiseres is aangehaald onder 4.g. heeft de Afdeling verder overwogen dat de medische situatie van statushouders bij de niet-ontvankelijkverklaring van hun asielaanvraag relevant kan zijn, wanneer zij betogen dat zij bij terugkeer naar de lidstaat waar zij een asielvergunning hebben gekregen, terechtkomen in leefomstandigheden die in strijd zijn met de artikelen 3 van het EVRM en 4 van het Handvest. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:219) (arrest Ibrahim) volgt namelijk dat de bijzondere kwetsbaarheid van individuele statushouders ertoe kan leiden dat zij bij terugkeer naar de lidstaat waar zij een asielvergunning hebben gekregen, buiten hun eigen wil en keuzes om, terecht zullen komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie als bedoeld in de punten 89 tot en met 91 van dit arrest. De medische situatie van statushouders kan hen - en degenen die noodgedwongen met de zorg voor hen zijn belast - bijzonder kwetsbaar maken. Hun lichamelijke of psychische problemen kunnen een negatieve invloed hebben op de mate waarin zij zich zelfstandig staande kunnen houden in de maatschappij en hun rechten kunnen effectueren. Omgekeerd kan een toestand van verregaande materiële deprivatie als bedoeld in dit arrest negatieve gevolgen hebben voor hun lichamelijke of geestelijke gezondheid (punt 90).

4.2.

Aan de vraag of verweerder er terecht van uitgaat dat de lidstaat zijn internationale verplichtingen nakomt, wordt pas toegekomen als de vreemdeling een zodanige band heeft met dat land dat het voor die vreemdeling redelijk zou zijn daar naartoe te gaan. Alleen al omdat een vreemdeling in een lidstaat van de EU erkend vluchteling is dan wel een subsidiaire beschermingsstatus heeft, is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb. Dat is hier het geval.

4.3.

De door eiseres overgelegde (lande)informatie ziet op informatie die voorhanden was ten tijde van de twee uitspraken van de Afdeling van 15 juli 2019. Voor zover die informatie daarbij niet reeds is betrokken, zoals het door eiseres onder 4.c. aangehaalde rapport van AIDA, geeft die informatie geen wezenlijk ander beeld over de situatie van statushouders in Griekenland dan in die uitspraken is weergegeven. De verwijzing naar de onder 4.g. aangehaalde uitspraak kan eiseres niet baten omdat zij, anders dan de vreemdelingen in de zaak waarop die uitspraak ziet, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als bijzonder kwetsbaar dient te worden aangemerkt als bedoeld in het arrest Ibrahim.

De ter zitting door eiseres gestelde omstandigheid dat de recente toestroom van asielzoekers op Cyprus leidt tot vermindering van de opvangcapaciteit voor statushouders is niet met objectieve landeninformatie onderbouwd en leidt al daarom niet tot een ander oordeel. Bovendien is het in de eerste plaats de eigen verantwoordelijkheid van eiseres om in Griekenland huisvesting te vinden, nu zij niet langer asielzoekster is maar statushouder.

4.4.

Het persoonlijk relaas van eiseres en de door haar in haar verklaring(en) uiteengezette problemen biedt evenmin aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder ten aanzien van Griekenland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De omstandigheid dat zij volledig op zichzelf is aangewezen om huisvesting te vinden, is door de Afdeling meegewogen in de hiervoor vermelde uitspraken. Ten aanzien van de problemen die eiseres ondervond in de opvang overweegt de rechtbank dat van haar verwacht mag worden dat zij zich bij voorkomende problemen tot de (hogere) Griekse autoriteiten wendt. Dat het bij voorbaat zinloos is om te klagen bij de Griekse (hogere) autoriteiten heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. De stelling dat zij geen gehoor heeft gevonden bij medewerkers van de opvang en dat een beveiliger tegen haar zou hebben gezegd dat ze problemen zou krijgen als ze aangifte zou proberen te doen, biedt onvoldoende grond om die conclusie te dragen.

4.5.

Van eiseres mag worden verwacht dat zij zelf in Griekenland de rechten die voortvloeien uit haar status effectueert. Indien zij daarbij eventueel moeilijkheden ondervindt, dient zij zich daarover te beklagen bij de (hogere) Griekse autoriteiten, zoals volgt uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk van 2 december 2008 (ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308). Gesteld noch gebleken is dat zij zich tot de hogere autoriteiten in Griekenland heeft gewend, zodat niet kan worden geconcludeerd dat de Griekse autoriteiten haar niet willen of kunnen helpen. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Griekenland in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest terecht zal komen en dat verweerder ten aanzien van Griekenland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.

4.6.

Het betoog slaagt niet.

5. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. D. van der Sluis, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Gerde, griffier.

griffier rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op 19 september 2019.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.