Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1192

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
C/09/541216 / FA RK 17-7861
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

verzoek nietigverklaring huwelijk afgewezen, echtscheiding uitgesproken, verzoek tot verrekening op grond van huwelijkse voorwaarden afgewezen (datumn feitelijke ontbining huwelijk ligt in de toekomst), vergoedingsrecht van man op vrouw toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0091
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

6x

Rekestnummer: FA RK 17-7861

Zaaknummer: C/09/541216

Datum beschikking: 7 februari 2019

Scheiding

Beschikking op het op 12 oktober 2017 ingekomen verzoek van:

[X]

de vrouw,

wonende op een geheim adres,

advocaat: mr. A.S. Bakker te Utrecht.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[Y] ,

de man,

wonende te [woonplaats] , België,

advocaat: mr. C.S.F. de Nijs te ’s-Gravenhage (voorheen: mr. E.M.T. van Ruitenbeek-de Bekker te ’s-Gravenhage).

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- de brief van 12 maart 2018, met bijlage, van de zijde van de man;

- het formulier “Verdelen en verrekenen” van de zijde van de vrouw;

- de brief van 28 november 2018, met bijlagen, van de zijde van de man, tevens houdende een vermeerdering van het zelfstandig verzoek;

- het verweerschrift op vermeerdering zelfstandig verzoek, met bijlage;

- een F9-formulier van 30 november 2018, met bijlagen, van de zijde van de vrouw.

Op 10 december 2018 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun advocaten. Beide partijen hebben pleitnotities overgelegd.

Verzoek en verweer

Het verzoek zoals dat thans luidt strekt tot echtscheiding, met een nevenvoorzieningen tot:

- (zo begrijpt de rechtbank), afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, conform

het voorstel van de vrouw,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens heeft de man zelfstandig verzocht om het huwelijk van partijen nietig te verklaren en voor recht te verklaren dat de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden niets meer toekomt, dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.

De man heeft zijn zelfstandig verzoek aangevuld met een verzoek de vrouw te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 47.944,27 aan de man, uit hoofde van artikel 4 van de tussen partijen gesloten huwelijkse voorwaarden opgenomen vergoedingsrechten, dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.

De vrouw voert verweer tegen de door de man gedane zelfstandige verzoeken, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdag] 2017 te [huwelijksplaats] .

- De man heeft de Belgische nationaliteit.

- Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, kort gezegd inhoudende algehele uitsluiting van elke gemeenschap van goederen (artikel 1) met een finaal verrekenbeding bij echtscheiding, scheiding van tafel en bed (artikel 10) of bij het einde van het huwelijk door overlijden (artikel 11).

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht ten aanzien van het verzoek tot nietigverklaring van het huwelijk

De vrouw heeft haar gewone verblijfplaats in Nederland, zodat op grond van artikel 3 lid 1 onder 3 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 huwelijkszaken en ouderlijke verantwoordelijkheid (Br II-bis) de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.

De rechtbank is van oordeel dat de vraag of een huwelijk nietig kan worden verklaard, alsmede wie de nietigheid kan inroepen, is onderworpen aan het rechtsstelsel dat van toepassing is op de vraag of het huwelijk rechtsgeldig tot stand is gekomen. Omdat het huwelijk in Nederland is gesloten, is Nederlands recht van toepassing.

Nietigverklaring

In het dossier bevindt zich een afschrift van de huwelijksakte op grond waarvan de rechtbank vaststelt dat er sprake is van een rechtsgeldig huwelijk in Nederland (artikel 1:78 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De man voert primair aan dat er sprake is van dwang als bedoeld in artikel 1:71, lid 1 BW en dat het huwelijk op die grond nietig moet worden verklaard.

Ontvankelijkheid

Ingevolge artikel 1:71, lid 3, BW, vervalt de bevoegdheid van de echtgenoot om de nietigverklaring wegens dwang te verzoeken, wanneer de echtgenoten drie jaar hebben samengewoond zonder dwang gericht op instandhouding van het huwelijk, zonder dat dat verzoek is gedaan. Nu de man zijn verzoek binnen deze termijn van drie jaar heeft gedaan is

hij ontvankelijk in zijn verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

Artikel 1:71, lid 1, BW bepaalt dat de echtgenoot de nietigverklaring van zijn huwelijk kan verzoeken wanneer hij dit onder invloed van dwang heeft gesloten. De man dient derhalve aan te tonen dat de vrouw hem heeft gedwongen tot het aangaan van een huwelijk met haar.

Gelet op hetgeen uit het dossier en ter zitting naar voren is gekomen is de rechtbank van oordeel dat uit niets is gebleken dat de man onder invloed van dwang het huwelijk met de vrouw heeft gesloten. Voorafgaand aan het huwelijk heeft de man zich door een notaris laten informeren over de gevolgen verbonden aan het sluiten van het huwelijk. Deze notaris heeft de man, zoals hij zelf aangeeft, daarop gewezen. De man heeft ter zitting verklaard dat hem dat op dat moment niet interesseerde. Hij was verliefd en voelde zich eenzaam na het overlijden van zijn eerste echtgenote, met wie hij 55 jaar getrouwd was geweest. Hij wilde weer met iemand samenleven en vond het sluiten van een huwelijk met de vrouw daartoe de geëigende weg. Nu van enige dwang niet is gebleken wijst de rechtbank het verzoek tot nietigverklaring van het huwelijk af.

Echtscheiding

Rechtsmacht en toepasselijk recht ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding

Blijkens de basisregistratie persoonsgegevens (brp) heeft de vrouw de Nederlandse nationaliteit en is haar gewone verblijfplaats sedert ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek in Nederland. De Nederlandse rechter komt derhalve op grond van artikel 3 lid 1 sub a onder 6 Br II-bis rechtsmacht toe.

De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het BW Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk van partijen duurzaam ontwricht is, op grond waarvan zij echtscheiding verzoekt. De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is.

Afwikkeling huwelijks voorwaarden

Partijen zijn op [huwelijksdag] 2017 te [huwelijksplaats] met elkaar gehuwd. Daaraan voorafgaand hebben

zij, op 21 juli 2017, huwelijkse voorwaarden gesloten.

De huwelijkse voorwaarden houden onder meer het volgende in:

Uitsluiting

Artikel 1

De echtgenoten sluiten elke gemeenschap van goederen uit.

Vergoedingsrechten

Artikel 4

1. Een echtgenoot heeft een vergoedingsrecht jegens de andere echtgenoot indien een

bedrag of waarden ten behoeve van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken.

(…)

De vergoeding is derhalve gelijk aan het bedrag of de waarde ten tijde van de

onttrekking en direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich tegen die opeisbaarheid verzetten.

(…)

Verrekening bij het einde van het huwelijk door echtscheiding en bij scheiding van tafel en

bed

Artikel 10

  1. Bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding en bij scheiding van tafel en bed wordt tussen de echtgenoten afgerekend alsof de echtgenoten in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd.

  2. Binnen acht maanden na de ontbinding van het huwelijk wordt het vermogen van ieder der echtgenoten beschreven.

  3. Onder het vermogen van een echtgenoot wordt verstaan het saldo van zijn

bezittingen en schulden.

4. De beschrijving van de vermogens van de echtgenoten en de waardering van de daartoe behorende bezittingen en schulden geschiedt op de datum waarop het daartoe strekkende verzoekschrift is ingediend. (…)

5. (…)

6. (…)

7. Een verrekening als hiervoor in lid 1 bedoeld zal niet plaatsvinden indien ten tijde van de ontbinding van het huwelijk het privé-vermogen van één der echtgenoten een negatief saldo vertoont.

(…)

Vergoedingsrechten

De man stelt dat hij op grond van artikel 4 van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden een nominaal vergoedingsrecht heeft van € 47.944,27 op de vrouw.

Ter onderbouwing hiervan heeft de man bij de vermeerdering van zijn zelfstandig verzoek op 28 november 2018 een schematisch overzicht van de door hem aan de vrouw verrichte betalingen overgelegd (productie 4).

Hieruit blijkt een lening van € 17.000,00 op 25 april 2017 (rechtstreekse overboeking) door de man aan de vrouw. Nu deze overboeking voor het huwelijk is gedaan, dient een terugvordering daarvan in de onderhavige procedure onder deze noemer buiten beschouwing te blijven Van de in dit schema opgenomen pinbetalingen heeft de man, na betwisting, geen bewijs overgelegd. De rechtbank beschouwt ze dan ook niet als rechtstreekse onttrekkingen aan het vermogen van de man ten bate van (het vermogen van) de vrouw en zal ze niet in deze vergoedingsrechten meenemen.

Voorts blijkt uit dit schema dat in de relevante periode van [huwelijksdag] 2017 tot 12 oktober 2018 een bedrag van in totaal € 19.311,87 ten behoeve van de vrouw aan zijn vermogen is onttrokken. De rechtbank is van oordeel dat dit bedrag de man nominaal aan vergoedingsrechten toekomt. De vrouw zal derhalve een bedrag van
€ 19.311,87 aan de man dienen te betalen.

Verrekening

Het verrekenbeding van artikel 10 houdt in dat ieder van partijen gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die waartoe zij gerechtigd zou zijn indien tussen partijen de wettelijke gemeenschap van goederen had bestaan, zulks echter mits het vermogen van beide partijen positief is op het tijdstip van ontbinding van het huwelijk.

Als peildatum voor de waardering van de vermogens van partijen geldt, gelet op het vierde lid van artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden van partijen, 12 oktober 2017, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding door de vrouw.

De verrekening vindt echter pas plaats na de ontbinding van het huwelijk en onder voormelde voorwaarde.

De rechtbank is van oordeel dat de echtscheiding weliswaar, zoals hiervoor overwogen, per heden wordt uitgesproken maar dat de datum van de feitelijke ontbinding van het huwelijk in de toekomst ligt, namelijk ten tijde van de inschrijving van de echtscheiding in de daartoe bestemde registers. Of verrekening dan dient plaats te vinden is op dit moment niet bekend. Immers, niet valt te voorspellen of het privévermogen van één van beide echtgenoten op het tijdstip van die ontbinding een negatief saldo vertoont. Indien dat het geval zal zijn vindt geen verrekening plaats gelet op het bepaalde in artikel 10, lid 7 van de huwelijkse voorwaarden. De rechtbank komt daarom niet toe aan de afwikkeling van het verrekenbeding. Omdat aanhouding daarvan naar de verwachting van de rechtbank zal leiden tot een onredelijke vertraging in de afdoening van de onderhavige procedure, zal zij een beslissing op dit onderdeel niet aanhouden. Het verzoek aangaande het verrekenbeding wordt daarom afgewezen. Voor partijen staat ter zake van de verrekening van hun vermogens te zijner tijd de weg naar de civiele rechter open.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan het beroep van de man op toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid op de toepassing van het verrekenbeding.

De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [huwelijksplaats] op [huwelijksdag] 2017;

bepaalt dat de vrouw een bedrag van € 19.311,87 aan de man dient te betalen ten aanzien van de vergoedingsrechten;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. Vink, H.M. Boone en H. Dragtsma, bijgestaan door V. van den Hoed-Koreneef als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

7 februari 2019.