Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:11893

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-10-2019
Datum publicatie
18-11-2019
Zaaknummer
09/837284-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. Openlijke geweldpleging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/837284-18

Datum uitspraak: 21 oktober 2019

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft dit vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

adres: [adres] .

1 Het onderzoek op de zitting

Het onderzoek is gehouden op de zitting van 7 oktober 2019.

De officier van justitie in deze zaak is mr. J.M. Eelman en de raadsvrouw van de verdachte is mr. D.H.P.C. Glaudemans, advocaat te Delft.

2 De tenlastelegging

De verdachte wordt beschuldigd van een poging tot zware mishandeling (eerste cumulatief/alternatief) en/of openlijk geweld in vereniging tegen een persoon (tweede cumulatief/alternatief).

Deze feiten staan beschreven in de tenlastelegging, die als bijlage 1 deel uitmaakt van dit vonnis.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat de rechtbank bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte onder het tweede cumulatief/alternatief ten laste is gelegd, met uitzondering van het onderdeel “schoppen en/of trappen tegen het gezicht en/of het hoofd”.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft voor het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit vrijspraak bepleit. Uit de feiten en omstandigheden is niet gebleken dat de aangeefster door de verdachte en/of medeverdachte tegen het hoofd is geschopt en ook niet dat de verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Derhalve kan niet tot een bewezenverklaring van dit feit worden gekomen.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit bepleit dat dit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging

Aangezien de verdachte het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit – zoals de rechtbank dat bewezen zal verklaren – heeft bekend, zij later niet anders heeft verklaard en er namens haar geen vrijspraak is bepleit, kan de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank heeft bij de beoordeling de volgende bewijsmiddelen1 gebruikt:

- een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] (p. 40-45);

- een proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer] (p. 46-50);

- een proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [verdachte] (p. 96-101), en

- de verklaring van de verdachte afgelegd op de terechtzitting van 7 oktober 2019.

Nadere bewijsoverweging

De rechtbank overweegt dat op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat de aangeefster tegen het gezicht en/of hoofd is geschopt en/of getrapt. De verdachte en haar medeverdachte ontkennen deze handelingen te hebben verricht. Slechts één getuige heeft verklaard dat dit zou hebben plaatsgevonden. Er zijn geen andere aanwijzingen die het plaatsvinden van deze gedragingen aannemelijk maken. Gelet op het voorgaande is er naar het oordeel van de rechtbank voor dit onderdeel van de tenlastelegging onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden. De rechtbank zal de verdachte hiervan vrijspreken.

4 De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit volgens de wet bewezen kan worden en de rechtbank is er ook van overtuigd dat de verdachte dit bewezenverklaarde feit heeft gepleegd.

De tekst van deze bewezenverklaring staat in bijlage 2 bij dit vonnis.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Het feit is strafbaar. De verdachte is ook strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar. Daarbij vraagt hij aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, te weten vier dagen, en vraagt hij als maatstaf twee uren per dag aan te houden. De officier van justitie heeft de rechtbank voorts gevraagd om aan de verdachte de bijzondere voorwaarden op te leggen, zoals die door de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) in het rapport van 3 oktober 2019 en op de zitting zijn geadviseerd. Tot slot heeft de officier van justitie gevraagd om een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer] en locatieverboden betreffende het woonadres van [slachtoffer] en het woonadres van de zus van [slachtoffer] aan de verdachte op te leggen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de strafmaat bepleit dat rekening moet worden gehouden met dat de verdachte een blanco strafblad heeft, dat zij vier dagen in voorarrest heeft gezeten en zij dat reeds als een straf heeft ervaren, dat het tijdsverloop tussen de pleegdatum en de zitting een onredelijke termijn van ruim een jaar betreft zonder dat daartoe enige gegronde reden bestaat, dat de verdachte zich in deze lange periode goed aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en dat het in het algemeen goed gaat met de verdachte. De verdachte kan zich vinden in het strafadvies van de Raad. Zij is voorts bereid om een onvoorwaardelijke werkstraf uit te voeren, aldus de raadsvrouw. De raadsvrouw maakt geen bezwaar tegen de door de officier van justitie gevorderde locatieverboden en het contactverbod met aangeefster [slachtoffer] .

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Om te bepalen welke straf en/of maatregel voor de verdachte gepast is, kijkt de rechtbank naar de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en ook naar de persoon van de verdachte.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen de aangeefster. Door het handelen van de verdachte en haar mededader is een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangeefster, die als gevolg van het gebeurde lichamelijk letsel heeft opgelopen. De aangeefster ondervindt daarnaast, blijkens onder meer haar verklaring op de zitting, ook nog steeds de psychische gevolgen van het gebeurde. Een feit als het onderhavige versterkt bovendien in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid op straat. Dat er sprake was van geweld door twee personen tegen één persoon, rekent de rechtbank de verdachte extra aan. Dat er voorafgaand aan dit geweld sprake zou zijn geweest van pesterijen door aangeefster jegens de verdachte en haar medeverdachte, waarvan de rechtbank overigens uit het dossier niet is gebleken, doet aan de ernst van het feit niet af. Als hiervan al sprake zou zijn geweest, rechtvaardigt dit niet de uitbarsting van geweld die aangeefster heeft moeten ondergaan.

De persoon van de verdachte

Uit de justitiële documentatie (het strafblad) van de verdachte is duidelijk geworden dat zij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank heeft ook de rapporten van de Raad betreffende de persoon van de verdachte gelezen. De Raad heeft in het rapport van 3 oktober 2019 geadviseerd om haar bij bewezenverklaring een voorwaardelijke werkstraf op te leggen, met een proeftijd van één jaar, en als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering in het kader van de meldplicht. Het strafadvies van de Raad is gericht op het doen voortzetten van de huidige begeleiding. Een voorwaardelijke straf dient als stok achter de deur om herhaling te voorkomen.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft bij het opleggen van de straf, naast de hiervoor genoemde omstandigheden, ook nog rekening gehouden met de oriëntatiepunten die gelden voor soortgelijke feiten.

De rechtbank overweegt, in reactie op het verweer van de raadsvrouw, dat van een onredelijke termijn van berechting geen sprake is, nu de behandeling ter terechtzitting wordt afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen. Dit leidt daarom niet tot matiging van de op te leggen straf.

De rechtbank houdt wel, meer dan de officier van justitie, bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening met het positieve verloop van het afgelopen jaar, waarin de verdachte zich gedurende een voor haar leeftijd relatief lange periode goed heeft gehouden aan de voorwaarden die verbonden zijn aan de schorsing van de voorlopige hechtenis. Zij komt daarom tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft geëist.

Anders dan de officier van justitie, ziet de rechtbank onvoldoende redenen om locatieverboden betreffende het woonadres van het slachtoffer [slachtoffer] en het woonadres van de zus van [slachtoffer] op te leggen. De noodzaak daarvan is de rechtbank onvoldoende gebleken en het opleggen daarvan acht de rechtbank daarom disproportioneel. De rechtbank acht wel het opleggen van een contactverbod met [slachtoffer] passend en geboden, gelet op de feiten en omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de nog aanwezige psychische gevolgen daarvan voor het slachtoffer.

De rechtbank zal alles afwegende aan de verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf van hierna te melden duur met voorwaarden opleggen. De tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten wordt daarvan afgetrokken.

7 De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft een vordering ingediend voor een bedrag van € 1.150,00 aan immateriële schade (smartengeld), vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met daarbij de wettelijke rente, en heeft gevorderd om aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.150,00 op te leggen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat dat het gevorderde bedrag dient te worden gematigd. De verdachte betwist de ernst van het letsel en de psychologische gevolgen bij de benadeelde partij, nu zij heeft gezien en gehoord dat de omstandigheden van de benadeelde vlak na het incident minder ernstig leken dan door haar is geschetst.

Ook bestaat er een verschil met de door de benadeelde partij in de onderbouwing aangehaalde en als vergelijkbaar bestempelde jurisprudentie, aangezien de aangeefster niet door de verdachte en/of medeverdachte tegen het hoofd is geschopt. Er is bovendien bij de benadeelde sprake van een eigen aandeel in het feit.

De raadsvrouw heeft tot slot verzocht om de verdachte niet hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor het schadebedrag. De verdachte heeft te weinig inkomen en vermogen om een forse schadevergoeding te betalen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast komen te staan dat er bij [slachtoffer] immateriële schade is ontstaan door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is wel van oordeel dat het gevraagde bedrag hoog is. De rechtbank heeft gekeken naar vergelijkbare zaken waarbij in een strafprocedure een schadevergoeding is toegekend. Op basis daarvan zal de rechtbank in redelijkheid een bedrag toewijzen van € 600,00.

Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag dat het feit is gepleegd, te weten 27 september 2018, tot aan de dag dat het bedrag is betaald.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Dit brengt mee dat de verdachte ook moet worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, tot nu toe begroot op € 0,00, en die zij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal aan de verdachte ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen, zodat zij het bedrag aan de Staat moet betalen en de Staat ervoor zorgt dat het geld bij de benadeelde partij terecht komt. De rechtbank legt daarbij geen vervangende jeugddetentie op.

Door betaling aan de Staat zal de verplichting om aan de benadeelde partij te betalen vervallen en omgekeerd.

De rechtbank zal het schadebedrag, anders dan het verzoek van de raadsvrouw, hoofdelijk opleggen, zodat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door haar mededader aan [slachtoffer] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De straf die de rechtbank zal opleggen, is gebaseerd op de artikelen:

36f, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 141 van het Wetboek van Strafrecht,

zoals ze golden op het moment dat het feit gepleegd werd.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit heeft gepleegd, te weten:

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN PERSONEN;

verklaart dit feit en de verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 60 UREN;

beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 DAGEN;

bepaalt dat de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht;

voor elke dag dat de verdachte in voorarrest heeft gezeten, zal de rechtbank 2 uren van de werkstraf aftrekken;

bepaalt dat 30 UREN van deze werkstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd als de veroordeelde zich tot het einde van de proeftijd, die 1 jaar is, houdt aan de volgende voorwaarden:

1. dat zij zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

2. dat zij zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

3. dat zij op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal leggen of laten leggen met aangever [slachtoffer] (30-11-2000);

geeft aan Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn verder dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

4. voor het vaststellen van haar identiteit zal meewerken aan het nemen van meer

vingerafdrukken of een identiteitsbewijs zal laten zien (artikel 1 van de Wet op de

identificatieplicht);

5. zal meewerken aan het jeugdreclasseringstoezicht en aan huisbezoeken (artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht);

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk en hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte om aan [slachtoffer] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 600,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 september 2018 tot aan de dag waarop het bedrag geheel is betaald en veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot nu toe begroot op € 0,00, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door haar mededader aan

[slachtoffer] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

legt voorts aan de verdachte op de verplichting om € 600,00 aan de Staat te betalen voor de benadeelde partij [slachtoffer], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 september 2018 tot aan de dag waarop het bedrag geheel is betaald;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door haar mededader aan

[slachtoffer] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

bepaalt dat door betaling aan de Staat, de verplichting om aan de benadeelde partij te betalen vervalt en omgekeerd;

heft tot slot het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.J. Wortelboer, kinderrechter-plv., voorzitter,

mr. C.F. Mewe, kinderrechter,

en mr. M.C. Bruining, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. R. Westerhof, griffier,

en is uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank van 21 oktober 2019.

Mr. R.J. Wortelboer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlagen:

1) De tenlastelegging

2) De bewezenverklaring

Bijlage 1. De tenlastelegging

Aan bovenbedoeld gedagvaarde persoon is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 27 september 2018 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan

[slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met haar mededader die [slachtoffer] meermalen tegen haar hoofd en tegen haar lichaam heeft geschopt en/of getrapt en gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

zij op of omstreeks 27 september 2018 te 's-Gravenhage op of aan de openbare weg, het Joubertplantsoen, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het

- meermalen (met kracht) met de vuist stompen en/of slaan in het gezicht, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer] , en/of

- slaan van het hoofd van die [slachtoffer] tegen een muur, en/of

- meermalen (met kracht) met geschoeide voet schoppen en/of trappen tegen het gezicht en/of het hoofd, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer] .

Bijlage 2. De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart wettig en overtuigend bewezen dat:

zij op 27 september 2018 te 's-Gravenhage aan het Joubertplantsoen openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het

- meermalen met kracht met de vuist stompen en/of slaan in het gezicht en tegen het lichaam van die [slachtoffer] , en

- slaan van het hoofd van die [slachtoffer] tegen een muur, en

- meermalen met kracht met geschoeide voet schoppen en/of trappen tegen het lichaam van die [slachtoffer] .

Eventuele taal- en/of schrijffouten zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is hierdoor niet benadeeld.

1 De hierna genoemde pagina’s zijn terug te vinden in het dossier met het nummer vinden in het dossier van politie Eenheid Den Haag met het nummer PL1500-2018262016, pagina’s 1 tot en met 115.