Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:11892

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-10-2019
Datum publicatie
18-11-2019
Zaaknummer
09/837283-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. Openlijke geweldpleging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/837283-18

Datum uitspraak: 21 oktober 2019

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft dit vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] ,

adres: [adres] .

1 Het onderzoek op de zitting

Het onderzoek is gehouden op de zitting van 7 oktober 2019.

De officier van justitie in deze zaak is mr. J.M. Eelman en de raadsvrouw van de verdachte is mr. P. Celikkal, advocaat te Den Haag.

2 De tenlastelegging

De verdachte wordt beschuldigd van een poging tot zware mishandeling (eerste cumulatief/alternatief) en/of openlijk geweld in vereniging tegen een persoon (tweede cumulatief/alternatief).

Deze feiten staan beschreven in de tenlastelegging, die als bijlage 1 deel uitmaakt van dit vonnis.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat de rechtbank bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte onder het tweede cumulatief/alternatief ten laste is gelegd, met uitzondering van het onderdeel “schoppen en/of trappen tegen het gezicht en/of het hoofd”.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft voor het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij ten eerste aangevoerd dat medeplegen niet aan de orde is, omdat niet kan worden bewezen dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en haar medeverdachte. Zij hebben niet iets met elkaar afgesproken, afgestemd of met elkaar samengewerkt. De verdachte kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor de gedragingen van de medeverdachte en het daaruit voortkomende letsel, te weten een blauw oog en een zwelling bij het oog.

Wat betreft de eigen gedragingen van de verdachte, te weten het slaan op het been en de arm van de aangeefster, is geen sprake geweest van opzet dan wel voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, aldus de raadsvrouw. Aangezien het been en de arm geen vitale delen van het lichaam betreffen, was er ook om die reden geen kans op zwaar lichamelijk letsel aanwezig. Uit het dossier is bovendien niet gebleken dat het ontstane letsel getypeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel. Aangeefster is na onderzoek met pijnstillers naar huis gestuurd en medisch ingrijpen was niet noodzakelijk. Aangeefster heeft enkele dagen na het voorval aangegeven nog steeds duizelig te zijn, maar enig letsel zoals een hersenschudding, is niet medisch vastgesteld.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit bepleit dat dit wettig en overtuigend bewezen kan worden wat betreft het onderdeel “met geschoeide voet schoppen en/of trappen tegen het lichaam van aangeefster”. Van de overige onderdelen dient de verdachte wat de raadsvrouw betreft te worden vrijgesproken, omdat dit de verdachte niet kan worden toegerekend. Dit betreffen immers handelingen van de medeverdachte, waar de verdachte niets in te zeggen heeft gehad en die de verdachte ook niet verwachtte.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging

Aangezien de verdachte het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit – zoals de rechtbank dat bewezen zal verklaren – heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank heeft bij de beoordeling de volgende bewijsmiddelen1 gebruikt:

- een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] (p. 40-45);

- een proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer] (p. 46-50);

- een proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] (p. 96-101), en

- de verklaring van de verdachte afgelegd op de terechtzitting van 7 oktober 2019.

Nadere bewijsoverweging

Namens de verdachte is vrijspraak bepleit voor bepaalde onderdelen van het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit, zoals hierboven onder 3.2 is vermeld. De rechtbank is echter van oordeel dat deze onderdelen van de tenlastelegging wel wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, met uitzondering van het schoppen en/of trappen tegen het gezicht en/of hoofd.

De rechtbank overweegt allereerst dat op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat de aangeefster tegen het gezicht en/of hoofd is geschopt en/of getrapt. Slechts één getuige heeft verklaard dat dit zou hebben plaatsgevonden en er zijn geen andere aanwijzingen die het plaatsvinden van deze gedragingen aannemelijk maken. Derhalve is er naar het oordeel van de rechtbank voor dit onderdeel van de tenlastelegging onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden. De rechtbank zal de verdachte hiervan vrijspreken.

De rechtbank overweegt voorts ten aanzien van de overige onderdelen in de tenlastelegging, dat kan worden vastgesteld dat de daarin genoemde geweldshandelingen op dat moment en op die plek door de verdachte dan wel de medeverdachte tegen de aangeefster zijn gepleegd. Daarover bestaat ook geen discussie.

De rechtbank stelt als beoordeling van het verweer van de raadsvrouw voorop, dat bij het delict openlijk geweld in vereniging, de voor medeplegen vereiste “nauwe en bewuste samenwerking” niet evident aanwezig hoeft te zijn. Er kan ook sprake zijn van openlijk geweld dat bestaat uit een meer diffuus samenstel van uiteenlopende, tegen personen of goederen gerichte geweldshandelingen en dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan samenwerkingsverband met een eigen – soms moeilijk doorzichtige – dynamiek. Volgens vaste jurisprudentie is van het "in vereniging" plegen van openlijk geweld reeds sprake, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is. De verdachte is in dat geval ook strafrechtelijk aansprakelijk voor het niet door hem of haar zelf gepleegde geweld.

Nu uit de feiten en omstandigheden is gebleken, dat de verdachte zowel verbaal als op fysieke wijze de geweldshandelingen van haar medeverdachte heeft ondersteund en aldus heeft bijgedragen in het ontstaan en het voortduren daarvan en zich op geen enkel moment heeft onttrokken aan de door haar medeverdachte gepleegde geweldshandelingen, is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld.

Het verweer van de raadsvrouw wordt daarom verworpen.

4 De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit volgens de wet bewezen kan worden en de rechtbank is er ook van overtuigd dat de verdachte dit bewezenverklaarde feit heeft gepleegd.

De tekst van deze bewezenverklaring staat in bijlage 2 bij dit vonnis.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Het feit is strafbaar. De verdachte is ook strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar. Daarbij vraagt zij aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, te weten vier dagen, en vraagt zij als maatstaf daarvoor twee uur per dag aan te houden. De officier van justitie heeft de rechtbank voorts gevraagd om aan de verdachte de bijzondere voorwaarden op te leggen, zoals die door de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) in het rapport van 3 oktober 2019 en op de zitting zijn geadviseerd. Zij vraagt daarnaast om een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer] en locatieverboden betreffende het woonadres van [slachtoffer] en het woonadres van de zus van [slachtoffer] aan de verdachte op te leggen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de strafmaat bepleit aan de verdachte een geheel voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uren op te leggen, met een proeftijd van één jaar en als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering in het kader van de meldplicht en het volgen van een behandeling bij Het Palmhuis. Daarbij vraagt zij aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De raadsvrouw maakt bezwaar tegen de door de officier van justitie gevorderde locatieverboden, omdat het opleggen daarvan niet noodzakelijk is en de verdachte het recht heeft om vrij te kunnen bewegen. Hoewel het volgens de raadsvrouw evenmin noodzakelijk is om aan de verdachte een contactverbod met aangeefster [slachtoffer] op te leggen, maakt zij daartegen geen bezwaar.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de strafmaat voorts aangevoerd, dat het strafadvies van de Raad moet worden gevolgd. Ook moet rekening worden gehouden met het feit dat de verdachte een blanco strafblad heeft, dat het tijdsverloop tussen de pleegdatum en de zitting inmiddels meer dan een jaar beloopt, dat de verdachte zich in deze periode goed aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en dat de verdachte deze voorwaarden ook als een straf heeft ervaren. Tevens is van belang dat bij de aangeefster een gedeelte eigen schuld aanwezig is als het gaat om de periode voorafgaand aan het conflict. Dit heeft het conflict ook enigszins veroorzaakt. Tot slot is er geen sprake van strafverzwarende omstandigheden, aldus de raadsvrouw.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Om te bepalen welke straf en/of maatregel voor de verdachte gepast is, kijkt de rechtbank naar de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en ook naar de persoon van de verdachte.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen de aangeefster. Door het handelen van de verdachte en haar mededader is een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangeefster, die als gevolg van het gebeurde lichamelijk letsel heeft opgelopen. De aangeefster ondervindt daarnaast, blijkens onder meer haar vordering tot schadevergoeding en haar verklaring op de zitting, ook nog steeds de psychische gevolgen van het gebeurde. Een feit als het onderhavige versterkt bovendien in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid op straat. Dat er sprake was van geweld door twee personen tegen één persoon, rekent de rechtbank de verdachte extra aan.

Dat er voorafgaand aan dit geweld sprake zou zijn geweest van pesterijen door aangeefster jegens de verdachte en haar medeverdachte, waarvan de rechtbank overigens uit het dossier niet is gebleken, doet aan de ernst van het feit niet af. Als hiervan al sprake zou zijn geweest, rechtvaardigt dit niet de uitbarsting van geweld die aangeefster heeft moeten ondergaan.

De persoon van de verdachte

Uit de justitiële documentatie (het strafblad) van de verdachte is duidelijk geworden dat zij na het plegen van het bewezenverklaarde strafbaar feit, nog is veroordeeld voor een andersoortig strafbaar feit. De rechtbank legt daarom in deze zaak een straf op alsof zij voor deze feiten gelijktijdig straf op zou leggen, zoals dat in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is bepaald.

De rechtbank heeft voorts de rapporten van de Raad betreffende de persoon van de verdachte gelezen. Uit het rapport van 3 oktober 2019 blijkt dat verdachte zich gedurende de schorsing van ruim een jaar goed heeft gehouden aan de opgelegde voorwaarden, dat zij gemotiveerd is tot gedragsverandering en dat zij werkt aan een goede toekomst voor zichzelf. De Raad heeft geadviseerd om haar bij bewezenverklaring een voorwaardelijke werkstraf op te leggen, met een proeftijd van één jaar, en als bijzondere voorwaarden het zich laten begeleiden door de jeugdreclassering in het kader van de meldplicht en het volgen van een behandeling bij Het Palmhuis. Het strafadvies van de Raad is gericht op het doen voortzetten van de huidige hulpverlening en begeleiding. Een voorwaardelijke straf dient als stok achter de deur om herhaling te voorkomen.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft bij het opleggen van de straf, naast de hiervoor genoemde omstandigheden, ook nog rekening gehouden met de oriëntatiepunten die gelden voor soortgelijke feiten.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van de straf, meer dan de officier van justitie, rekening met het positieve verloop van het afgelopen jaar, waarin de verdachte zich gedurende een voor haar leeftijd relatief lange periode goed heeft gehouden aan de voorwaarden die verbonden zijn aan de schorsing van de voorlopige hechtenis. Zij komt daarom tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft geëist.

Anders dan de officier van justitie, ziet de rechtbank onvoldoende redenen om locatieverboden betreffende het woonadres van het slachtoffer [slachtoffer] en het woonadres van de zus van [slachtoffer] op te leggen. De noodzaak daarvan is onvoldoende gebleken en het opleggen daarvan acht de rechtbank daarom disproportioneel. De rechtbank acht wel het opleggen van een contactverbod met [slachtoffer] passend en geboden, gelet op de feiten en omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de nog aanwezige psychische gevolgen daarvan voor het slachtoffer.

De rechtbank zal alles afwegende aan de verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf van hierna te melden duur met voorwaarden opleggen. De tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten wordt daarvan afgetrokken.

7. De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft een vordering ingediend voor een bedrag van € 1.150,00 aan immateriële schade (smartengeld), vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met daarbij de wettelijke rente, en heeft gevorderd om aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.150,00 op te leggen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de schade door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd. Zo ontbreekt een recente medische verklaring of enig bewijs van het volgen van een behandeling. Om die reden is er al een verschil met de door de benadeelde partij in de onderbouwing aangehaalde en als vergelijkbaar bestempelde jurisprudentie, waarbij dit wel het geval was. Er bestaan ook verschillen tussen deze zaak en de aangehaalde zaak, omdat de verdachte ten opzichte van de medeverdachte een substantieel kleiner aandeel heeft gehad in het geweld tegen de benadeelde alsmede dat de benadeelde een eigen aandeel heeft gehad in het aan het feit voorafgaande conflict. De benadeelde partij dient, gelet op het voorgaande, daarom in zijn geheel niet-ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard dan wel te worden afgewezen, aldus de raadsvrouw.

Mocht de rechtbank toch overwegen de vordering toe te wijzen, dan heeft de raadsvrouw verzocht het bedrag te matigen tot een bedrag van € 500,00 á € 750,00, gelet op voornoemde verschillen tussen de zaken alsook de verwachting dat de schade kleiner was geweest indien de benadeelde partij de haar geadviseerde psychologische behandeling zou hebben gevolgd. De raadsvrouw heeft verzocht dit bedrag nog verder te matigen gelet op het draagkrachtbeginsel. De verdachte heeft te weinig inkomen en vermogen en de betaling zou in de praktijk ten laste komen van de moeder van de verdachte. De raadsvrouw heeft tot slot verzocht om bij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel geen vervangende jeugddetentie op te leggen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast komen te staan dat er bij [slachtoffer] immateriële schade is ontstaan door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is wel van oordeel dat het gevraagde bedrag te hoog is. De rechtbank heeft gekeken naar vergelijkbare zaken waarbij in een strafprocedure een schadevergoeding werd toegekend. Op basis daarvan zal de rechtbank in redelijkheid een bedrag toewijzen van € 600,00.

Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag dat het feit is gepleegd, te weten 27 september 2018 tot aan de dag dat het bedrag is betaald.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Dit brengt mee dat de verdachte ook moet worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, tot nu toe begroot op € 0,00, en die zij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal aan de verdachte ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen, zodat zij het bedrag aan de Staat moet betalen en de Staat ervoor zorgt dat het geld bij de benadeelde partij terecht komt. De rechtbank legt daarbij geen vervangende jeugddetentie op.

Door betaling aan de Staat, zal de verplichting om aan de benadeelde partij te betalen vervallen en omgekeerd.

De rechtbank zal het schadebedrag hoofdelijk opleggen, zodat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door haar mededader aan [slachtoffer] zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De straf die de rechtbank zal opleggen, is gebaseerd op de artikelen:

36f, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals ze golden op het moment dat het feit gepleegd werd.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit heeft gepleegd, te weten:

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN PERSONEN;

verklaart dit feit en de verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 60 UREN;

beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 DAGEN;

bepaalt dat de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht;

voor elke dag dat de verdachte in voorarrest heeft gezeten, zal de rechtbank 2 uren van de werkstraf aftrekken;

bepaalt dat 30 UREN van deze werkstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd als de veroordeelde zich tot het einde van de proeftijd, die 1 jaar is, houdt aan de volgende voorwaarden:

1. dat zij zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

2. dat zij zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

3. dat zij zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van Het Palmhuis of een soortgelijke instelling op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven;

4. dat zij op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal leggen of laten leggen met aangever [slachtoffer] ( [geboortedatum 2] );

geeft aan Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn verder dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

5. voor het vaststellen van haar identiteit zal meewerken aan het nemen van meer

vingerafdrukken of een identiteitsbewijs zal laten zien (artikel 1 van de Wet op de

identificatieplicht);

6. zal meewerken aan het jeugdreclasseringstoezicht en aan huisbezoeken (artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht);

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk en hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte om aan [slachtoffer] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 600,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 september 2018 tot aan de dag waarop het bedrag geheel is betaald en veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot nu toe begroot op € 0,00, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door haar mededader aan

[slachtoffer] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

legt voorts aan de verdachte op de verplichting om € 600,00 aan de Staat te betalen voor de benadeelde partij [slachtoffer], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 september 2018 tot aan de dag waarop het bedrag geheel is betaald;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door haar mededader aan

[slachtoffer] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

bepaalt dat door betaling aan de Staat, de verplichting om aan de benadeelde partij te betalen vervalt en omgekeerd;

heft tot slot het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.J. Wortelboer, kinderrechter-plv., voorzitter,

mr. C.F. Mewe, kinderrechter,

en mr. M.C. Bruining, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. R. Westerhof, griffier,

en is uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank van 21 oktober 2019.

Mr. R.J. Wortelboer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlagen:

1) De tenlastelegging

2) De bewezenverklaring

Bijlage 1. De tenlastelegging

Aan bovenbedoeld gedagvaarde persoon is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 27 september 2018 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan

[slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met haar mededader die [slachtoffer] meermalen tegen haar hoofd en tegen haar lichaam heeft geschopt en/of getrapt en gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

zij op of omstreeks 27 september 2018 te 's-Gravenhage op of aan de openbare weg, het Joubertplantsoen, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het

- meermalen (met kracht) met de vuist stompen en/of slaan in het gezicht, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer] , en/of

- slaan van het hoofd van die [slachtoffer] tegen een muur, en/of

- meermalen (met kracht) met geschoeide voet schoppen en/of trappen tegen het gezicht en/of het hoofd, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer] .

Bijlage 2. De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart wettig en overtuigend bewezen dat:

zij op 27 september 2018 te 's-Gravenhage aan het Joubertplantsoen openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het

- meermalen met kracht met de vuist stompen en/of slaan in het gezicht en tegen het lichaam van die [slachtoffer] , en

- slaan van het hoofd van die [slachtoffer] tegen een muur, en

- meermalen met kracht met geschoeide voet schoppen en/of trappen tegen het lichaam van die [slachtoffer] .

Eventuele taal- en/of schrijffouten zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is hierdoor niet benadeeld.

1 De hierna genoemde pagina’s zijn terug te vinden in het dossier met het nummer vinden in het dossier van politie Eenheid Den Haag met het nummer PL1500-2018262016, pagina’s 1 tot en met 115.