Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:11882

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-05-2019
Datum publicatie
08-11-2019
Zaaknummer
NL19.5360
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag afgewezen; tegenwerping artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag vanwege rol binnen Nigeriaanse bende; geen reëel en voorzienbaar risico op schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Nigeria, want niet geloofwaardig dat de Nigeriaanse overheid eiser strafrechtelijk wil vervolgen en niet geloofwaardig dat eiser homoseksueel is; terugkeerbesluit; inreisverbod voor de duur van tien jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.5360


uitspraak van de meervoudige kamer van 2 mei 2019 in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Kersten).


Procesverloop
Bij besluit van 4 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond. Verder is bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en is tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.5361, plaatsgevonden op 2 april 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum eiser] en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Hij heeft op 26 januari 2018 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel ingediend.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Verweerder stelt zich op het standpunt dat artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) op eiser van toepassing is, zodat hij geen aanspraak kan maken op de bescherming die de overige artikelen van het Vluchtelingenverdrag bieden. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Gelet op artikel 3.107, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) komt eiser ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op één van de andere gronden bedoeld in artikel 29 van de Vw, aldus verweerder. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat uit het relaas van eiser niet kan worden geconcludeerd dat er in zijn geval sprake is van een reëel en voorzienbaar risico dat hij bij terugkeer naar Nigeria zal worden onderworpen aan een door artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dan wel artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing verboden behandeling. In dit kader heeft verweerder niet geloofwaardig geacht dat de Nigeriaanse overheid eiser strafrechtelijk wil vervolgen. Daarnaast acht verweerder eisers gestelde homoseksuele geaardheid niet geloofwaardig. Verweerder heeft voorts een inreisverbod voor de duur van tien jaar tegen eiser uitgevaardigd op grond van artikel 66a, vierde lid, van de Vw juncto artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Vb.

Ten aanzien van de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag

3. Eiser voert als beroepsgrond aan dat verweerder hem ten onrechte artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag heeft tegengeworpen. Hij stelt dat hij gelet op de situatie in Nigeria geen andere keuze had dan zich aan te sluiten bij een bende en dat het geweld dat hij heeft gebruikt als lid van deze bende voortkwam uit zelfverdediging. Deze beroepsgrond faalt.

3.1.

Op grond van artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten.

3.2.

Op grond van artikel 3.107, eerste lid, van het Vb wordt onder een persoon als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag mede verstaan een persoon die heeft aangezet tot of anderszins heeft deelgenomen aan de in dat artikel genoemde misdrijven of daden. Op grond van het tweede lid verleent verweerder, indien artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in de weg staat, evenmin een verblijfsvergunning op één van de andere gronden bedoeld in artikel 29.

3.3.

Volgens paragraaf C2/7.10.2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) moet verweerder voor tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aantonen dat er ernstige redenen zijn te veronderstellen dat de betrokken vreemdeling verantwoordelijk kan worden gehouden voor één van de misdrijven zoals bedoeld in dit artikel. Indien verweerder ernstige redenen heeft aangetoond, is het aan de vreemdeling dit gemotiveerd te weerleggen om tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag te voorkomen.

Om te bepalen of een vreemdeling verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven en daden als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, onderzoekt verweerder of die vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf (‘knowing participation’) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’).

3.4.

Eiser heeft verklaard dat hij van 2008 tot het moment van zijn vertrek uit Nigeria lid is geweest van een bende genaamd [naam 1] en dat hij als ‘tweede man’ een leidinggevende rol binnen deze bende heeft vervuld. Niet in geschil is dat eiser als lid van [naam 1] persoonlijk heeft deelgenomen aan (zware) mishandelingen van leden van rivaliserende bendes, dat hij zijn medebendeleden opdracht heeft gegeven rivaliserende bendeleden (zwaar) te mishandelen, en dat deze mishandelingen meerdere keren de dood tot gevolg hebben gehad. Daarnaast is niet in geschil dat eiser zijn medebendeleden in 2016 opdracht heeft gegeven de leider van een rivaliserende bende ( [naam 2] ) zwaar te mishandelen en dat dit heeft geleid tot de dood van deze leider. Verder is niet in geschil dat deze handelingen kunnen worden aangemerkt als ernstige, niet-politieke misdrijven in de zin van artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag en dat in het geval van eiser sprake was van ‘knowing participation’ en ‘personal participation’. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is.

3.5.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het hem niet kan worden tegengeworpen dat artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag op hem van toepassing is, omdat hij om in Nigeria te kunnen overleven geen andere keuze had dan zich aan te sluiten bij een bende, dat hij zich als lid van [naam 1] moest verdedigen tegen het geweld van andere bendes en dat het geweld dat hij gebruikte dus voortkwam uit zelfverdediging. Verweerder heeft er niet ten onrechte op gewezen dat Lagos weliswaar lijdt onder een hoog niveau van criminaliteit en geweld, maar dat dit niet betekent dat iedere inwoner van Lagos geen andere keuze heeft dan zich aan te sluiten bij een bende en deel te nemen aan criminaliteit en geweld. Bovendien volgt uit de verklaringen van eiser over de manier waarop hij lid is geworden van [naam 1] niet dat hij geen andere keuze had dan zich aan te sluiten bij deze bende. Zo heeft eiser verklaard dat een vriend hem in contact heeft gebracht met [naam 1] , omdat hij daar werk kon vinden. Verder volgt uit de verklaringen van eiser dat [naam 1] bewust en veelvuldig gewelddadige confrontaties met andere bendes opzocht, dat deze confrontaties van tevoren werden gepland en dat op voorhand duidelijk was dat hierbij zwaar geweld zou worden gebruikt. Eiser heeft voorts verklaard dat hij heeft deelgenomen aan het schoppen en slaan van iemand die op de grond lag. Dat het geweld dat werd gebruikt alleen voortkwam uit zelfverdediging kan dan ook niet worden gevolgd.

3.6.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder eiser terecht tegengeworpen dat artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag op hem van toepassing is. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Gelet op artikel 3.107, tweede lid, van het Vb komt eiser ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op één van de andere gronden bedoeld in artikel 29 van de Vw.

Ten aanzien van artikel 3 van het EVRM

4. Eiser voert als beroepsgrond aan dat verweerder ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat hij door de Nigeriaanse overheid wordt gezocht vanwege zijn verantwoordelijkheid voor de dood van de leider van [naam 2] . Deze beroepsgrond faalt.

4.1.

Eiser heeft verklaard dat hij na de dood van de leider van [naam 2] in februari 2016 is ondergedoken, dat hij begin 2017 op illegale wijze naar Brazilië is gereisd en dat hij in juni 2017 vanuit Brazilië naar Nigeria is gedeporteerd. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is in te zien dat, als de Nigeriaanse autoriteiten daadwerkelijk op zoek waren naar eiser, zij hem in 2017 bij de afgifte van een tijdelijk reisdocument voor zijn deportatie vanuit Brazilië niet zouden hebben geïdentificeerd als voortvluchtig crimineel. Daarnaast is niet in te zien dat de Braziliaanse escorts, die eiser begeleidden bij zijn terugreis naar Nigeria, niet wisten dat hij in Nigeria werd gezocht indien hij ten tijde van zijn deportatie uit Brazilië door de Nigeriaanse overheid als voortvluchtig crimineel zou zijn beschouwd.

4.2.

Verweerder heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaring van eiser dat hij na aankomst op de luchthaven van Lagos gemakkelijk de grenscontrole kon ontwijken door zich urenlang schuil te houden op een toilet niet is te rijmen met de gestelde negatieve belangstelling voor hem. Het ligt in de rede dat een zoektocht naar eiser zou zijn gestart als de Nigeriaanse autoriteiten hem daadwerkelijk als voortvluchtig crimineel beschouwden en hij was ontsnapt aan de Braziliaanse escorts. Verweerder heeft er overigens terecht op gewezen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn ontsnapping aan zijn Braziliaanse escorts. Zo heeft hij in eerste instantie verklaard dat hij samen met twee mede-gedeporteerden aan zijn escorts is ontkomen door te doen alsof hij zijn veters moest vastmaken, terwijl de andere jongen zei dat hij naar het toilet wilde (pagina 38, aanvullend gehoor 4 april 2018), terwijl hij later heeft verklaard dat hij alleen is ontsnapt terwijl zijn twee mede-gedeporteerden nog onder toezicht van de escorts waren (pagina 39, aanvullend gehoor 4 april 2018).

4.3.

Verder heeft verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat de Nigeriaanse overheid met grootschalige inzet van manschappen heeft geprobeerd eiser te arresteren. In dit kader heeft verweerder er allereerst niet ten onrechte op gewezen dat de door eiser geschetste passiviteit van de Nigeriaanse autoriteiten ten tijde van zijn deportatie uit Brazilië niet is te rijmen met de door hem gestelde grootschalige inzet van een anti-terroristen-eenheid (SAS) bij een poging hem in zijn woonomgeving Tarkwa Bay te arresteren. Verweerder heeft er bovendien terecht op gewezen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over hoe hij wist dat de Nigeriaanse overheid naar hem op zoek was. Zo heeft eiser enerzijds verklaard dat hij dit wist doordat een vriend, genaamd [naam 3] , hem daarvoor telefonisch had gewaarschuwd (pagina 23, aanvullend gehoor 4 april 2018), terwijl hij anderzijds heeft verklaard dat hij een boot heeft zien aankomen met agenten van de SAS die naar hem op zoek waren (pagina 40, aanvullend gehoor 4 april 2018). Eiser heeft voorts wisselend verklaard over hoe hij wist dat de SAS op de speedboot zat, nu hij in eerste instantie heeft verklaard dat hij het moeilijk vond om te zeggen waarom hij dacht dat het de SAS was en dat hij het voelde, terwijl hij daarna heeft verklaard dat hij het kon zien aan hoe zij eruit zagen.

4.4.

Verweerder heeft er bovendien niet ten onrechte op gewezen dat het niet aannemelijk is dat de Nigeriaanse autoriteiten een volledig bewapende antiterrorisme-eenheid inzetten om eiser in zijn eigen woning te arresteren en dat niet is in te zien hoe deze eenheid zou weten op welk adres eiser verbleef, nu hij heeft verklaard dat hij op geen enkel adres stond geregistreerd en er op het eiland waar hij verbleef ook geen adressen bestonden. Verweerder heeft voorts niet ten onrechte betrokken dat eiser heeft verklaard dat hij niet weet hoe vaak de SAS heeft geprobeerd hem in Tarkwa Bay te komen arresteren, terwijl de komst van de SAS naar een klein eiland de nodige aandacht moet hebben getrokken en eiser hiervan op de hoogte zou moeten zijn.

4.5.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet ten onrechte niet aannemelijk geacht dat eiser wordt gezocht door de Nigeriaanse autoriteiten in verband met de dood van de leider van [naam 2] .

5. Eiser voert als beroepsgrond aan dat verweerder zijn homoseksuele geaardheid ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Deze beroepsgrond faalt.

5.1.

Verweerder heeft zich allereerst niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser onaannemelijke verklaringen heeft afgelegd over de ontdekking van zijn homoseksualiteit op jonge leeftijd. Zo heeft eiser verklaard dat hij op 7- of 8-jarige leeftijd heeft begrepen dat hij homoseksueel was, omdat hij nooit met meisjes speelde en hij geen seksuele gevoelens had voor meisjes. Het is echter niet ongebruikelijk dat jongens en meisjes op die leeftijd niet met elkaar spelen en dat een jongen op die leeftijd geen seksuele gevoelens voor meisjes heeft. Eiser heeft verder verklaard dat hij zich op negen-, tien- of elfjarige leeftijd niet zichzelf voelde in de aanwezigheid van meisjes en vrouwen. Het is echter niet in te zien dat de ontdekking van eisers homoseksuele gevoelens ertoe zou leiden dat hij zich niet op zijn gemak voelde in het gezelschap van meisjes en vrouwen.

5.2.

Daarnaast heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser wisselend heeft verklaard op de vraag wanneer en hoe hij heeft ontdekt dat hij homoseksuele gevoelens had. Zo heeft eiser verklaard dat hij niet weet wanneer hij voor het eerst gevoelens kreeg voor mannen, maar ook dat dit op negen- tot elfjarige leeftijd was door de ontdekking van seksuele gevoelens tijdens het spelen met jongens en verder dat dit rond zijn twaalfde of dertiende was, maar dat hij niet wist hoe hij merkte dat hij zich tot mannen aangetrokken voelde. De verklaring van eiser dat hij niet wist welke gevoelens hij op twaalf- of dertienjarige leeftijd voor jongens kreeg is, zoals verweerder terecht stelt, bovendien niet te rijmen met zijn verklaring dat hij al vanaf jonge leeftijd een relatie heeft gehad met zijn jeugdvriend [naam 4] en dat deze relatie is geëindigd door de verhuizing van [naam 4] , toen eiser vijftien of zestien jaar oud was.

5.3.

Eiser heeft verder enerzijds verklaard dat hij zijn homoseksualiteit altijd heeft moeten verbergen uit angst voor ontdekking, maar ook dat hij altijd al heeft geweten dat zijn vrienden jaloers op hem waren omdat hij zijn leven gewoon leidde. Verder heeft hij verklaard dat hij in verband met zijn homoseksualiteit altijd in zijn eentje heeft geleefd en dat hij zich goed voelde, maar ook dat hij zijn jeugd in relatie tot zijn homoseksualiteit als heel heftig en zwaar heeft ervaren, dat hij niet blij was en het leek alsof een geest hem had overgenomen, om vervolgens weer te verklaren dat hij nooit over homoseksualiteit heeft gedacht en dat hij wist wie hij was. Deze verklaringen zijn, zoals verweerder terecht stelt, tegenstrijdig. Verweerder heeft er bovendien niet ten onrechte op gewezen dat eiser niet heeft kunnen verklaren wat hij heeft bedoeld met zijn verklaring dat hij in zijn jeugd was overgenomen door een geest.

5.4.

Verweerder heeft er voorts terecht op gewezen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de duur van zijn gestelde relatie met [naam 4] . Zo heeft eiser verklaard dat deze relatie tot zijn dertiende heeft geduurd, maar ook dat deze relatie tot zijn veertiende of vijftiende heeft geduurd en dat de relatie tot zijn vijftiende of zestiende heeft geduurd. Verder is, zoals verweerder niet ten onrechte heeft overwogen, de gestelde relatie met [naam 5] niet geloofwaardig. Eiser heeft verklaard dat hij niet weet of de familie van [naam 5] wist van diens seksuele geaardheid, terwijl niet is in te zien dat eiser en [naam 5] het hier nooit over hebben gehad, nu [naam 5] bij zijn familie inwoonde en het daarom voor [naam 5] persoonlijk en voor de relatie tussen eiser en [naam 5] van belang moet zijn geweest of zijn familie wist van zijn homoseksuele geaardheid. Eiser was daarnaast niet op de hoogte van de familienaam van [naam 5] en heeft in eerste instantie verklaard dat [naam 5] een oudere broer had, terwijl hij later heeft verklaard dat hij niet wist of [naam 5] broers en zussen had. Voorts heeft eiser enerzijds verklaard dat [naam 5] ook lid was van [naam 1] , maar ook dat dit niet het geval was.

5.5.

Verweerder heeft zich voorts niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende heeft kunnen verklaren over de positie van homoseksuelen in Nigeria. Eiser heeft niet kunnen verklaren hoe homoseksuelen in Nigeria worden gediscrimineerd en heeft enkel verwezen naar een incident waarbij in Ibadan een jongen in brand zou zijn gestoken. Verweerder heeft voorts niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat de buitenwereld eiser door zijn tatoeages ervan verdenkt homoseksueel te zijn. Het is niet in te zien dat de tatoeages die eiser heeft leiden tot een verdenking van homoseksualiteit.

5.6.

Verder heeft eiser verklaard dat geen van zijn vrienden weet van zijn homoseksualiteit, maar ook dat hij in Nigeria werd uitgelachen, belachelijk werd gemaakt en werd uitgescholden vanwege zijn homoseksualiteit. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is in te zien dat eiser in het openbaar wordt herkend als homoseksueel en daarom wordt uitgescholden en uitgelachen, maar dat zijn naaste vrienden dit niet hebben opgemerkt.

5.7.

De stelling van eiser dat het hem niet kan worden tegengeworpen dat hij over verschillende onderwerpen tegenstrijdig heeft verklaard, omdat hij in Nigeria altijd in het geheim heeft moeten leven met zijn seksuele geaardheid, hij tijdens de lange gehoren voor het eerst heeft gesproken over zijn geaardheid, dit voor hem heel moeilijk was en hij zich schaamde, heeft verweerder niet ten onrechte niet gevolgd. Gelet op de hoeveelheid tegenstrijdige verklaringen die eiser heeft afgelegd kan dit niet gelden als een afdoende verklaring hiervoor.

5.8.

Verweerder heeft er voorts niet ten onrechte op gewezen dat de uitingen van eiser op Facebook niet duiden op een homoseksuele geaardheid. Zo wijzen de reacties die eiser bij foto’s van vrouwen en op de pagina ‘Connecting Singles’ heeft geplaatst op (seksuele) belangstelling voor vrouwen en pogingen om via internet in contact te komen met vrouwen. Daarnaast heeft eiser op 31 maart 2018 een link naar een heteroseksuele pornografische tekening op zijn Facebook-pagina geplaatst. De stelling van eiser dat hij deze uitingen niet zelf heeft gedaan en dat iemand anders gebruik heeft gemaakt van zijn Facebook-account is niet aannemelijk. Eiser heeft niet kunnen verklaren hoe en waarom iemand dit zou doen.

Ten aanzien van het terugkeerbesluit

6. Eiser voert als beroepsgrond aan dat het bestreden besluit strijdig is met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 juni 2018 in de zaak C‑181/16, Sadikou Gnandi tegen de Belgische Staat, (ECLI:EU:C:2018:465, hierna: het arrest Gnandi), omdat aan het terugkeerbesluit geen schorsende werking is verleend.

6.1.

Deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van de meervoudige kamer van 10 september 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:13255) onder verwijzing naar het arrest Gnandi overwogen dat de Terugkeerrichtlijn niet in de weg staat aan het gelijktijdig afwijzen van een asielaanvraag en het vaststellen van een terugkeerbesluit, op voorwaarde dat alle rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden geschorst in afwachting van de uitkomst van het beroep. Evenals in die zaak is in dit geval aan het terugkeerbesluit geen schorsende werking verleend. Dit gebrek leidt echter niet tot een vernietiging van het bestreden besluit. Daartoe overweegt de rechtbank dat in het bestreden besluit is bepaald dat eiser de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening in Nederland mag afwachten indien hij een verzoek om voorlopige voorziening indient. Eiser heeft tijdig een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, zodat hij de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening in Nederland mag afwachten. Bij uitspraak van heden in de zaak NL19.5361 heeft de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening beslist. Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat eiser door het geconstateerde gebrek is benadeeld. De rechtbank is daarom van oordeel dat het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden gepasseerd. Wel vindt de rechtbank hierin aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken. Daarvoor wordt verwezen naar overweging 9 van deze uitspraak.

Ten aanzien van het inreisverbod

7. Eiser voert als beroepsgrond aan dat verweerder hem ten onrechte een inreisverbod voor de duur van tien jaar heeft opgelegd. Hij stelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij een actuele en ernstige bedreiging is van een fundamenteel belang van de samenleving en dat verweerder voorbij is gegaan aan de feiten en omstandigheden waarin hij verkeerde toen hij het geweld toepaste. Deze beroepsgrond faalt.

7.1.

Verweerder heeft zich onder verwijzing naar onder andere het arrest van het Hof van 2 mei 2018 in de gevoegde zaken K. tegen de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en H.F. tegen de Belgische Staat (C-331/16 en C-366/16, ECLI:EU:C:2018:296) op het standpunt gesteld dat het gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Daarbij heeft hij betrokken dat eiser zich voor zijn komst naar Nederland veelvuldig schuldig heeft gemaakt aan misdrijven als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag en dat deze misdrijven, ook internationaal gezien, als zeer ernstig zijn aan te merken. Verweerder heeft er onder meer op gewezen dat eiser zich persoonlijk en eigenhandig schuldig heeft gemaakt aan de tegengeworpen misdrijven en dat hij dus zeer nauw betrokken is geweest bij het begaan van deze misdrijven, die ook in Nigeria strafbaar zijn. Verweerder heeft daarnaast betrokken dat eiser niet strafrechtelijk is veroordeeld voor het begaan van deze misdrijven. Verder heeft verweerder erop gewezen dat de misdrijven niet zo lang geleden, in de periode tot 2016, zijn begaan. Verweerder heeft de actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving mede gebaseerd op de kans op recidive. Verweerder heeft de enkele stelling van eiser dat het onwaarschijnlijk is dat hij in Nederland hetzelfde geweld zal plegen als hij in Nigeria heeft gedaan onvoldoende geacht om eiser niet als gevaar voor de openbare orde te beschouwen. Verweerder stelt verder dat het gedrag en de houding die eiser nadien ten aanzien van de tegengeworpen misdrijven heeft aangenomen geen aanleiding geven om te oordelen dat hij niet langer als een gevaar voor de openbare orde zou moeten worden gezien. Niet is gebleken dat eiser enig berouw heeft getoond voor de misdrijven die hij heeft gepleegd en dat hij enige verantwoordelijkheid heeft genomen voor de hem verweten misdrijven. Daarnaast heeft verweerder er in het bestreden besluit op gewezen dat eiser op 23 januari 2019 op grond van artikel 56 van de Vw een maatregel van vrijheidsbeperking is opgelegd vanwege herhaald crimineel en gewelddadig gedrag in het asielzoekerscentrum (AZC) en dat hij zich vanaf die datum dient op te houden in een Extra Begeleidings- en Toezicht Locatie (EBTL). Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hieraan ten grondslag ligt dat eiser op het AZC meerdere keren verbaal en fysiek geweld heeft gebruikt tegen medebewoners en medewerkers van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers en dat hij daar handelde in sigaretten en drugs.

7.2.

Gelet op de hiervoor weergegeven motivering heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Verweerder heeft alle door het Hof in het hiervoor genoemde arrest van 2 mei 2018 genoemde aspecten, waaronder de aard en de ernst van de misdrijven waarbij eiser betrokken was, de persoonlijke betrokkenheid van eiser bij die misdrijven, het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling, de tijd die is verstreken sinds het plegen van de misdrijven en de manier waarop eiser zich nadien heeft gedragen, kenbaar bij de besluitvorming betrokken. Dat verweerder eiser niet ten onrechte niet heeft gevolgd in zijn stelling dat hij in Nigeria heeft deelgenomen aan geweld omdat hij daar in een andere wereld leefde en geen andere keuze had, is hiervoor al in overweging 3.5 overwogen. Eiser heeft verder niet gemotiveerd betwist dat hij vanwege herhaald crimineel en gewelddadig gedrag op het AZC is overgeplaatst naar een EBTL.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Gelet op het onder overweging 6.1 geconstateerde gebrek zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, voorzitter, en mr. I. Bouter en mr. J.F. Frankruijter, leden, in aanwezigheid van mr. W. Roozeboom, griffier.

griffier voorzitter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op 2 mei 2019.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.