Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:11873

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
08-11-2019
Zaaknummer
C-09-577722-KG ZA 19-728
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot verbod uitlevering aan Turkije afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/577722 / KG ZA 19/728

Vonnis in kort geding van 25 september 2019 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser] te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. M. Bouwman te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eiser’ en ‘de Staat.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de akte houdende een wijziging van eis;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de bij de mondelinge behandeling door beide partijen overgelegde pleitnotities.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 september 2019. Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Op 18 juli 2017 hebben de Turkse autoriteiten om de uitlevering van eiser verzocht, met het oog op de vervolging van eiser voor doodslag dan wel moord. Bij diplomatieke nota van 22 augustus 2017 hebben de Turkse autoriteiten desgevraagd een zogenoemde terugkeergarantie gegeven.

2.2.

Deze rechtbank heeft de verzochte uitlevering van eiser bij uitspraak van 30 januari 2018 toelaatbaar verklaard. Daarbij heeft de rechtbank in haar advies aan de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de Minister) aandacht gevraagd voor de mensenrechtensituatie in Turkije. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van eiser bij arrest van 22 mei 2018 niet-ontvankelijk verklaard.

2.3.

De Turkse autoriteiten hebben bij brief van 23 mei 2019 desgevraagd aan de Minister te kennen gegeven dat de bij brief van 3 februari 2017 en de bij brief van 24 maart 2017 door hen gegeven inlichtingen en garanties ook van toepassing zijn op eiser. Daarbij gaat het in de kern om de garanties dat a) een uit te leveren persoon in Turkije niet zal worden blootgesteld aan een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en b) aan de uit te leveren persoon het recht wordt toegekend op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn conform de standaarden van artikel 6 EVRM.

2.3.1.

Meer in het bijzonder hebben de Turkse autoriteiten – voor zover thans van belang – toegezegd:

  • -

    dat een veroordeelde of in voorlopige hechtenis gestelde persoon in een Turkse penitentiaire inrichting niet zal worden gemarteld of slecht zal worden behandeld;

  • -

    dat veroordeelden en in voorlopige hechtenis gestelde personen bij de Turkse executierechter klachten kunnen indienen over het handelen van en de leefomstandigheden binnen de penitentiaire inrichting waar zij verblijven en vervolgens tegen beslissingen van de executierechter kunnen ageren bij de ‘Meervoudige Kamers in Zware Strafzaken’;

  • -

    dat de Turkse penitentiaire inrichtingen volledig voldoen aan de Europese regels voor het gevangeniswezen en de internationale standaarden en kunnen worden gecontroleerd door internationale controlemechanismen zoals het Europees Comité voor de preventie van foltering, de Commissie voor de Mensenrechten van de Raad van Europa en de Werkgroep van de Verenigde Naties voor Willekeurige Hechtenis in het kader van het ‘Optional Protocol to the Convention against Torture and other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment’ (OPCAT);

  • -

    dat uitgeleverde personen zullen worden ondergebracht in een penitentiaire inrichting passend bij de categorie van hun (vermoedelijk) gepleegde strafbare feiten en het veiligheidsrisico;

  • -

    dat de gesloten penitentiaire inrichtingen die in de grote steden zijn gebouwd op de plaats van oude penitentiaire inrichtingen dan wel om een oplossing te bieden voor de ontoereikende capaciteit over voldoende fysieke ruimte beschikken op het gebied van onderdak, zorg en onderwijs;

  • -

    dat uitgeleverde personen het recht hebben om vrijelijk een onafhankelijke advocaat te kiezen en dat deze advocaten de mogelijkheid wordt geboden om een onderhoud te hebben met hun in een penitentiaire inrichting verblijvende cliënt;

  • -

    dat uitgeleverde personen in een penitentiaire inrichting kunnen worden bezocht door een consulair ambtenaar van de uitleverende staat.

2.4.

De Minister heeft informatie ingewonnen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken over de Turkse detentieomstandigheden van voor commune delicten veroordeelde personen. Dit heeft geleid tot de bevindingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 10 maart 2017, die op 18 september 2017 en 8 maart 2019 van een update zijn voorzien.

2.4.1.

In de bevindingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 10 maart 2017 valt – voor zover thans relevant – het volgende te lezen:

Samenvattend: De zaken die nu voorliggen en waar door Turkije om uitlevering wordt gevraagd betreffen commune delicten die relateren van vóór de coup. In z’n algemeenheid kan worden gezegd dat personen die worden verdacht van commune delicten redelijk tot goed worden behandeld. Wel kan sprake zijn van ‘overcrowding’, daarmee staat ook de toegang tot medische behandeling onder druk (…) Kanttekening hierbij is dat alle aandacht op dit moment naar postcoup en terrorismebestrijding uitgaat en in mindere mate naar de berechting van de gewone misdaad. (…)

Van 27 november t/m 2 december 2016 bezocht [A], per 1 november jl. UN Special Rapporteur on Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment , Turkije. (…) De omstandigheden in Turkse gevangenissen noemde [A] ‘generally satisfactory or acceptable’ . Wel is er sprake van ‘seriously overcrowded’ gevangenissen, met een bezettingsraad tussen de 125 en 200 procent. Dit heeft ook gevolgen voor de toegang van gevangenen tot medische zorg, frisse lucht en activiteiten in de gevangenis. Cellen op politiebureaus zijn bedoeld voor een kort voorarrest zijn niet toegerust op een langer verblijf, en zijn daarmee niet adequaat voor de huidige situatie waarin het voorarrest is verlengd tot 30 dagen. ‘ Gewone criminelen hoefden volgens [A] niet te vrezen voor marteling, maar ook zij ondervinden de gevolgen van overvolle cellen.

2.4.2.

In de ‘Update detentieomstandigheden Turkije m.b.t. uitlevering bij commuun delict’ van 18 september 2017 valt onder meer het volgende te lezen:

Samenvatting

De verslechterde situatie sinds de coup treft in eerste instantie de politieke gevangenen en in mindere mate de verdachten/veroordeelden van commune delicten. Uit het eerdere overzicht van BZ van 10 maart 2017 komt naar voren dat ten gevolge van de mislukte coup het aantal gevangenen in detentie drastisch is toegenomen. Hoewel een aantal plegers van commune delicten (vervroegd) is vrijgelaten, is het aantal gedetineerden in Turkije in absolute zin in korte tijd sterk gestegen. Deze toename leidt dan ook tot (verdere) overcrowding en dat leidt vervolgens weer tot vergroting van de druk op faciliteiten zoals de medische voorzieningen, de hygiëne, het ontvangen van bezoek en het luchten. Daarbij komt dat een aantal rechters en officieren van justitie is ontslagen. Daardoor, alsmede doordat prioriteit worden gegeven aan de berechting van politieke gevangenen, kan het langer duren voor verdachten van commune delicten voor de rechter verschijnen en verblijven zij dus langer in voorarrest.

In aanvulling op het overzicht van maart 2017 zijn er signalen vanuit een lokale NGO dat de agressievere opstelling van bewakingspersoneel jegens politieke gevangenen kan leiden tot het wegvallen van een drempel tot het gebruik van geweld en daarmee tot een verharding in atmosfeer, waarmee incidenteel ook de niet-politieke gevangenen (kunnen) worden geconfronteerd.”

2.4.3.

In de ‘Update detentieomstandigheden Turkije m.b.t. uitlevering bij commuun delict’ van 8 maart 2019 valt onder meer het volgende te lezen:

Samenvatting

De kwaliteit van detentieomstandigheden lijkt sterk per gevangenis te verschillen. Er kan niet worden geconcludeerd dat er sprake is van een systematische verslechtering over de hele linie; wel is duidelijk dat de omstandigheden niet zijn verbeterd en in voorkomende gevallen zijn verslechterd.

Verslechterde omstandigheden treffen in eerste instantie politieke gevangenen wiens aantal is toegenomen sinds de couppoging van 15 juli 2016, maar ook (in mindere mate) de verdachten/veroordeelden van commune delicten.

De belangrijkste oorzaak van de verslechterende omstandigheden is de stijging van het aantal gevangenen in de afgelopen jaren. Deze ontwikkeling is niet primair het gevolg van de couppoging, maar veeleer van een juridisch systeem waarbij processen vrijwel standaard leiden tot voorarrest en gevangenisstraf, terwijl er te weinig capaciteit beschikbaar is in de gevangenissen.

Hoewel plegers van commune delicten soms (vervroegd) worden vrijgelaten, heeft de absolute stijging van de gevangenispopulatie geleid tot verdere overcrowding. De huidige overbevolking wordt geschat op rond de 30.000 personen. Deze overbevolking leidt vervolgens weer tot vergroting van de druk op faciliteiten zoals de medische voorzieningen, de hygiëne, het ontvangen van bezoek en het luchten.

Daar komt bij dat tijdens de noodtoestand 4.279 rechters en aanklagers zijn ontslagen. Dit is een van de redenen waarom het langer duurt voordat verdachten van commune delicten voor de rechter verschijnen en de kans op een lang voorarrest dus toeneemt.”

2.4.4.

[A] heeft zijn bevindingen naar aanleiding van zijn bezoek aan Turkije neergelegd in een rapport van 18 december 2017 (hierna: ‘het rapport van [A]’).

2.5.

Bij beschikking van 5 juni 2019 heeft de Minister de uitlevering van eiser toegestaan.

3 Het geschil

3.1.

Eiser vordert, zakelijk weergegeven:

primair: zijn feitelijke uitlevering te verbieden;

subsidiair: zijn feitelijke uitlevering uit te stellen tot na ontvangst van actuele en specifieke garanties van de Turkse autoriteiten, op verzoek van de Minister, die afdoende zijn om de dreigende flagrante schending van mensenrechten te kunnen ondervangen, dan wel tot het moment dat de uitlevering niet langer een onevenredige inbreuk maakt op het gezinsleven van eiser.

3.2.

Daartoe voert eiser – samengevat – het volgende aan. Er is sprake van een dreigende schending van artikel 3 EVRM vanwege de overbevolking in het Turkse gevangeniswezen, de (stelselmatige) martelingen in detentie en de slechte (detentie)omstandigheden. Het risico op een schending van artikel 3 EVRM wordt nog vergroot door de dreigingen die eiser vanuit de familie van het slachtoffer in zijn zaak heeft ontvangen.

Voorts is er sprake van een dreigende schending van artikel 6 EVRM, met name voor wat betreft berechting door een onafhankelijke rechter binnen een redelijke termijn en onbelemmerde toegang tot een raadsman.

De gegeven garanties kunnen de dreigende mensenrechtenschendingen niet ondervangen omdat deze onvoldoende actueel en specifiek zijn. Daarbij komt dat de garanties de nodige vragen oproepen. Er is geen effective remedy om tegen de schending op te komen.

Daarnaast bestaat er een concreet risico dat uitlevering van eiser leidt tot bijzondere hardheid, gelet op de trage gerechtelijke procedures in Turkije en de gezinssituatie van eiser in Nederland.

De Minister had dan ook niet in redelijkheid tot toelaatbaarheid van de uitlevering kunnen komen.

3.3.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Op grond van de Uitleveringswet (Uw) vindt uitlevering van een opgeëiste persoon plaats nadat die door de uitleveringsrechter toelaatbaar is verklaard en vervolgens door de Minister bij besluit is toegestaan. In verband met de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister zoals neergelegd in de Uitleveringswet, toetst de uitleveringsrechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering niet alle aspecten van de uitlevering. Aspecten die volgens die taakverdeling worden beoordeeld door de Minister en daarom bij de toelaatbaarverklaring door de uitleveringsrechter niet aan de orde zijn gekomen, kan de opgeëiste persoon desgewenst betrekken in een vordering bij de burgerlijke rechter die ertoe strekt de uitlevering te verbieden op de grond dat het besluit van de Minister, of de tenuitvoerlegging daarvan, onrechtmatig is tegenover de opgeëiste persoon.

4.2.

Uit de artikelen 8 en 10 Uw volgt dat het oordeel over de vraag of de uitlevering een schending oplevert of tot een schending zal leiden van fundamentele rechten, zoals een inbreuk op het verbod van artikel 3 EVRM, in de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister is voorbehouden aan de Minister (vgl. HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997, 533). Indien tegen een besluit van de Minister om de uitlevering toe te staan, wordt opgekomen bij de burgerlijke rechter met de stelling dat de uitlevering strijdig is met fundamentele rechten, dient toetsing van die beslissing een volledige te zijn (vgl. HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7387, NJ 2007, 277).

4.3.

De hiervoor omschreven taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister betekent dat de opgeëiste persoon die bij de Minister aanvoert dat zijn uitlevering een schending van fundamentele rechten oplevert of zal opleveren, het besluit van de Minister ter toetsing kan voorleggen aan de burgerlijke rechter. Beroept de opgeëiste persoon zich op feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal waarover de uitleveringsrechter reeds heeft geoordeeld, dan kan aan dat beroep voorbij worden gegaan indien daaraan niet (ook) andere feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal ten grondslag worden gelegd. Hetgeen in de uitleveringsprocedure niet aan de orde is gesteld en in de civiele procedure wel naar voren wordt gebracht, zal door de burgerlijke rechter in de beoordeling moeten worden betrokken. In voorkomend geval kan dit ook ertoe leiden dat in de civiele procedure op grond van deze nieuwe omstandigheden anders moet worden geoordeeld dan in de uitleveringsprocedure (HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680, NJ 2016, 14).

4.4.

In de gevallen waarin zowel de verzoekende Staat als de aangezochte Staat is toegetreden tot het EVRM, moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van dit verdrag zal eerbiedigen, welk vertrouwen meebrengt dat ervan moet worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon in geval van schending van enig hem bij dat verdrag toegekend recht na zijn uitlevering ter (verdere) strafvervolging het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM voor een instantie van de verzoekende Staat. Dit betekent dat een verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering moet wijken voor de ingevolge artikel 1 EVRM op de Staat rustende verplichting om de rechten van dat verdrag te verzekeren indien (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, en (b) voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk.

4.5.

Daarnaast staat artikel 3 EVRM in de weg aan uitlevering indien er gegronde redenen (“substantial grounds”) zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon in geval van uitlevering een reëel gevaar (“a real risk”) loopt te worden onderworpen aan foltering of aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, (o.a. EHRM 7 juli 1989, ECLI:NL:XX:AB9902, NJ 1990, 158). Doet zo’n situatie zich voor dan kan de Minister niet volstaan met een verwijzing naar het vertrouwensbeginsel. Bij beoordeling van de vraag of die situatie zich voordoet heeft als uitgangspunt te gelden dat de “mere possibility of ill-treatment on account of an unsettled situation in the requesting country does not in itself give rise to a breach of Article 3” (EHRM 18 september 2012, zaak 17455 / 11 Umirov-Russia).

Artikel 3 EVRM

4.6.

Eiser stelt dat hij bij uitlevering aan Turkije een concreet risico loopt op schending van artikel 3 EVRM omdat in vrijwel alle Turkse penitentiaire inrichtingen sprake is van overbevolking, marteling en overige slechte detentie-omstandigheden. Het is blijkens het hiervoor geschetste toetsingskader aan eiser om gemotiveerd te onderbouwen dat er daadwerkelijk concrete aanwijzingen zijn op grond waarvan kan worden aangenomen dat hij het hiervoor bedoelde reële risico loopt. Eiser is daarin niet geslaagd. Uit het rapport van [A], waar eiser zich in dit verband voornamelijk op beroept, en de bevindingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken volgt immers dat voornamelijk gedetineerden die behoren tot kwetsbare groepen een reëel risico lopen om in Turkije het slachtoffer te worden van een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling. Daarbij gaat het om aanhangers van de Gülen-beweging, personen die betrokken zijn (geweest) bij het corruptieonderzoek tegen (familie van) overheidsdienaren/leden van de regering Erdogan, personen met een Koerdische achtergrond en personen met (vermeende) banden met de PKK. Niet ter discussie staat dat eiser niet behoort tot een dergelijke risicogroep en dat hij niet wordt vervolgd voor een politiek getint delict. Eiser wordt immers vervolgd voor doodslag dan wel moord. Een en ander laat onverlet dat blijkens de beschikbare informatie incidenteel ook verdachten en veroordeelden van commune delicten binnen het Turkse gevangeniswezen het slachtoffer worden van een met artikel 3 EVRM strijdige bejegening. Dit is echter een algemeen risico dat in feite iedere verdachte of veroordeelde van een commuun delict loopt. Een voldoende geconcretiseerd reëel risico levert dit ten aanzien van eiser niet op. Van belang hierbij is dat [A] de omstandigheden in Turkse penitentiaire inrichtingen in zijn algemeenheid (ondanks de eveneens door hem geconstateerde overbevolking en daaruit op diverse aspecten van het gevangeniswezen voortvloeiende problematiek) als bevredigend dan wel in ieder geval als aanvaardbaar heeft aangemerkt en het Ministerie van Buitenlandse Zaken sindsdien heeft vastgesteld dat verdachten van commune delicten, ondanks het feit dat de (inmiddels afnemende) overbevolking en daaraan gerelateerde problematiek nog altijd niet volledig is teruggedrongen/opgelost, redelijk tot goed worden behandeld. Daarnaast hebben de Turkse autoriteiten ten aanzien van eiser de nodige garanties verstrekt dat hem niet een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling ten deel zal vallen. Bij gebreke van een gebleken reëel risico ten aanzien eiser kan niet worden gezegd dat de door de Turkse autoriteiten verstrekte garanties onvoldoende zijn, terwijl evenmin aanleiding bestaat om aan te nemen dat ten aanzien van eiser niet conform deze garanties zal worden gehandeld. Meer in het bijzonder mag erop worden vertrouwd dat eiser conform de gedane toezegging zal worden ondergebracht in een penitentiaire inrichting die, gelet op de categorie van de aan hem tenlastegelegde strafbare feiten en het veiligheidsrisico, voor hem geschikt is. Voorts is van belang dat de Turkse autoriteiten hebben toegelicht dat de Turkse regelgeving voorziet in concrete mogelijkheden om op te komen tegen slechte behandeling en marteling in penitentiaire inrichtingen, en dat zij hebben toegezegd dat deze mogelijkheden ook daadwerkelijk aan eiser ter beschikking zullen staan.

4.7.

De niet onderbouwde stelling van eiser dat hij door de familie van het slachtoffer in zijn zaak is bedreigd, is evenmin voldoende om een dreigende schending van artikel 3 EVRM aan te nemen. Er dient op te worden vertrouwd dat de Turkse autoriteiten de veiligheid van eiser in detentie zullen waarborgen. Eiser heeft ook gesteld dat hij na uitlevering in een politiecel terecht zal komen en daar te maken zal krijgen met geweld. De Staat heeft dat gemotiveerd betwist. De liaison officer in Turkije heeft immers desgevraagd bevestigd dat opgeëiste personen na uitlevering direct naar een huis van bewaring worden gebracht en niet eerst naar een politiebureau. Gelet hierop kan er niet van uit worden gegaan dat eiser na zijn uitlevering in aanraking zal komen met politieambtenaren. Voor zover eiser nog stelt dat het zogenoemde CPT-rapport moet worden afgewacht, kan dat standpunt niet worden gevolgd. Met het CPT-bezoek is immers specifiek onderzoek gedaan naar de omstandigheden in politiedetentie, zo staat vermeld in het nieuwsbericht van mei 2019 over het bezoek. Zoals hiervoor vermeld, zijn de omstandigheden in politiedetentie niet relevant voor eiser.

Artikel 6 EVRM

4.8.

Vervolgens is aan de orde de vraag of eiser voldoende heeft onderbouwd dat hij bij uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM.

4.9.

De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend. Niet ter discussie staat dat de Turkse autoriteiten zich sinds de mislukte couppoging actief hebben bemoeid met de benoeming van rechters en openbare aanklagers en het functioneren van politie en justitie in zijn algemeenheid. Niet gebleken is echter dat deze bemoeienis het door artikel 6 EVRM beschermde recht van eiser op een eerlijk proces in de kern aantast. Zoals reeds in eerdere jurisprudentie is uitgemaakt, heeft deze bemoeienis onmiskenbaar tot gevolg dat de aanhangers van Gülen alsmede personen die betrokken zijn (geweest) bij het corruptieonderzoek tegen (familie van) overheidsdienaren/leden van de regering Erdogan en personen met een Koerdische achtergrond en (vermeende) banden met de PKK in een kwetsbare positie zijn komen te verkeren. Eiser wordt – zoals uit het voorgaande blijkt – verdacht van commune delicten en maakt geen deel uit van een van de hiervoor genoemde kwetsbare groepen. Concrete aanwijzingen dat de Turkse overheid (eveneens) structureel invloed/druk uitoefent op commune strafzaken, zoals die van eiser, ontbreken. Het voert aldus te ver om op voorhand aan te nemen dat de gesignaleerde overheidsbemoeienis ertoe zal leiden dat de rechter(s) in de commune strafzaak van eiser onvoldoende onafhankelijk/onpartijdig zal/zullen zijn.

4.10.

Daarnaast is van belang dat de Turkse autoriteiten schriftelijk hebben bevestigd dat de tijdens de noodtoestand uitgevaardigde maatregelen (waaronder de verlenging van de duur van de inverzekeringstelling) uitsluitend gelden ten aanzien van misdrijven tegen de staatsveiligheid, de constitutionele orde, de nationale defensie en staatsgeheimen, alsmede ten aanzien van terroristische misdrijven. Eiser wordt vervolgd voor commune delicten, zodat er vanuit mag worden gegaan dat deze maatregelen op hem niet van toepassing zullen zijn. Eiser heeft in het licht van de door de Turkse autoriteiten gegeven garantie dat hij – kort gezegd – recht heeft op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn conform de standaarden van artikel 6 EVRM, voorts onvoldoende onderbouwd dat hem geen toegang tot een advocaat zal worden verleend en dat de redelijke termijn in zijn strafzaak zal worden overschreden. Dit klemt temeer nu uit de bevindingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken volgt dat het voor commune delicten in het algemeen geen probleem is om een advocaat te vinden en de doorlooptijden in commune strafzaken redelijk tot goed zijn. Ook staat vast dat er inmiddels veel nieuwe rechters zijn aangesteld, ter vervanging van de ontslagenen. Indien eiser tijdens zijn strafproces in Turkije niettemin geconfronteerd mocht worden met een (dreigende) flagrante schending van zijn door artikel 6 EVRM beschermde rechten, mag er bovendien op worden vertrouwd dat hem alsdan conform de daartoe door de Turkse autoriteiten gedane toezegging een voldoende effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste zal staan.

bijzondere hardheid

4.11.

Op grond van vaste rechtspraak is van bijzondere hardheid geen sprake als de hardheid is gelegen in een gevolg dat inherent is aan de uitlevering zelf of aan de detentie die de uitlevering meebrengt. De voldoening aan een uitleveringsverplichting vormt in beginsel een toegelaten inbreuk op het gezinsleven van eiser. Vaststaat dat de kinderen van eiser bij hun moeder wonen, zodat niet kan worden aangenomen dat zij van (enkel) eiser afhankelijk zijn. Eiser heeft voorts betoogd dat hij in Nederland voor zijn zieke moeder zorgt, maar ook die omstandigheid levert geen bijzondere hardheid op. Eiser heeft immers een omvangrijke familie en veel familieleden – onder wie acht broers en zussen – wonen in Nederland. Niet valt in te zien dat geen van hen in staat zal zijn de zorg voor hun moeder zo nodig op zich te nemen, nog daargelaten dat zij aanspraak kan maken op hulp van derden, bijvoorbeeld via de WMO.

4.12.

Uit al het voorgaande volgt dat de vorderingen van eiser dienen te worden afgewezen. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.619,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 639,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2019.

hvd