Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:11866

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-10-2019
Datum publicatie
15-11-2019
Zaaknummer
19_2688
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft niet geheel aan een informatieverzoek van verweerder voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan de opgevraagde informatie van belang zijn voor belastingheffing bij eiseres zodat terecht een informatiebeschikking is gegeven. Dat voorafgaande aan de informatiebeschikking reeds aanslagen vennootschapsbelasting waren opgelegd doet niet af aan de bevoegdheid om een informatiebeschikking te geven. Of sprake is van kwader trouw of een nieuw feit is voor het geven van een informatiebeschikking niet van belang. De rechtbank stelt eiseres een termijn om alsnog de verzochte informatie te verstrekken. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 18-11-2019
V-N Vandaag 2019/2591
FutD 2019-3056
V-N 2020/8.26.10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 19/2688

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigden: mr. D.G. Barmentlo en [A] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres met betrekking tot de heffing van vennootschapsbelasting (Vpb) en dividendbelasting over de jaren 2013 en 2014 een informatiebeschikking gegeven.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 december 2017 de informatiebeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij rechtbank Noord-Nederland beroep ingesteld. Rechtbank

Noord-Nederland heeft het beroep ter behandeling doorgezonden naar rechtbank

Zeeland-West-Brabant. Bij beslissing van 11 april 2019 heeft rechtbank Zeeland-West-Brabant de zaak, met instemming van partijen, voor verdere behandeling en beslissing verwezen naar rechtbank Den Haag.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2019.

Namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigden, bijgestaan door mr. drs. A.G. Haasnoot, mr. S. Ben Taleb en mr. C.M. Veldkamp. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] en [C] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is op 23 maart 2005 naar Nederlands recht opgericht.

2. Over het jaar 2013 heeft eiseres aangifte Vpb gedaan naar een belastbaar bedrag van € 90.935. Verweerder heeft voor het jaar 2013 een aanslag Vpb opgelegd conform de ingediende aangifte.

3. Met dagtekening 4 maart 2015 heeft eiseres een adreswijziging aan verweerder doorgegeven. Volgens dit bericht is eiseres per 30 december 2013 geëmigreerd naar Malta.

4. Op 24 maart 2016 heeft verweerder een informatieverzoek aan eiseres gedaan. Gevraagd is om de volgende documenten en gegevens:

“1) de (uitgebreide) jaarrekeningen van [eiseres] over de jaren 2012 t/m 2014;

2) betreffende de Maltese (corporation) income tax: de ingediende aangiften en de door de Maltese belastingdienst opgelegde aanslagen over de jaren 2012 t/m 2014;

3) een gespecificeerd overzicht van de dividenduitkeringen over de jaren 2011 t/m 2015;

4) de naam en adresgegevens van de aandeelhouders van [eiseres] gedurende de jaren 2011 t/m 2015.”

5. Eiseres heeft op 23 juni 2016 voor het jaar 2014 een aangifte Vpb ingediend naar een belastbaar bedrag van nihil. Daarbij heeft eiseres de volgende toelichting opgenomen:

“Mind and Management of [eiseres] has been moved to Malta per 30 december 2013. As of 30 December 2013 [eiseres] is not a Dutch resident tax payer, consequently nil returns will be filed for [eiseres] if no Dutch source income is received.”

6. Met dagtekening 30 juli 2016 is een aanslag Vpb voor het jaar 2014 aan eiseres opgelegd conform de ingediende aangifte.

7. Op 14 oktober 2016 is deels aan het informatieverzoek van 24 maart 2016 voldaan. Eiseres laat weten dat in 2015 geen dividenduitkeringen zijn gedaan en dat [D] in dat jaar enig aandeelhouder van eiseres was. Voor het overige heeft eiseres de door verweerder gestelde vragen niet beantwoord.

8. Op 20 oktober 2016 heeft verweerder de informatiebeschikking gegeven. Hierin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“U heeft op mijn verzoeken tot het verschaffen van inlichtingen gereageerd door aan te geven dat u deze niet wenst en behoeft te verschaffen. U heeft slechts informatie verstrekt over de persoon van de aandeelhouder en de (afwezigheid van) dividenduitkeringen in 2015.

Aangezien de zetel van de vennootschap medio 2013 is verplaatst naar Malta, kan de beantwoording worden beperkt tot de gevraagde informatie over de jaren vanaf 2013.

5. Conclusie

Ik stel vast dat ik de gevraagde inlichtingen niet (volledig) heb ontvangen. Gelet hierop heeft u niet voldaan aan uw wettelijke inlichtingenverplichting zoals vervat in artikel 47 en 49 AWR. Daarom ontvangt u hierbij een informatiebeschikking met betrekking tot de heffing van vennootschapsbelasting over 2013 en 2014 en de heffing van dividendbelasting over dividenden in 2013 en 2014.”

9. Op 23 mei 2017 heeft verweerder bij de Maltese autoriteiten verzocht om uitwisseling van inlichtingen ter zake van eiseres. Daarop is door de Maltese autoriteiten op 14 februari 2018 en 17 mei 2018 gereageerd.

Geschil

10. In geschil is of de informatiebeschikking terecht is gegeven.

11. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de informatiebeschikking ten onrechte is gegeven. Daartoe voert eiseres aan dat de gevraagde informatie niet van belang kan zijn voor de belastingheffing in Nederland. Voorts stelt eiseres dat sprake is van een ‘fishing expedition’ en dat verweerder door de informatiebeschikking te geven in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

12. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de informatiebeschikking terecht is gegeven.

Beoordeling van het geschil

13. Artikel 47, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) geeft verweerder een ruime bevoegdheid tot inwinning van informatie bij een belastingplichtige. Voor een belastingplichtige bestaat op grond van die bepaling de verplichting om aan verweerder desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en/of boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, indien verweerder zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing ten aanzien van die belastingplichtige (vgl. HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498). Indien niet volledig wordt voldaan aan deze verplichting, kan de inspecteur op grond van artikel 52a, eerste lid, van de Awr een informatiebeschikking geven.

14. De rechtbank stelt voorop dat eiseres, een naar Nederlands recht opgericht lichaam, op grond van artikel 2, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en artikel 1, derde lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 (de vestigingsplaatsfictie), geacht wordt in Nederland te zijn gevestigd en daarmee belasting- dan wel inhoudingsplichtig is in Nederland. De rechtbank stelt vast dat eiseres bovendien tot eind 2013 ook feitelijk gevestigd was in Nederland en dat eiseres voor het jaar 2014 een nihilaangifte heeft ingediend waarbij als toelichting is opgenomen dat haar feitelijke leiding per 30 december 2013 naar Malta is verplaatst. Gelet op deze omstandigheden heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de gevraagde gegevens voor de belastingheffing van eiseres van belang kunnen zijn. Van een ‘fishing expedition’ is geen sprake.

15. Eiseres heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat artikel 47 van de Awr verweerder niet de mogelijkheid biedt om een belastingplichtige te verplichten tot het verstrekken van informatie over een belastingjaar waarvoor reeds een definitieve aanslag is vastgesteld. In artikel 52a van de Awr is echter de mogelijkheid om een informatiebeschikking te geven met betrekking tot een op te leggen navorderingsaanslag expliciet verwoord. Het feit dat voor 2013 en 2014 reeds definitieve aanslagen Vpb waren opgelegd en het feit dat voor 2014 vóór de definitieve aanslag vragen waren gesteld, staat aan de bevoegdheid van verweerder om een informatiebeschikking te geven dan ook niet in de weg (vgl. HR 10 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2895).

16. Het bestaan van een nieuw feit of kwade trouw is voor het geven van een informatiebeschikking niet als vereiste opgenomen. Bij de vraag of sprake is van een nieuw feit of kwade trouw kunnen allerlei feiten en omstandigheden een rol spelen die in het stadium van de informatiebeschikking nog niet gewogen kunnen worden. Die (af)weging kan pas later in een eventuele procedure over navorderingsaanslagen plaatsvinden (zie Hof Den Bosch 26 september 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3533).

17. Dat bij het geven van de informatiebeschikking enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur zou zijn geschonden is de rechtbank niet gebleken. Voorts kan de verkrijging van wilsonafhankelijk materiaal op grond van een wettelijke informatieverplichting en het vaststellen van een informatiebeschikking ter zake daarvan geen schending van artikel 6 EVRM opleveren, ook niet indien het onherroepelijk worden van die beschikking gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast (vgl. HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144).

18. Eiseres heeft ten slotte verzocht de van de Maltese autoriteiten ontvangen gegevens en documenten buiten beschouwing te laten. In dat verband overweegt de rechtbank dat het informatieverzoek aan de Maltese autoriteiten pas is gedaan nadat de informatiebeschikking is gegeven. Aldus kunnen de vanuit Malta verstrekte gegevens niet aan de informatiebeschikking ten grondslag hebben gelegen. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen heeft ook de rechtbank de informatie van de Maltese autoriteiten niet in haar beoordeling betrokken.

19. Gelet op het vorenstaande heeft eiseres niet voldaan aan haar informatieverplichting. Naar het oordeel van de rechtbank is de informatiebeschikking terecht gegeven en zal het niet voldoen aan de informatieverplichting in het onderhavige geval kunnen leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast (vgl. HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:130). Het beroep dient ongegrond te worden verklaard. De rechtbank zal eiseres op grond van artikel 27e, tweede lid, van de Awr een nieuwe termijn stellen om te voldoen aan de in de informatiebeschikking over de jaren 2013 en 2014 gevraagde informatie (jaarrekeningen, (Maltese) aangiften, (Maltese) aanslagen en informatie over dividenduitkeringen en aandeelhouders). De rechtbank acht een termijn van zes weken vanaf de dag na die van verzending van deze uitspraak passend.

Proceskosten

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- stelt eiseres een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag waarop deze uitspraak is verzonden, om alsnog aan verweerder de in de informatiebeschikking gevraagde informatie te verstrekken.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E. Schotte, voorzitter en mr. T.A. de Hek en
mr. S.E. Postema, leden, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.