Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:11807

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
11-11-2019
Zaaknummer
C/09/569525
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De vader stelt in een al langer lopende procedure inzake een machtiging tot uithuisplaatsing dat de rechtbank niet bevoegd is, aangezien de vader vanwege zijn functie een status heeft die hem en zijn gezinsleden een volledige persoonlijke immuniteit geeft. De rechtbank is van oordeel dat de vader geen beroep op immuniteit toekomt. Daarnaast benoemt de rechtbank een tweede bijzondere curator

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd & Bopz

Zaaksgegevens: C/09/569525 / JE RK 19-556

Datum uitspraak: 4 september 2019

Beschikking van de kinderrechter

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak naar aanleiding van het op 28 februari 2019 ingekomen verzoekschrift van:

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden (verder: de gecertificeerde instelling),

betreffende:

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2006 te [geboorteplaats] hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de man] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats 1]

advocaat: mr. F.C. de Wit-Facchetti te Rotterdam,

[de vrouw]

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat:: mr. P.J. Montanus,

[curator 1]

kantoorhoudende te [vestigingsplaats 1] ,

in haar hoedanigheid van bijzondere curator,

hierna te noemen: de bijzondere curator.

Het procesverloop

Bij beschikking van 20 augustus 2019 van de kinderrechter in deze rechtbank is de aan de gecertificeerde instelling verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] gedurende dag en nacht in een voorziening voor pleegzorg verlengd van 30 augustus tot 6 september 2019. De behandeling van het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing is voor het overige aangehouden, evenals de zelfstandige verzoeken van de vader.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:

- voornoemde beschikking van 20 augustus 2019;

- het op 21 augustus 2019 ingekomen faxbericht van de zijde van de vader;

- het op 27 augustus 2019 ingekomen aanvullend verslag van de bijzondere curator;

- het op 2 september 2019 ingekomen faxbericht van de gecertificeerde instelling;

- het op 3 september 2019 ingekomen faxbericht van de zijde van de moeder;

- de op 3 september 2019 ingekomen e-mailberichten van de zijde van de vader;

- het op 3 september 2019 ingekomen e-mailbericht van de bijzondere curator;

- het op 4 september 2019 ingekomen e-mailbericht van de zijde van de vader, met bijlage;

- het op 4 september 2019 ingekomen gewijzigde verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige van 6 september 2019 tot het einde van de ondertoezichtstelling.

Op 4 september 2019 heeft de meervoudige kamer de behandeling van de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij zijn verschenen:

- [vertegenwoordigers van de GI] namens de gecertificeerde instelling;

- de vader met zijn advocaat;

- de moeder met haar advocaat;

- de bijzondere curator.

Van de zijde van de vader, de moeder en de gecertificeerde instelling zijn pleitnotities overgelegd.

Op 5 september 2019 heeft de rechtbank een faxbericht van de gecertificeerde instelling ontvangen. Eén van de bijlagen bij dit faxbericht is een e-mailbericht van 4 september 2019 (13:33:21 uur), afkomstig van een ambtenaar van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Ter zitting is dit e-mailbericht door [vertegenwoordiger van de GI] integraal voorgelezen en is afgesproken dat het bericht zou worden nagezonden.

Op 4 september 2019 is uitspraak gedaan. Op 10 september is een zogenaamde kop-staart beschikking aan alle belanghebbenden verzonden. Het onderstaande vormt de nadere schriftelijke uitwerking van de uitspraak, opgemaakt op 17 september 2019.

Feiten

Voor de vaststaande feiten verwijst de rechtbank naar haar beschikking van 29 maart 2019. In aanvulling daarop is relevant dat het hoofd van de “Cancelleria Consolare” in Den Haag in haar hoedanigheid van voogdijrechter bij voorziening van 2 september 2019 op verzoek van de vader een voogd en twee assistenten over de minderjarige heeft benoemd.

Beoordeling

Rechtsmacht, relatieve bevoegdheid en toepasselijk recht

De vader heeft de rechtbank bij faxbericht van 20 augustus 2019 verzocht zich onbevoegd te verklaren. Hij stelt daartoe het volgende. De vader is werkzaam bij het Europees Octrooi Bureau (hierna: EOB). Vanwege zijn functie heeft hij de zogenaamde AO-status. Deze status geeft hem en zijn gezinsleden een volledige persoonlijke immuniteit, hetgeen er toe leidt dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om kennis te nemen van zaken die [minderjarige] betreffen. Dit volgt uit artikel 37, tweede lid, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer (hierna: het Verdrag van Wenen), te lezen in samenhang met artikel 25 van het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Octrooiorganisatie van 7 oktober 1977 (hierna: het Protocol) behorende bij het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien van 5 oktober 1973 (hierna: het Europees Octrooiverdrag), te lezen in samenhang met artikel 10 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Octrooiorganisatie betreffende het onderdeel van het Europees Octrooibureau in ’s-Gravenhage, inclusief afzonderlijke overeenkomst van 27 juni 2006 (hierna: het Zetelverdrag).

De moeder voert verweer. Zij voert – kort weergegeven – primair aan dat de vader zijn beroep op immuniteit ten overstaan van een nationale rechter bij eerste gelegenheid had moeten doen. Nu hij dit niet heeft gedaan, maar pas later in de procedure, is hij te laat, aldus de moeder. Subsidiair voert de moeder aan dat de vader geen absolute immuniteit heeft, maar slechts functionele immuniteit. Deze functionele immuniteit strekt zich slechts uit tot de officiële werkzaamheden verricht in functie en niet daarbuiten. De afgeleide persoonlijke immuniteit van [minderjarige] waar de vader mede een beroep op doet, kan zich dus niet uitstrekken tot de kinderbeschermingsmaatregelen ten aanzien van [minderjarige] die als zodanig los staan van de officiële werkzaamheden van de vader voor het EOB. De moeder verwijst in dit kader naar artikel 10 van het Zetelverdrag, de artikelen 12 tot en met 14 van het Protocol en artikel 8 van het Europees Octrooiverdrag.

De gecertificeerde instelling voert verweer. Zij voert – kort weergegeven – primair aan dat er geen sprake is van toepasselijkheid van de functioneel bedoelde diplomatieke immuniteit. Subsidiair voert de gecertificeerde instelling aan dat, als er wel sprake zou zijn van diplomatieke immuniteit, deze slechts ingeroepen kan worden door het EOB, hetgeen niet is gebeurd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Teneinde te kunnen bepalen of de rechtbank rechtsmacht toekomt in de onderhavige zaak dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de vader een beroep toekomt op immuniteit en zo ja, of dat betekent dat aan de rechtbank geen rechtsmacht toekomt in deze zaak.

In artikel 8 van het Europees Octrooiverdrag wordt verwezen naar het Protocol waarin de voorwaarden omschreven staan waaronder de Organisatie, de leden van de Raad van Bestuur, het personeel van het Europees Octrooibureau en alle andere in dat Protocol genoemde personen, die deelnemen aan de werkzaamheden van de Organisatie, in elke Verdragsluitende Staat de voorrechten en immuniteiten genieten, die noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun taken. Op grond van artikel 14 sub a van het Protocol genieten de personeelsleden van de Organisatie vrijstelling van rechtsvervolging met betrekking tot handelingen, waaronder begrepen gesproken en geschreven woorden, door hen in de uitoefening van hun werkzaamheden verricht.

De vader stelt echter dat hij op grond van artikel 10 van het Zetelverdrag dat in 2006 is gesloten tussen Nederland en EOB dezelfde voorrechten en immuniteiten geniet als die welke door Nederland worden verleend aan diplomatieke ambtenaren of administratief en technisch personeel van de diplomatieke vertegenwoordigingen die in Nederland zijn gevestigd overeenkomstig het Verdrag van Wenen en dat deze regeling eveneens geldt voor [minderjarige] , aangezien hij een inwonend gezinslid is.

De rechtbank stelt vast dat in artikel 10 lid 5 van het Zetelverdrag is bepaald dat dit artikel geen afbreuk doet aan regelingen in het Zetelverdrag of het Protocol en dat in artikel 25 van het Protocol is bepaald dat aanvullende overeenkomsten – waarvan het Zetelverdrag een voorbeeld is – kunnen worden aangegaan ten einde uitvoering te geven aan de bepalingen van het Protocol alsmede om andere regelingen te treffen ter waarborging van een goede functionering van het EOB en ter beveiliging van haar belangen. Gelet hierop, alsmede gelet op de bewoordingen van artikel 8 van het Europees Octrooiverdrag en artikel 14 van het Protocol is de rechtbank van oordeel dat de vader een functionele immuniteit geniet. Dit betekent dat de immuniteit (slechts) betrekking heeft op de uitvoering van zijn taken voor het EOB en niet op familierechtelijke zaken als de onderhavige. Dit laatste is bevestigd in het e-mailbericht van 4 september 2019 van het ministerie van Buitenlandse Zaken aan de gecertificeerde instelling. Uit dit e-mailbericht volgt immers dat – uit contact tussen het ministerie en het EOB is gebleken dat – de immuniteiten verleend aan medewerkers van het EOB alleen functioneel van aard zijn, dat wil zeggen dat deze alleen betrekking kunnen hebben op handelingen verricht in de uitoefening van de functie en niet op privé-aangelegenheden.

De vader komt daarom geen beroep op immuniteit toe.

Gelet op het voorgaande dient de rechtsmacht van de rechtbank te worden bepaald aan de hand van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (hierna: de Verordening). Volgens artikel 8 van de Verordening zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de vader, de moeder en [minderjarige] in het arrondissement van de rechtbank Den Haag wonen, is deze rechtbank bevoegd van het verzoek kennis te nemen.

Uit het voorgaande volgt dat de stelling van de moeder dat de vader zijn bevoegdheidsverweer niet tijdig heeft gevoerd, geen bespreking meer behoeft.

Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is op grond van artikel 15 van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (’s-Gravenhage, 19 oktober 1996, Trb. 1997, 299, HKBV), Nederlands recht van toepassing.

Verlenging machtiging uithuisplaatsing

Het verzoek van de gecertificeerde instelling strekt thans tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor verblijf gedurende dag en nacht in een voorziening voor pleegzorg tot 6 april 2020, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling, een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vader heeft ten aanzien van de duur van de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

De moeder heeft geen verweer gevoerd.

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing nog aanwezig zijn. Beide ouders stemmen hiermee in. Bij het pleeggezin ervaart [minderjarige] rust, duidelijkheid en continuïteit, waardoor hij zich verder kan ontwikkelen. Dat blijkt ook uit het advies van de bijzondere curator, die heeft aangegeven dat [minderjarige] rust nodig heeft en dat hij – zolang hij niet terug kan naar zijn moeder – bij het pleeggezin wil blijven wonen. Op dit moment is terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder niet mogelijk, nu zij niet in staat is om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het voor korte termijn verlengen van de machtiging uithuisplaatsing zoals de vader verzoekt, niet in het belang van [minderjarige] is. Er dient dan immers op korte termijn ook weer een zitting plaatsing te vinden, hetgeen opnieuw onrust geeft voor alle betrokkenen. De rechtbank volgt de gecertificeerde instelling in haar standpunt dat de komende periode gekeken dient te worden wat het perspectief van [minderjarige] is en alle partijen dienen in het belang van [minderjarige] daaraan mee te werken. Bovendien kunnen de ouders deze periode benutten om, met behulp van hulpverleners, aan zichzelf te werken en daarnaast de webinars te volgen van mevrouw [coach 1] . Zij hebben ter zitting beiden verklaard dit te zullen gaan doen.

De rechtbank dringt erop aan dat beide partijen hun uiterste best zullen doen om de belangen van [minderjarige] in het oog te houden en geen onrust te veroorzaken door contact te zoeken met de pleegmoeder, die hierdoor overvraagd dreigt te worden. De rechtbank acht het evenmin in het belang van [minderjarige] dat de vader de Cancelleria Consolare heeft verzocht om een voogd te benoemen, zeker niet omdat reeds een ondertoezichtstelling was uitgesproken en de daaraan ten grondslag liggende beslissing kracht van gewijsde had. Het zou bij [minderjarige] grote onrust veroorzaken als hij met deze voogd geconfronteerd zou worden en op deze wijze opnieuw in de strijd tussen ouders betrokken zou worden.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing toewijzen zoals hierna vermeld.

Benoeming bijzondere curatoren

Ingevolge artikel 1:250 BW kan de rechtbank een bijzondere curator benoemen om een minderjarige, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. De rechtbank kan dit doen als – in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding of het vermogen van een minderjarige – de belangen van (één van) de met het gezag belaste ouders of voogd(en) in strijd zijn met die van de minderjarige. De rechtbank moet beoordelen of zij die benoeming noodzakelijk acht en daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking nemen. Benoeming van een bijzondere curator kan plaatsvinden op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve.

Bij beschikking van 13 mei 2019 heeft de kinderrechter [curator 1] benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat [minderjarige] een band met de bijzondere curator heeft opgebouwd. Zij hebben samen goede gesprekken en [minderjarige] vertrouwt de bijzondere curator. Daarnaast is er nog steeds sprake van een belangenstrijd in die zin dat [minderjarige] aangeeft geen enkel contact met de vader te willen, terwijl de vader graag zeer spoedig contactherstel wil en daarvoor onder andere systeemtherapie wil, waaraan [minderjarige] ook zou moeten meedoen. Gelet op deze tegengestelde belangen is de rechtbank van oordeel dat, hoewel de werkzaamheden waartoe de rechtbank in de vorige beschikking opdracht had gegeven, zijn beëindigd, het in het belang van [minderjarige] is dat de benoeming van de bijzondere curator wordt voortgezet.

Daarnaast acht de rechtbank het, onder andere gelet op de door de vader geïnitieerde procedure bij de “Cancelleria Consolare”, van belang dat ook de juridische belangen van [minderjarige] door een bijzondere curator worden behartigd. De rechtbank zal hiertoe

[curator 2] , kantoorhoudende te [vestigingsplaats 2] , benoemen. [curator 1] zal, teneinde zo weinig mogelijk onrust voor [minderjarige] te veroorzaken, met [curator 2] overleggen en hem bij [minderjarige] introduceren.

Zelfstandige verzoeken van de vader

De rechtbank wijst de zelfstandige verzoeken van de vader af en overweegt daartoe het volgende.

Het verzoek van de vader tot vervanging van de gecertificeerde instelling is onlangs, in februari van dit jaar, ook gedaan en afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen, althans onvoldoende, nieuwe relevante feiten en omstandigheden gesteld die een nieuwe beoordeling rechtvaardigen.

Op een eerder moment in de onderhavige procedure – te weten bij beschikking van 13 mei 2019 – is het verzoek van de vader voor recht te verklaren dat de gecertificeerde instelling toestemming van de ouders nodig heeft om [minderjarige] naar het buitenland te laten gaan, al afgewezen. Over dit onderwerp is in deze procedure dus al een eindbeslissing genomen.

Het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te stellen voor de tijd dat [minderjarige] uit huis is geplaatst, zal worden afgewezen, nu het, gelet op het advies van de bijzondere curator en hetgeen uit de overige stukken en ter zitting naar voren is gekomen, niet in het belang van [minderjarige] wordt geacht om op dit moment tegen zijn wil contact te hebben met de vader. De bijzondere curator heeft in haar verslag meegedeeld dat [minderjarige] momenteel in zijn hoofd simpelweg geen ruimte heeft voor contact met de vader of voor het nadenken over het contactherstel. Vanuit een gezonde relatie met de moeder zal [minderjarige] hopelijk in staat zijn om ruimte te maken voor de vader, aldus de bijzondere curator. Ter zitting is eens te meer gebleken dat de moeder en de gecertificeerde instelling geen bezwaren hebben tegen contact tussen de vader en [minderjarige] op termijn, wanneer de rust in de situatie is weergekeerd. In dit kader doet de rechtbank een herhaald verzoek aan de ouders en aan de vader in het bijzonder om [minderjarige] tot rust te laten komen hoe lastig dit soms ook zal zijn, gelet op de begrijpelijke wens van vader om contact te hebben met [minderjarige] .

Ten slotte overweegt de rechtbank dat het benoemen van mevrouw [coach 1] als coach met ondersteuning van drs. [coach 2] met als doel het herstel van contact, gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, op dit moment geen toegevoegde waarde heeft. Daarnaast is het van belang dat zowel de moeder als de vader gaan samenwerken met de gecertificeerde instelling om op die manier vooruitgang te boeken. De rechtbank is het met de bijzondere curator eens dat het niet verstandig is om op dit moment een nieuw traject te starten. De rechtbank zal daarom ook dit deel van het zelfstandig verzoek van de vader afwijzen.

Beslissing

De kinderrechter:

verlengt de aan Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden verleende machtiging [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van

6 september 2019 tot 6 april 2020, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;

bepaalt dat de benoeming als bijzondere curator over de minderjarige van

[curator 1] kantoorhoudende te [vestigingsplaats 1] ,

wordt voortgezet;

benoemt tevens tot bijzondere curator over de minderjarige:

[curator 2] , kantoorhoudende te [vestigingsplaats 2] ;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2019 door mr. H.J.M. Smid-Verhage, voorzitter, mr. M.F. Baaij en mr. J.T.W. van Ravenstein, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. T.M.M.P. Westbroek als griffier, en op 17 september 2019 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.