Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:11805

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2019
Datum publicatie
15-11-2019
Zaaknummer
C-09-557586-HA ZA 18-859
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdelingszaak tussen gewezen echtelieden. Man werkt bij het EOB. Geen verplichting voor man tot afleggen rekening en verantwoording. Pensioenverevening; man niet gehouden mee te werken aan cessie, lastgeving of volmacht om vrouw rechtstreekse aanspraak op het EOB te geven. Geen verdeling AOW-aanspraak van de vrouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2020/11
PR-Updates.nl PR-2019-0168
FJR 2020/32.75
JPF 2020/145
JERF Actueel 2019/376
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/557586 / HA ZA 18-859

Vonnis van 13 november 2019

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. H. Dreesmann-Bruijntjes te 's-Gravenhage,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. N.P.J.M. Kreté-Marres te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van de vrouw van 24 juli 2018;

- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie van de man van 12 september 2018;

- het vonnis van 17 oktober 2018 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- de akte wijziging van eis c.q. vermeerdering van eis van de vrouw van 13 februari 2019;

- het B16-formulier met een productieoverzicht en productie 34 van de zijde van de vrouw van 21 februari 2019;

- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens aanvulling van gronden en wijziging/vermeerdering eis, tevens houdende nadere stukken ter comparitie van partijen van 5 maart 2019;

- de akte houdende bezwaar van de man tegen de akte aanvulling van gronden en wijziging/vermeerdering eis van de vrouw van 5 maart 2019;

- de akte overlegging producties van de man van 5 maart 2019;

- het proces-verbaal van comparitie van 5 maart 2019;

- de brief van de man van 7 maart 2019;

- de brief van de vrouw van 28 maart 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 30 december 1999 met elkaar in [plaats] gehuwd. De vrouw heeft de Spaanse nationaliteit, de man is burger van Duitsland. Zij hebben geen huwelijkse voorwaarden gemaakt. Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.

2.2.

Uit dit huwelijk zijn geboren een inmiddels meerderjarige zoon, [de zoon] , en een nog minderjarige dochter, [de dochter] , op [geboortedatum] .

2.3.

De man is werkzaam bij het Europees Octrooibureau.

2.4.

In maart 2014 heeft de man besloten om te scheiden.

2.5.

De man heeft op 6 juni 2014 een verzoek tot echtscheiding bij deze rechtbank ingediend. Op 12 juni 2014 is zijn verzoek tot echtscheiding ingeschreven in het huwelijksgoederenregister.

2.6.

Deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 mei 2015 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de man heeft toegezegd mee te werken aan pensioenverevening. Zij heeft voor recht verklaard dat de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is op het pensioen dat staande huwelijk is opgebouwd. De beschikking bevat geen beslissingen over de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen.

2.7.

De echtscheidingsbeschikking is op 25 augustus 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Hierdoor is het huwelijk tussen partijen ontbonden.

2.8.

Partijen hebben op 15 maart 2016 ter zitting van de voorzieningenrechter in deze rechtbank afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn in het proces-verbaal vastgelegd. De afspraken houden voor zover van belang in:

“(…) Binnen drie maanden nadat de man de saldi van zijn bankrekeningen zowel in Nederland als in het buitenland op de peildatum 12 juni 2014 en de informatie over de pensioenaanspraken van de vrouw bij het Europese Octrooibureau, alsmede de verklaring dat de man tot uitbetaling van deze aanspraken zal overgaan op het moment dat hij met pensioen gaat, aan de vrouw heeft doen toekomen dient de vrouw de woning op haar naam te hebben gezet. Aan de tenaamstelling zal de man alle medewerking verlenen.

De vrouw zal eveneens de saldi van haar bankrekeningen van zowel in Nederland als in het buitenland op de peildatum 12 juni 2014 aan de man doen toekomen op zo’n kort mogelijke termijn.

Voor de garage bij de woning in [plaats] geldt dat die zal worden verkocht. De vraagprijs zal zijn het gemiddelde van de door de twee hiervoor genoemde NVM-makelaars bepaalde waarden. Eén van de twee makelaars, door partijen in onderling overleg te bepalen, zal de verkoop van de garage verzorgen.

Ten aanzien van het appartement incl. garage in Spanje geeft de vrouw binnen twee weken na heden de namen van drie erkende makelaars in Spanje, in de regio van het appartement, aan de man. (…) Het gemiddelde van de twee aldus vastgestelde taxatiewaarden zal de waarde zijn waartegen de man het appartement incl. garage kan overnemen. Ten behoeve van de taxatie zal de man ervoor zorgen dat deze twee makelaars toegang tot de woning zullen krijgen. (…)

Partijen verzoeken doorhaling van deze zaak voor zover het de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap betreft per heden. (…)”

2.9.

De voorzieningenrechter heeft in haar vonnis van 23 maart 2016 overwogen:

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit (…) en het proces-verbaal van 15 maart 2016 waarin is vastgelegd wat partijen met het oog op de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap zijn overeengekomen ten aanzien van de (verkoop van de) voorheen echtelijke woning (en de daarin verdisconteerde aanspraak op een gebruiksvergoeding) alsmede de garage in [plaats] , de saldi van hun respectievelijke bankrekeningen, de aanspraak van de vrouw op het pensioen van de man en (de verkoop van) het appartement incl. garage in Spanje. Voor zover het betreft de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en de verevening van pensioenaanspraken (…) hebben partijen daarbij verzocht om doorhaling van de zaak. De beoordeling van de onderhavige zaak betreft derhalve alleen nog de resterende vorderingen van de man. (…)

Vervolgens heeft de kortgeding rechter nog geoordeeld over vorderingen van de man betreffende de verdeling van de inboedelzaken, een zorgregeling tussen hem en de kinderen en het terugstorten van bedragen op spaarrekeningen van de kinderen.

2.10.

Op 30 juni 2016 zijn de man en zijn nieuwe partner samen eigenaar geworden van een woning aan de [adres 1] . De koopsom van die woning bedroeg

€ 880.000 en daarop is, in verband met een aan de man en zijn partner verstrekte hypothecaire geldlening ter hoogte van € 350.000, tot zekerheid van de bank een recht van hypotheek gevestigd.

2.11.

De vrouw heeft op 6 juli 2016 bij een notaris stukken gedeponeerd betreffende de saldi van haar bankrekeningen, een opgave van haar pensioen en een taxatie van haar auto, een Audi A3. De notaris heeft daarvan een akte van depot opgemaakt. Deze akte houdt onder meer in:

“(…) Heden (…) verscheen voor mij (…) mevrouw [A] (…). Zij verklaarde te hebben ontvangen van:

mevrouw [de vrouw] (…)

kopieën van de hierna vermelde stukken, waarvan mevrouw [de vrouw] heeft verklaard ze in depot te willen geven.

De verschenen persoon verklaarde bij deze aan mij, notaris, in depot te geven de door mevrouw [de vrouw] afgegeven stukken, zijnde:

- een brief de dato twaalf mei tweeduizend zestien;

- een opgave saldo van de rekeningen bij de ABN Amro de dato tien maart tweeduizendzestien;

- een opgave saldo van de rekeningen bij BBVA de dato acht april tweeduizend zestien;

- een document van BBVA de dato achttien april tweeduizend zestien;

- een document van BBVA met financiële gegevens de dato negentien april tweeduizendzestien;

- een document van Sabadell de dato tweeëntwintig april tweeduizend zestien;

- een opgave pensioen van ABP de dato zesentwintig september tweeduizend vijftien;

- een taxatie van Wittebrug ten aanzien van de Audi A3 de dato tweeëntwintig april

tweeduizendzestien.

Deze stukken worden In kopie aan deze akte gehecht (bijlagen). (…)”

2.12.

Op 5 september 2016 is een notariële akte van partiële verdeling opgemaakt. Deze akte houdt in:

“(…) Overeenkomst

Van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap maakt ondermeer deel uit:

- het woonhuis met tuin en verder toebehoren gelegen te [postcode] [plaats] ( [Provincie] ) aan de [adres 2] , hierna te noemen : het registergoed;

- een appartement in Spanje, gelegen aan de [adres 3] , hierna te noemen: appartementin Spanje;

- een garage behorende bij het appartement in Spanje met plaats nummer [nummer 1] met de ingang op de [adres 4] , hierna te nomen: garage in Spanje;

- inboedelgoederen die zich bevinden in het woonhuis in [plaats] ;

- inboedelgoederen die zich bevinden in het appartement en de garage in Spanje.

Partijen hebben middels hun advocaten op vierentwintig augustus tweeduizend zestien overeenstemming bereikt over de verdeling van deze onroerende zaken alsmede de verdeling van deze inboedelgoederen.

Partijen achten het van belang om de gemaakte afspraken vast te leggen in deze akte.

In deze is overeengekomen dat aan de vrouw wordt toebedeeld de woning in [plaats] aan de [adres 2] inclusief de inboedel, echter met uitzondering van de aan deze te hechten inboedellijst, voor vijfhonderdtienduizend euro (€ 520.000,00).

Aan de man wordt toebedeeld het appartement en de garage in Spanje en de in het appartement en de garage bevindende inboedelgoederen voor éénhonderddrieënvijftigduizend zevenhonderdzesenzestig euro

(€ 153.766,00).

In verband met de verdeling van deze onroerende en roerende zaken is de vrouw overbedeeld met een bedrag van (éénhonderdachtenzeventigduizend éénhonderdzeventien euro (€ 178.117,00).

Partijen zijn verplicht om ter effectuering van de gemaakte afspraken mee te werken aan de leveringen van deze onroerende zaken.

De vrouw zal heden een onherroepelijke volmacht tekenen voor de levering van het appartement en de garage in Spanje aan de man en op eerste verzoek van de notaris van de man in Spanje meewerken aan alle door de notaris in Spanje verzochte rechtshandelingen ter effectuering van deze gemaakte afspraken.

De man zal middels de ondertekening van deze akte meewerken aan de levering van het woonhuis in [plaats] aan de vrouw.

Partijen stellen vast dat nadat de man het bedrag van éénhonderdachtenzeventigduizend éénhonderdzeventien euro (€ 178.117,00) van de vrouw heeft ontvangen en de leveringen zijn geëffectueerd zij terzake de verdeling van deze drie onroerende zaken en de daarbij behorende inboedelgoederen niets meer van elkaar te vorderen hebben. (…)”

Vervolgens is bij deze akte de voormalige echtelijke woning geleverd aan de vrouw. De vrouw heeft aan de man het bedrag van € 178.117 voldaan. De vrouw heeft bij de notaris voorts een volmacht getekend ten behoeve van de levering van het appartement en de garage in Spanje aan de man.

2.13.

Op 23 augustus 2017 heeft het EOB, in reactie op een schrijven van de vrouw, aan haar bericht:

“(…) I refer to your letter of 24 July 2017 adressed to mr. Rose in which you request that due amounts of EPO old age pension accrued during you marriage with Mr [de man] , our staff member should be paid to you upon his retirement.

Please note that such subrogation of pension entitlements is not in agreement with the EPO Pension Scheme Regulations. The direct payments occurs only in the event of death of the EPO pensioner or staff member according to Art. 18 and 22 Pension Scheme regulations (survivors’ benefits).

EPO pension entitlements can only be transferred in full to a new pension scheme of the former employee in case he terminates his service to the Office prior to retirement (Art. 12 PensRegs and Impl Rule 12.2/1). Otherwise the pension entitlements are paid in full to the retired staff member upon his retirement.

Reference is made tot the EPO’s autonomy to create and amend its Pension Scheme regulations (Article 4, 5 and 33 (2) (c) European Patent Convention), as well as to the law of the international civil service, including the jurisprudence of the Administrative Tribunal of the International Labour Organisation, as the relevant legal framework.

Therefore please accept that your request cannot be granted. (…)”

2.14.

Tot de datum waarop de comparitie van partijen is gehouden waren het appartement in Spanje met de daarbij horende garage in elk geval nog niet aan de man geleverd. Ook had de man toen de door de vrouw verstrekte volmacht nog niet gebruikt.

2.15.

Partijen zijn het over de waarde van de garage in [plaats] nog niet eens geworden. Deze is ook nog niet verkocht. De man heeft de sloten van de garage in [plaats] vervangen en heeft daartoe nu nog als enige toegang.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De vrouw vordert in conventie samengevat en na vermeerdering van eis - bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,:

I. de saldi op de gemeenschappelijke rekeningen aldus te verdelen dat aan ieder van partijen wordt toebedeeld de saldi van de op zijn/haar naam staande bankrekeningen, dat uit hoofde daarvan de man is overbedeeld en de man te veroordelen binnen 14 dagen na het vonnis de vrouw € 136.810,74 te voldoen, subsidiair € 36.810,74 dan wel een bedrag dat de rechtbank redelijk acht, met wettelijke rente;

II. de verdeling van de garage in [plaats] voor twee jaar uit te sluiten en de vrouw gedurende twee jaar het exclusieve gebruik van de garage toe te kennen, dan wel te bepalen dat de vrouw van de man een gebruiksvergoeding van € 7.200 ontvangt waarna partijen wordt bevolen de garage te verkopen en de opbrengst bij helfte wordt verdeeld;

III. de verdeling van de auto’s aldus vast te stellen dat aan ieder van partijen de eigen auto wordt toebedeeld en vast te stellen dat uit hoofde van deze verdeling de man is overbedeeld en aan de vrouw binnen 14 dagen na het vonnis een bedrag van

€ 14.000 dient te voldoen, met wettelijke rente;

IV. de man te veroordelen om de Duitse spaarrekeningen ten name van de dochter van partijen op zijn naam te zetten dan wel het spaarsaldo over te maken naar de Nederlandse spaarrekening van de dochter, op straffe van een dwangsom;

V. een verklaring voor recht dat de vrouw voor de helft rechthebbende is op de door de man over het tijdvak 30 december 1999 tot aan de echtscheiding (25 augustus 2015) opgebouwde ouderdomspensioen uit hoofde van zijn dienstverband bij het Europees Octrooibureau en verder de man te veroordelen om aan de vrouw te verstrekken:

- waardeopgave van het EOB op het officiële briefpapier van het EOB en voorzien van een handtekening van de HR directeur van het EOB tezamen met de salarisspecificaties van de man over het jaar 2015 met inachtneming van de gebruikelijke indexatie;

- een opgave te doen van het tijdstip waarop deze uitkeringen een aanvang zullen nemen;

op straffe van verbeurte van een dwangsom;

en voorts de man te veroordelen om per de datum waarop hij zijn pensioengerech-

tigde leeftijd zal bereiken de helft van het door de man opgebouwde

ouderdomspensioen over het tijdvak 30 december 1999 tot en met 25 augustus

2015 met indexatie maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw zal uitkeren en

hiervoor een garantiestelling af te geven aan de vrouw;

VI. de man te veroordelen om de vrouw als eerste begunstigde aan te merken ter zake nabestaandenpensioen opgebouwd bij het EOB tussen 30 december 1999 tot en met 25 augustus 2015 op straffe van een dwangsom;

VII. de man te veroordelen in de werkelijke proceskosten met rente;

VIII. primair de man te veroordelen binnen twee weken na betekening van het vonnis zijn medewerking te verlenen aan het opmaken van een akte van cessie waardoor aan de vrouw gecedeerd wordt haar aanspraak op het door de man opgebouwde ouderdomspensioen tijdens zijn dienstverband met het EOB en staande huwelijk opgebouwd, teneinde een rechtens afdwingbare aanspraak op het aan de vrouw toekomende ouderdomspensioen te creëren op de pensioenuitvoerder respectievelijk de man, op straffe van een dwangsom; en voorts te bepalen dat, als de man hieraan niet tijdig zijn medewerking verleent, het vonnis in de plaats treedt van de voor de akte vereiste wilsverklaring, medewerking en handtekening van de man en de man evenwel de dwangsommen verbeurd blijft;

subsidiair de man te veroordelen binnen twee weken na betekening van het vonnis zijn medewerking te verlenen aan lastgeving dan wel een volmacht waardoor de vrouw een rechtstreekse aanspraak verkrijgt op het door de man tijdens zijn dienstverband bij het EOB en staande huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen op de pensioenuitvoerder respectievelijk de man, op straffe van een dwangsom; en voorts te bepalen dat, als de man hieraan niet tijdig zijn medewerking verleent, het vonnis in de plaats treedt van de voor de akte vereiste wilsverklaring, medewerking en handtekening van de man en de man evenwel de dwangsommen verbeurd blijft;

IX.1 vast te stellen c.q. te verklaren voor recht dat de nalatenschap van de vader van de vrouw, welke door de vrouw is verkregen, niet in de gemeenschap van goederen van partijen is gevallen en dat om die reden het saldo op de Sabadell rekening met nummer [rekeningnummer 1] ten name van de vrouw uitsluitend aan de vrouw ten goede komt en niet in de verrekening behoeft te worden betrokken;

IX.2 de man te veroordelen binnen een maand na betekening van het vonnis rekening en verantwoording af te leggen primair over alle op zijn naam gestelde bankrekeningen subsidiair over de Sparda bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] over het tijdvak 1999 tot en met 2014, subsidiair over het tijdvak 2008 tot en met 2014 op straffe van een dwangsom;

X. de man te veroordelen binnen een maand na betekening van het vonnis informatie te verschaffen over de stand van het vermogen van partijen dat wil zeggen over alle op naam van de man gestelde bankrekeningen primair over de periode 1999-2014 dan wel subsidiair over de periode 2008 tot 2014 op straffe van een dwangsom.

3.2.

De man voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

De man vordert in reconventie - samengevat en na vermeerdering van eis - bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

1. de vrouw te veroordelen om binnen zeven dagen na het in deze te wijzen tussenvonnis aan de man een schriftelijke kopie te verstrekken van alle bankrekeningen van de vrouw waaruit blijkt wat de saldi van de vrouw op haar bankrekeningen zijn op 12 juni 2014, op straffe van een dwangsom,

subsidiair

2. te bepalen dat alle saldi van de man op 12 juni 2014 op de bankrekeningen aan de man worden toebedeeld en alle saldi op de bankrekeningen van de vrouw aan de vrouw zonder nadere verrekening;

primair

3. de vrouw te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis dan wel een door de rechtbank te bepalen termijn, de door de man als productie 5 overgelegde volmacht tot verkoop en levering en verdeling van de verkoopopbrengst van de garage te [plaats] te ondertekenen en samen met een kopie van haar geldige identiteitsbewijs persoonlijk te overhandigen aan de advocaat van de man, op straffe van een dwangsom;

subsidiair

4. de vrouw te veroordelen om met ingang van 1 mei 2014 tot en met 4 september 2016 (datum levering voormalige echtelijke woning aan de vrouw) een gebruikersvergoeding te betalen van € 1.725 per maand dan wel € 1.250 dan wel

€ 850 per maand voor het alleen gebruik van de woning en een gebruikersvergoeding van € 7.200 voor het alleen gebruik van de garage in die periode;

5. de auto van de vrouw aan de vrouw toe te delen voor € 7.000 en de auto van de man aan de man toe te delen voor de huidige waarde en te bepalen dat de man de helft van de overbedeling aan de vrouw moet voldoen;

6. te verklaren voor recht dat de man een vorderingsrecht heeft op de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van € 35.000 wegens schenkingen met een uitsluitingsclausule;

7. de vrouw te veroordelen binnen zeven dagen na betekening van het vonnis aan de man € 2.473 te voldoen en de bepalen dat zij bij gebreke van betaling binnen deze termijn over dit bedrag wettelijke rente aan de man verschuldigd is;

8. de vrouw te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis de door de man overgelegde volmacht tot levering van het appartement en de garage in Spanje aan de man te ondertekenen en te laten legaliseren door een Nederlandse dan wel een Spaanse notaris conform Europese richtlijnen en deze samen met een kopie van een geldig legitimatiebewijs persoonlijk aan de advocaat van de man moet overhandigen op straffe van een dwangsom;

9. de vrouw te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis aan de man € 29.259,50 te voldoen in verband met verrekening van de door haar staande huwelijk opgebouwde AOW-rechten;

10. de vrouw te veroordelen in de volledige proceskosten.

3.5.

De vrouw voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

De vorderingen in conventie en reconventie hangen met elkaar samen en zullen daarom gezamenlijk worden besproken. In dit geding staat centraal de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen, voor zover die niet eerder partieel verdeeld is. Verder zijn diverse uitvoeringshandelingen inzake de eerder overeengekomen partiële verdeling aan de orde en nog overige kwesties, zoals het ouderdomspensioen, en een door de man voor de vrouw voorgeschoten bedrag.

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap

4.2.

Partijen hebben op 15 maart 2016 ter zitting van de voorzieningenrechter en op 5 september 2016 ten overstaan van de notaris afgesproken de huwelijksgoederengemeenschap partieel te verdelen. Aan de in dit verband door hen gemaakte afspraken zijn partijen gebonden, tenzij zij daarvan in onderling overleg afwijken. De voormalige echtelijke woning is inmiddels geleverd aan de vrouw en zij heeft in dat verband € 178.117 aan de man betaald.

4.3.

Partijen slagen er niet in om ook op de overige punten afspraken te maken. De rechtbank zal zich over de aan haar voorgelegde geschilpunten buigen. Tussen partijen staat daarbij vast dat als peildatum van de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap 12 juni 2014 moet worden gehanteerd. De rechtbank is hieraan gebonden.

Bankrekeningen – afgifte afschriften?

4.4.

Tussen partijen staat vast dat zij geen gemeenschappelijke bankrekening hebben gehad. Zij hebben alleen afzonderlijke rekeningen gehad. Partijen zijn het (met uitzondering van de rekening bij Sabadell, zie hierna) erover eens dat de saldi van de bankrekeningen moeten worden toegedeeld aan degene op wiens naam de rekening staat, met verrekening van het saldo bij helfte. Zij hebben in de kort gedingprocedure afgesproken dat zij elkaar daarover over en weer informatie zouden verschaffen. Vaststaat dat de vrouw zich hier voorafgaand aan de onderhavige procedure niet aan heeft gehouden. Zij heeft immers de bedoelde informatie niet aan de man verstrekt, maar bij de notaris gedeponeerd. Het door haar gestelde wantrouwen ontsloeg haar evenwel niet van de verplichting om de gemaakte afspraak na te komen. De vrouw heeft in de procedure alsnog de depotakte overgelegd en de onderliggende bankafschriften (prod. 17 bij conclusie van antwoord in reconventie). Dit betekent dat de vordering van de man in reconventie onder 1 primair zal worden afgewezen. Voor toewijzing van het in reconventie onder 2 subsidiair gevorderde (toedeling van alle saldi aan degene op wiens naam deze staan, zonder nadere verrekening) is evenmin grond.

Gelden zoek gemaakt?

4.5.

Partijen strijden wel over de saldi op de bankrekeningen. De vrouw wantrouwt de door de man opgegeven saldi. Zij heeft bij dagvaarding gesteld dat zij wetenschap heeft dat het vermogen van partijen op 12 juni 2014 circa € 200.000 tot € 250.000 groter was dan de man thans heeft onderbouwd. Bij conclusie van antwoord in reconventie heeft zij het bedrag dat zij mist op € 300.000 tot € 350.000 gesteld. Zij heeft betoogd dat de man gelden heeft weggesluisd. De man had volgens zijn stellingen op 12 juni 2014 een liquide vermogen van € 137.663,75. Twee jaar later heeft hij met zijn huidige partner een woning aan de [adres 1] gekocht voor € 880.000 kosten koper en hij en zijn partner hebben hiervoor een hypotheek afgesloten van € 350.000. Daaruit volgt dat de man en zijn nieuwe partner in de woning een bedrag hebben geïnvesteerd van € 530.000. Zelfs als de man de helft van het vermogen heeft ingebracht (en niet meer dan de helft) heeft hij € 265.000 aan vermogen ingebracht, welk bedrag nagenoeg correspondeert met het bedrag dat de vrouw mist. Als de man zijn gehele liquide vermogen van 12 juni 2014 heeft uitgegeven heeft hij daarnaast twee jaar later nog € 127.336,78 kunnen uitgeven. Wat betreft de vrouw kan er geen andere verklaring zijn dan dat de man, die zelf de peildatum ter bepaling van de omvang van het vermogen heeft kunnen kiezen, op de peildatum een bedrag van € 200.000 elders heeft geparkeerd dan wel bewust gelden heeft verzwegen, zoek gemaakt en verborgen gehouden. Aan de vrouw komt nog 50% van € 100.000 toe. Zij wenst bovendien, onder verwijzing naar Hoge Raad 15 september 2017, RFR 2018/28 dat de man rekening en verantwoording aflegt over het door hem gevoerde beheer over het gehele gemeenschappelijk vermogen (met uitzondering van de nalatenschap van de vader van de vrouw en de rekening die de vrouw had met haar moeder), alsmede wenst zij dat de man op grond van art. 843a Rv. en artikel 1:81 juncto 1:83 BW opheldering geeft over het saldoverloop van de bankrekening bij de Spardabank met nummer [rekeningnummer 2] en dat hij aantoont dat de rekening inzake James Town Shares is opgeheven.

4.6.

De man heeft betwist dat hij geld heeft weggesluisd. De man heeft gesteld al eerder bankafschriften te hebben aangeleverd en heeft ook in deze procedure nog stukken overgelegd. Hij heeft toegelicht hoe de financiering van de [adres 1] is geweest. Zijn partner en hij hebben allebei even veel eigen vermogen ingelegd. De man heeft € 145.000 van zijn privévermogen ingelegd waarover hij beschikte op de peildatum (dit moet nog tussen partijen worden verdeeld) en het resterende bedrag van € 120.000 heeft hij van zijn inkomen gespaard.

4.7.

Hieromtrent geldt dat de vrouw oorspronkelijk (dgv. onder 20) het vermiste bedrag op € 200.000 - € 250.000 heeft gesteld en dat zij dit bedrag in een volgend processtuk (conclusie van antwoord in reconventie et cetera onder 18) zonder nadere toelichting heeft verhoogd naar € 300.000 – € 350.000, alsmede dat zij niet heeft toegelicht waarop zij de genoemde bedragen precies heeft gebaseerd. De vrouw heeft ook niet betoogd dat het onmogelijk is dat de man een bedrag van omstreeks € 120.000 in een periode van twee jaar kan hebben gespaard. Zonder nadere toelichting kan dit zeker niet worden uitgesloten. Immers, de man genoot in die periode een zeer hoog, belastingvrij, inkomen bij het EOB. Daarbij betrekt de rechtbank met name ook dat de man er ter zitting onweersproken op heeft gewezen dat partijen ook tijdens het huwelijk al behoorlijk hebben kunnen sparen en dat zij na vijftien jaar huwelijk een appartement in Spanje en een woning in Nederland hadden ter waarde van één miljoen euro, zonder hypotheek. Het saldo dat de bewuste bankrekeningen van partijen hadden op de peildatum (waarvan de man een deel in de [adres 1] heeft geïnvesteerd) zal hierna ‘gewoon’ in de verdeling worden betrokken. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de stelling van de vrouw dat de man geld heeft weggesluisd.

4.8.

De rechtbank ziet geen aanleiding om van de man te verlangen dat hij rekening en verantwoording aflegt over de gehele huwelijkse periode dan wel een deel daarvan. Echtgenoten zijn niet verplicht rekening en verantwoording af te leggen over het door hen gevoerde beheer over de algehele gemeenschap van goederen. Vaststaat dat partijen elk het beheer van hun eigen rekeningen hebben gehad en dat zij met de daarop figurerende saldi ieder een deel van de voor rekening van de gemeenschap van goederen komende kosten hebben voldaan. Daarbij komt dat de vrouw niet heeft gesteld dat partijen (uitdrukkelijk of stilzwijgend) hebben afgesproken dat de man belast was met het beheer van het gehele gemeenschappelijke vermogen of een deel daarvan. De vrouw heeft tevens onvoldoende gesteld om ervan uit te gaan dat tussen partijen sprake is geweest van een overeenkomst van opdracht die meebrengt dat van de man mag worden verlangd dat hij rekening en verantwoording aflegt over het door hem gevoerde beheer over de gehele huwelijkse periode of een deel daarvan.

4.9.

Het beroep op de informatieplicht ex art. 1:83 BW dan wel art. 3:173 BW kan de vrouw evenmin baten. De bepaling van art. 3:173 BW heeft betrekking op de deelgenoot in de ontbonden huwelijksgemeenschap (vgl. art. 3:189 BW) terwijl de vrouw juist over de huwelijkse periode rekening en verantwoording vraagt. Aan de op een echtgenoot rustende inlichtingenplicht heeft de man met de in het geding gebrachte stukken naar het oordeel van de rechtbank voldaan.

4.10.

Voor wat betreft de saldi van de onderscheiden bankrekeningen ten name van de man overweegt de rechtbank verder als volgt.

ABN-AMRO privé rekening [rekeningnummer 3] t.n.v. de man

4.11.

Partijen strijden over het saldo dat in verband met deze rekening in de verdeling moet worden betrokken. De vrouw stelt dat saldo op € 1.744,97 en de man stelt het op

€ 959,17. Het verschil tussen beide saldi betreft de boeking van € 785,80 die exact op de peildatum, 12 juni 2014, ten laste van deze rekening heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat mutaties die op de peildatum zelf hebben plaatsgevonden niet meer voor rekening en risico van de ontbonden gemeenschap van goederen plaatsvinden. De rechtbank zal dus van het bedrag van € 1.744,97 uitgaan.

4.12.

Bij dit oordeel heeft de rechtbank ook betrokken dat partijen, in afwijking van het wettelijk stelsel, overeengekomen zijn om 12 juni 2014 als peildatum voor de omvang van hun huwelijksgoederengemeenschap te hanteren. Immers, ingevolge art. 1:99 lid 1 sub b BW was de algehele gemeenschap van goederen al ontbonden op 6 juni 2014, doordat de man toen het verzoek tot echtscheiding heeft ingediend. Op 12 juni 2014 is het verzoek ingeschreven in het huwelijksgoederenregister. Deze inschrijving was nodig om de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap aan derden te kunnen tegenwerpen (art. 1:99 lid 2 BW), maar laat onverlet dat de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen al ontbonden was.

4.13.

De man dient de helft van dit bedrag (€ 872,48) aan de vrouw te vergoeden.

ABN-AMRO spaarrekening [rekeningnummer 4] t.n.v. de man

4.14.

Tussen partijen staat vast dat het saldo € 7.000 was op de peildatum. De man dient de helft van dit bedrag (€ 3.500) aan de vrouw te vergoeden.

ABN AMRO rekening eindigend op [rekeningnummer 5] t.n.v. de man

4.15.

De man heeft onweersproken gesteld dat deze rekening niet bestond op de peildatum. Deze zal dus niet in de verdeling worden betrokken.

Rabobank betaalrekening [rekeningnummer 6] t.n.v. de man

4.16.

Tussen partijen staat vast dat het saldo € 23,15 was op de peildatum. De man dient de helft van dit bedrag (€ 11,57) aan de vrouw te vergoeden.

Lloyds bank [rekeningnummer 7] t.n.v. de man

4.17.

Vaststaat dat het saldo € 99.865,87 was op de peildatum, vermeerderd met de tot op de peildatum opgebouwde rente. De man dient de helft van dit bedrag (€ 49.932.93 aan de vrouw te vergoeden.

Sparkasse Waldeck-Frankenberg [rekeningnummer 8] t.n.v. de man

4.18.

Tussen partijen staat vast dat het saldo van deze rekening € 1.518,25 was op de peildatum. De man dient de helft van dit bedrag (€ 759,12) aan de vrouw te vergoeden.

Sparda bank t.n.v. de man

4.19.

De vrouw heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de man (productie 21 van de man) niet aangetoond dat hij op de peildatum nog een rekening had bij deze bank. De rechtbank zal deze dus niet in de verdeling betrekken.

Rekeningen bij de Consors bank t.n.v. de man

4.20.

Tussen partijen staat vast dat :

- er één rekening met nummer [I] met saldo € 11.169,80 was per peildatum,

- er een rekening met nummer [II] met saldo € 4.929,55 was per peildatum,

- er een rekening met nummer [III] met saldo € 565,55 was per peildatum.

De naam van de bank is overigens een aantal malen veranderd. Laatstelijk naar BNP Paribas.

4.21.

De vrouw heeft tegenover de betwisting door de man onvoldoende onderbouwd dat er op de peildatum twee bankrekeningen bij de Consors bank waren ten name van de man met een nummer eindigend op [nummer 2] . Hiervan kan dus niet worden uitgegaan. Dit betekent dat de man aan de vrouw de helft van de drie genoemde bedragen (in totaal € 8.332,45) moet vergoeden.

La CAIXA bank [rekeningnummer 9] t.n.v. de man

4.22.

Tussen partijen staat vast dat op de peildatum € 400,40 op deze rekening stond. De man dient de helft van dit bedrag € 200,20 aan de vrouw te vergoeden.

UBS [rekeningnummer 10] t.n.v. de man

4.23.

Tussen partijen staat vast dat dit een spaarfaciliteit was. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de man heeft de vrouw niet onderbouwd dat er op de peildatum nog saldo op deze spaarfaciliteit stond. Deze faciliteit zal dus met een saldo nihil in de verdeling worden betrokken. De man heeft ter zitting aangeboden desgevraagd een volmacht te tekenen zodat de vrouw dit zelf bij UBS kan controleren. De man dient deze toezegging desgevraagd gestand te doen.

Jamestown shares t.n.v. de man

4.24.

Ten aanzien van deze shares heeft de vrouw, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man (productie 20 van de man), niet aangetoond dat deze shares ten tijde van de peildatum nog in de algehele gemeenschap van goederen vielen. Met de man is de rechtbank van oordeel dat uit de genoemde productie, volgt dat de shares in juni 2006 verkocht en afgerekend zijn en dat een verder aandeel niet voor de man wordt gehouden. De Jamestown shares zullen dus niet in de verdeling worden betrokken.

Schenkingen door de moeder van de man aan de man onder uitsluitingsclausule à € 35.000

4.25.

De man vordert in reconventie onder 6 te verklaren voor recht dat hij een vorderingsrecht heeft op de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van € 35.000 wegens schenkingen met een uitsluitingsclausule. Hij stelt hiertoe, onder verwijzing naar productie 7, inhoudende een schriftelijke verklaring van zijn moeder van 3 december 2014, dat hij een bedrag van € 35.000 aan schenkingen met een uitsluitingsclausule heeft ontvangen en verzoekt de rechtbank te bepalen dat hij een vorderingsrecht op de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap heeft van € 35.000. Ter zitting heeft de man, op de vraag of zijn moeder een paar keer per jaar op bezoek kwam en hem dan geld gaf, verklaard:

“Ze gaf mij geld en voor de kinderen. Op de vraag of ze dan erbij zei dat het niet voor de vrouw was zeg ik dat ze altijd zei dat het voor mij en de kinderen was. De verhouding tussen de vrouw en mijn moeder was toen niet meer zo goed. (…) En mijn moeder heeft dit vanaf 2004 steeds gezegd. Mijn moeder heeft dit geld uit emotie aan mij gegeven. Ze wil met warme hand en niet met koude hand geven. (…) Ik heb nooit aan de vrouw en de kinderen verteld dat ik geld heb gekregen van mijn moeder. Het geld is uitgegeven. (…)”

4.26.

De vrouw heeft betwist dat de moeder van de man een bedrag van € 35.000 onder uitsluiting aan de man heeft geschonken. Zij heeft verder verklaard niet te begrijpen dat er een dergelijk bedrag door de moeder van de man is geschonken, gelet op haar financiële omstandigheden en het feit dat de man bij het EOB veel geld verdiende.

4.27.

De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge het in dit geval toepasselijke artikel 1:94 (oud) BW vielen schenkingen, bij gebreke van een uitsluitingsclausule, in de algehele gemeenschap van goederen. De uitsluitingsclausule moest in dezelfde vorm worden gemaakt als de schenking. Dit brengt mee dat bij een schenking van hand tot hand direct bij de schenking door de schenker mondeling een uitsluitingsclausule moest worden bedongen. Bij gebreke daarvan viel een geschonken bedrag in de algehele gemeenschap van goederen.

4.28.

Aan deze eis is in dit geval niet voldaan. Uit de schriftelijke verklaring van de moeder van de man kan niet worden afgeleid dat zij telkens mondeling bij de schenking heeft bedongen dat het geschonkene niet in de gemeenschap zal vallen. Daartoe volstaat immers niet de zinsnede: dat zij bedragen “zu seiner persönlichen Verfügung ausgehändigd” heeft. Ook uit de verklaring van de man ter zitting volgt dit niet. Immers, de man heeft niet verklaard dat zijn moeder heeft gezegd dat het bedrag buiten de gemeenschap moest blijven, maar dat zij heeft gezegd dat het bedrag voor hem èn de kinderen was.

4.29.

Overigens is het door de man gestelde bedrag bovendien vaag. Zijn moeder heeft hierover eind 2014 verklaard dat zij het in de periode januari 2000 tot april 2014 geschonken bedrag schat op ongeveer € 30.000-€ 35.000. Ook uit de verklaring van de man blijkt niet dat hij op enigerlei wijze heeft geregistreerd wat hem contant is geschonken en dit bedrag is dus, mede omdat hij hierover nooit iets aan de vrouw of de kinderen heeft gezegd en het zou zijn uitgegeven, niet te controleren. Om al deze redenen wordt deze vordering afgewezen.

4.30.

Voor wat betreft de saldi van de onderscheiden bankrekeningen ten name van de vrouw overweegt de rechtbank verder als volgt.

ABN AMRO-rekeningen t.n.v. de vrouw

4.31.

Tussen partijen staat vast dat op de ABN AMRO rekening met nummer [rekeningnummer 11] ten name van de vrouw op de peildatum € 4.679,80 stond en dat op de ABN AMRO rekening met nummer [rekeningnummer 12] op de peildatum € 31.000 stond. De vrouw dient de helft van de genoemde bedragen (in totaal € 17.839,90) aan de man te voldoen.

BBVA [rekeningnummer 13] t.n.v. de vrouw

4.32.

Vaststaat dat het saldo van deze rekening op de peildatum € 851,77 bedroeg en dat er tevens aandelen op de peildatum waren met een waarde van € 4.823,96. De vrouw dient de helft van de genoemde bedragen (in totaal € 2.837,86) aan de man te voldoen.

BBVA Multiprevision t.n.v. de vrouw

4.33.

Tussen partijen staat vast dat het saldo op de peildatum € 5.029,72 bedroeg. De vrouw dient de helft van het genoemde bedrag (€ 2.514,86) aan de man te voldoen.

BBVA Plan Ahorro Garantizado [rekeningnummer 14]

4.34.

Partijen strijden over de vraag tot welke waarde dit plan in de verdeling moet worden betrokken. De vrouw stelt dat het gaat om een gezamenlijke rekening verzekering, een soort spaarproduct, en dat zowel zij als haar moeder ( [de moeder van de vrouw] ) verzekerden zijn. De vrouw is gerechtigd tot de helft van de waarde op de peildatum van

€ 44.567,26 euro, dus € 21.105,99.

4.35.

De man bestrijdt niet dat de waarde op de peildatum € 44.567.26 bedroeg. Hij betoogt dat (gewoon) sprake is van een bankrekening, dat de vrouw niet aantoont dat de inleg mede is betaald door haar moeder en dat de banksaldi, van waaruit dit product is betaald, behoorden tot de gemeenschap van goederen.

4.36.

De vrouw heeft hierop verklaard dat sprake is van een polis waarin je spaart maar waarvan wel geld kan worden opgenomen.

4.37.

De rechtbank overweegt als volgt. Het BBVA Plan Ahorro Garantizado [rekeningnummer 14] vermeldt als twee verzekerden de vrouw en haar moeder. Gelet op de omstandigheid dat van dit spaarproduct ook geld kan worden opgenomen ziet de rechtbank geen aanleiding om hiermee anders om te gaan dan met een bankrekening. In het geval van een bankrekening is voor de vaststelling van de rechthebbende ook niet de tenaamstelling van die bankrekening bepalend, maar is bepalend wie het geld erop heeft gestort. De vrouw heeft, tegenover de betwisting door de man, niet onderbouwd dat haar moeder ook geld heeft ingelegd in dit spaarproduct. De rechtbank gaat er dus van uit dat de polis volledig in de algehele gemeenschap van goederen is gevallen. Zij dient de helft van de waarde van € 44.567,26 euro (€ 21.105,99) aan de man te voldoen.

Sabadell [rekeningnummer 1]

4.38.

De vrouw heeft in conventie onder IX.1 gevorderd te verklaren voor recht dat de nalatenschap van de vader van de vrouw, welke door de vrouw is verkregen, niet in de gemeenschap van goederen van partijen is gevallen en dat om die reden het saldo op de Sabadell rekening met nummer [rekeningnummer 1] ten name van de vrouw uitsluitend aan de vrouw ten goede komt en niet in de verrekening behoeft te worden betrokken. De vrouw heeft hiertoe gesteld dat deze, op haar naam staande rekening, volledig gevoed is met de nalatenschap die zij heeft ontvangen van haar in 1995 overleden vader. Zij betoogt dat de nalatenschap van haar vader niet in de gemeenschap van goederen is gevallen nu dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De man en de vrouw hebben beiden niet de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Spaanse nationaliteit. Het Spaanse recht kent geen uitsluitingsclausule nu nalatenschappen in het Spaanse recht altijd privé blijven. Ook in Duitsland vallen nalatenschappen niet in enige gemeenschap. Partijen woonden ten tijde van het overlijden van vader in Zwitserland waar nalatenschappen evenmin in de gemeenschap van goederen vallen. De man heeft dit gemotiveerd bestreden.

4.39.

Het betoog van de vrouw faalt. Nog daargelaten dat de rechtbank, gelet op het debat tussen partijen, niet met zekerheid kan vaststellen dat het volledige saldo van deze rekening met de nalatenschap van de vader van de vrouw is gevoed, geldt dat de vrouw er ten tijde van het sluiten van het huwelijk met de man (in 1999, derhalve vier jaar na het overlijden van haar vader) voor had kunnen en moeten kiezen om op huwelijkse voorwaarden te trouwen, ten einde te voorkómen dat het door haar van haar vader geërfde vermogen in de gemeenschap van goederen zou vallen (zie ook Hoge Raad 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:276, rov. 3.4). Dat de vrouw heeft nagelaten zich te laten informeren omtrent de aan het (in Nederland) sluiten van een huwelijk in gemeenschap van goederen verbonden rechtsgevolgen komt voor haar risico. Hieraan doet niet af dat ook naar het thans (sinds 1 januari 2018) geldende Nederlands huwelijksvermogensrecht ten huwelijk aangebracht vermogen buiten de gemeenschap van goederen blijft, evenals erfenissen en schenkingen die staande huwelijk worden verkregen. Immers de wetgever heeft uitdrukkelijk voor een stelselwijziging (de beperkte gemeenschap) gekozen. Dit gewijzigde stelsel is niet van toepassing op de al op 12 juni 2014 ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen. Deze vordering van de vrouw wordt dus afgewezen.

4.40.

Tussen partijen staat vast dat op deze rekening ten tijde van de peildatum een bedrag van € 55.000 stond. Het saldo op deze rekening zal dus aan de vrouw worden toebedeeld onder de verplichting om de man de helft daarvan (€ 27.500) uit te keren.

4.41.

Niet is komen vast te staan dat de vrouw nog andere rekeningen heeft gehad op de peildatum die in de verdeling moeten worden betrokken.

4.42.

In het kader van de verdeling van de saldi op de bankrekeningen dient de man dus in totaal aan de vrouw te voldoen:

- € 872,48

- € 3.500,00

- € 11,57

- € 44.932,93

- € 759,12

- € 8.332,45

- € 200,20 +

-------------------

- € 58.608,75

4.43.

De vrouw dient in dit kader in totaal aan de man te voldoen:

- € 17.839,90

- € 2.837,86

- € 2.514,86

- € 21.105,99

- € 27.500,00 +

--------------------

- € 71.798,61

4.44.

Dit leidt ertoe dat de vrouw in beginsel ter zake aan de man moet voldoen

(€ 71.798,61 – € 58.608,75 = ) € 13.189,86.

4.45.

De rechtbank wijst er volledigheidshalve op dat, indien na wijzen van dit vonnis mocht blijken dat er aan de zijde van de man (of de vrouw) méér saldo was ten tijde van de peildatum dan thans in de verdeling wordt betrokken, bijv. bij de Spardabank, dat de man (of de vrouw) dan zijn/haar aandeel daarin verbeurt aan de vrouw (of de man) op grond van artikel 3:194 van het Burgerlijk Wetboek.

Auto’s

4.46.

Partijen zijn het erover eens dat zij elk de bij hen in gebruik zijnde auto houden. De vrouw heeft een Audi A3 in gebruik en de man een BMW. De rechtbank zal deze dienovereenkomstig toedelen. Zij wensen dat de waardes over en weer worden verrekend. Partijen zijn het er ook over eens dat daartoe de waardes ten tijde van de verdeling (de actuele waardes) moeten worden gehanteerd. Partijen zijn het erover eens dat de Audi A3 thans € 4.500 waard is. Zij zijn het er ook over eens dat de BMW thans € 22.500 waard is. De man heeft echter gesteld dat de BMW auto een CD-kenteken heeft, en dat hij, in het geval hij de auto verkoopt, € 5.450 aan BPM moet terugbetalen en 21% BTW zijnde

€ 3.580, welke bedragen op het bedrag van € 22.500 in mindering moeten worden gebracht. Hij verzoekt de BMW aan hem toe te delen voor € 13.469,50. De vrouw heeft er bezwaar tegen gemaakt dat met aftrek voor BPM en BTW rekening wordt gehouden. Zij heeft betoogd dat of de man alsnog wordt belast voor BPM en BTW afhankelijk is van de vraag aan wie hij de auto verkoopt.

4.47.

De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 7.3 van de regeling Diplomatieke vrijstellingen van omzetbelasting, accijns, belasting op personenauto's en motorrijwielen, motorrijtuigenbelasting, overdrachtsbelasting, regulerende energiebelasting en belasting op leidingwater houdt in:

“De vrijstelling wordt voorwaardelijk verleend. Wanneer het voertuig wordt gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor de vrijstelling is verleend vervalt de vrijstelling en wordt de belasting alsnog geheel verschuldigd, tenzij sprake is van één van de hierna omschreven situaties:

- Wanneer het voertuig wordt vervreemd wordt in beginsel ter zake van de registratie van het voertuig onder een normaal Nederlands kenteken belasting verschuldigd naar de waarde en het tarief op het moment van vervreemding.

- Wanneer het voertuig op het moment dat de vrijstelling vervalt niet langer in Nederland behoeft te worden geregistreerd of wanneer het opnieuw wordt geregistreerd onder een CD- of BN/GN-kenteken is geen belasting verschuldigd.”

4.48.

De rechtbank houdt het betoog van de man, mede gezien voormelde bepaling, voor juist. In het geval de man de auto met een CD kenteken moet verkopen moet hij eerst een formulier van de Rijksdienst voor het wegverkeer invullen, dat naar de Belastingdienst wordt gestuurd. De Belastingdienst beslist over de toelating tot een Nederlands kenteken en of de auto eventueel gekeurd moet worden. In het geval de man de auto wenst te verkopen moet de auto dus eerst een Nederlands kenteken krijgen, ook in het geval de auto aan een koper in het buitenland wordt verkocht. Dit betekent dat in redelijkheid bij de bepaling van de waarde van de auto met de posten BPM en BTW rekening moet worden gehouden. Dit betekent dat de man aan de vrouw moet voldoen. De waarde van de BMW wordt dus gesteld op € 13.469,50. De man moet dus (€ 13.469,50 - € 4.500 : 2 = ) € 4.484,75 aan de vrouw voldoen. Dit betekent dat aldus op vordering II in conventie en vordering 5 in reconventie zal worden beslist.

AOW-aanspraak van de vrouw

4.49.

De man vordert in reconventie onder 9 de vrouw te veroordelen om hem een bedrag van € 29.259,50 te voldoen in verband met door haar staande huwelijk opgebouwde AOW-rechten. Hij stelt daartoe dat het door de vrouw staande huwelijk opgebouwde recht op AOW in de gemeenschap van goederen is gevallen nu dit vermogensrecht ex art. 3:6 BW niet is uitgesloten door art. 1:94 BW. Als het recht op AOW niet in de gemeenschap is gevallen moet het op grond van de redelijkheid en billijkheid worden verrekend. De contante waarde van de door de vrouw opgebouwde AOW-rechten bedraagt € 58.519. Tot zover de man. De vrouw heeft dit gemotiveerd weersproken.

4.50.

Anders dan de man meent is de AOW-aanspraak van de vrouw niet in de gemeenschap van goederen gevallen. De Hoge Raad heeft al op 27 november 1981, NJ 1982/503 m.nt. W.H. Heemskerk, E.A.A. Luijten (Boon-Van Loon) overwogen:

“10. (…) De algehele gemeenschap die tevoren tussen pp. bestond, is per 29 okt. 1971 ten gevolge van scheiding van tafel en bed ontbonden. In de gemeenschap vallen van de zijde van de man alle aandelen in Litrofa NV, waarvan de man tevens directeur is. De pensioenrechten waarom het gaat, zijn door de NV aan de man als directeur toegezegd. Zij zijn door zijn arbeid, voor een groot deel tijdens de duur van de gemeenschap, opgebouwd en bestaan uit: (…) een ouderdomspensioen (…) (met een weduwenpensioen (…)

11. Bij de totstandkoming van de regeling van de algehele gemeenschap, opgenomen in Boek 1 BW, is de vraag of pensioenrechten in de gemeenschap vallen, ter sprake gekomen in de toelichting van Meijers op art. 1.7.1.2 van het door deze opgestelde voorontwerp. Naar aanleiding van het tweede lid van dat artikel, dat bepaalde dat onvervreemdbare en hoogst persoonlijke rechten in de gemeenschap vallen voor zover het bijzondere karakter van die goederen zich daartegen niet verzet, wordt in die toelichting gezegd: 'Men denke aan een recht van gebruik of bewoning, een recht op pensioen of een recht op alimentatie. Ook deze goederen vallen, in overeenstemming met de jongste rechtspraak, in de gemeenschap, voor zover het bijzonder karakter dier goederen zich daartegen niet verzet. De uitwerking van dit beginsel kan aan de rechter worden overgelaten'. (…) Dit alles leidt tot de conclusie dat de onderhavige kwestie door de wetgever is overgelaten aan rechtsvorming door de rechter, hetgeen niet uitsluit dat toekomstige ontwikkelingen waartoe de rechtspraak op dit punt kan leiden, naderhand alsnog een nadere uitwerking in de wet nodig maken. (…)

12. Tegen deze achtergrond moet worden onderzocht in hoeverre pensioenrechten, als onder 10 vermeld, in de verdeling van een gemeenschap als de onderhavige moeten worden betrokken. Pensioenrechten als hier bedoeld — waaronder met name niet ook aanspraken krachtens de AOW of de AWW vallen (onderstreping rb.) — zijn voorwaardelijke vorderingsrechten, die als zodanig op het tijdstip van de ontbinding van de gemeenschap reeds bestaan, ook al is het pensioen op dat tijdstip nog niet tot uitkering gekomen. Dit brengt mee dat zij krachtens art. 94 lid 3 Boek 1 in de algehele gemeenschap vallen en in de verdeling van die gemeenschap moeten worden betrokken, behalve voor zover zij zodanig verknocht zijn met de persoon van de echtgenoot die rechthebbende op het pensioen is, dat deze verknochtheid zich hiertegen verzet. (…)”

4.51.

De AOW-aanspraak van de vrouw is geen vermogensrecht als bedoeld in art. 3:6 BW. Van zo’n vermogensrecht is sprake bij ‘rechten die, hetzij afzonderlijk hetzij tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel’. De AOW-aanspraak van de vrouw kan hier niet onder worden geschaard. De AOW-aanspraak is immers een aanspraak van bijzondere aard, op de rijksoverheid, volgens de regels zoals in de AOW neergelegd. Weliswaar wordt wel gesproken over ‘de opbouw van AOW-rechten’, en kan ook worden berekend welke aanspraak de vrouw staande huwelijk heeft opgebouwd, maar deze aanspraak is niet overdraagbaar aan een derde en niet vatbaar voor verpanding of belening (art. 26 AOW). Daarbij komt dat AOW-uitkering bij overlijden van de vrouw wordt stopgezet waarna met ingang van de dag na het overlijden, ouderdomspensioen in de vorm van een overlijdensuitkering ter hoogte van het ouderdomspensioen van één maand wordt uitbetaald aan de aldaar genoemde nabestaanden (art. 18 AOW). De vrouw kan tot slot pas aanspraak op een uitkering ingevolge de AOW maken als zij daadwerkelijk de, alsdan geldende, AOW-leeftijd heeft bereikt en deze uitkering kan slechts onder in de AOW benoemde omstandigheden aan een ander worden uitgekeerd dan de vrouw.

4.52.

De man heeft zich verder beroepen op Hof Den Bosch 27 mei 1992, ECLI:NL:GHSE:1992:AD1690. Dit beroep gaat niet op. In die uitspraak ging het om een andersoortige aanspraak dan een AOW-aanspraak, namelijk om een recht op een aanvullende oudedagsvoorziening ingevolge het Besluit arbeidsvoorwaarden sociale werkvoorziening. Laatstgenoemd recht op een aanvullende oudedagsvoorziening maakte deel uit van de arbeidsvoorwaarden van de man en droeg het karakter van uitgesteld loon. De AOW-aanspraak van de vrouw heeft een wezenlijk ander karakter.

4.53.

De vrouw is, buiten de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap om, evenmin anderszins gehouden om nog met de man over haar staande huwelijk opgebouwde AOW-aanspraak met de man te verrekenen. Over buiten de huwelijksgoederengemeenschap vallend privévermogen zou immers ook niet behoeven te worden verrekend. De redelijkheid en billijkheid nopen daartoe evenmin.

4.54.

Ten overvloede wordt nog vermeld dat niet is komen vast te staan dat de man, naast zijn pensioen bij het EOB, zelf geen met de AOW-aanspraak van de vrouw vergelijkbare aanspraken heeft, bijvoorbeeld op het EOB of op de Duitse of Zwitserse rijksoverheid, zodat hem ook om die reden geen beroep op de redelijkheid en billijkheid toekomt. De vordering in reconventie onder 9 faalt hierom.

Uitvoeringshandelingen

De garage in [plaats]

4.55.

Partijen hebben al in de kort gedingprocedure afgesproken dat de garage zal worden verkocht. Daarmee is de obligatoire verdeling van de garage vastgesteld, waaraan partijen in beginsel zijn gebonden. Weliswaar kunnen zij hiervan in onderling afwijken maar de man is dit niet van plan. Dat betekent dat er voor de rechtbank in dit geding geen ruimte meer is om (op vordering van de vrouw in conventie onder II) te beslissen dat de verdeling van de garage voor twee jaar moet worden uitgesloten of om de vrouw gedurende twee jaar het exclusieve gebruik van de garage toe te kennen.

4.56.

De man heeft in reconventie onder 3 primair gevorderd de vrouw te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis dan wel een door de rechtbank te bepalen termijn, de door de man als productie 5 overgelegde volmacht tot verkoop en levering en verdeling van de verkoopopbrengst van de garage te ondertekenen en samen met een kopie van haar geldige identiteitsbewijs persoonlijk te overhandigen aan de advocaat van de man, op straffe van een dwangsom. De man heeft onweersproken gesteld dat conform de tussen partijen gemaakte afspraken de garage door twee van de drie door de vrouw voorgestelde makelaars is getaxeerd ter bepaling van de verkoopwaarde. Ook uit de door haar ingestelde (af te wijzen) vordering blijkt genoegzaam dat de vrouw nu nog steeds wenst dat de garage niet wordt verkocht. Dat betekent dat het door de man primair gevorderde als na te melden toewijsbaar is. De gevorderde dwangsom zal als na te melden worden gemaximeerd. Partijen hebben ter zitting de rechtbank verzocht om (in het geval de garage moet worden verkocht) een NVM-makelaar uit de omgeving van de garage aan te wijzen met verstand van garages en die in opdracht van partijen tot verkoop van de garage overgaat. De makelaar moet de vraagprijs voor de garage bepalen. Partijen bepalen in onderling overleg de laatprijs. De rechtbank zal dit als na te melden in het dictum vastleggen.

4.57.

Aan de door de man in reconventie onder 4 subsidiair gevorderde gebruiksvergoeding komt de rechtbank niet toe.

4.58.

Ook op vordering van de vrouw zal aan haar geen gebruiksvergoeding worden toegekend. Daarvoor is onvoldoende grond. Tussen partijen staat immers vast dat eerst de vrouw omstreeks twee jaar het alleen gebruik van de garage heeft gehad en daarna de man voor een vergelijkbare periode.

Appartement met garage in Spanje

4.59.

Op 5 september 2016 hebben partijen bij notariële akte van partiële verdeling afgesproken:

“De vrouw zal heden een onherroepelijke volmacht tekenen voor de levering van het appartement en de garage in Spanje aan de man en op eerste verzoek van de notaris van de man in Spanje meewerken aan alle door de notaris in Spanje verzochte rechtshandelingen ter effectuering van deze gemaakte afspraken.”

De man heeft onweersproken gesteld dat de door de vrouw ondertekende volmacht voor zijn notaris in Spanje onvoldoende bleek te zijn om het appartement met garage aan hem te leveren. Hij vordert daarom de vrouw te veroordelen de bij productie 8 overgelegde door de notaris in Spanje in het Spaans opgestelde volmacht te tekenen op straffe van een dwangsom. De vrouw is ingevolge het tussen partijen overeengekomene gehouden mee te werken “aan alle door de notaris in Spanje verzochte rechtshandelingen ter effectuering van deze gemaakte afspraken”. De vrouw heeft, mede gelet op de ter zitting door de tolk gegeven vertaling van de als productie 23 overgelegde akte, onvoldoende onderbouwd dat de akte aan de man een carte blanche verschaft om over meer vermogensbestanddelen te beschikken dan het appartement met de parkeerplaats. De vordering in reconventie onder 8 zal dus op de hierna vermelde wijze worden toegewezen. De dwangsom zal worden gemaximeerd.

Overige kwesties

Spaarrekeningen dochter in Duitsland

4.60.

De vrouw vordert in conventie onder IV de man te veroordelen om de Duitse spaarrekeningen ten name van de dochter van partijen op zijn naam te zetten dan wel het spaarsaldo over te maken naar de Nederlandse spaarrekening van de dochter, op straffe van een dwangsom. Zij stelt hiertoe dat het saldo van de spaarrekeningen van [de dochter] in de boedel valt omdat partijen als gezaghebbende ouders het bewind over haar vermogen hebben, dat zij het vermogen van [de dochter] moet aangeven bij haar eigen belastingaangifte, dat zij vermoedt dat het vermogen niet voor [de dochter] is bestemd maar dat de rekening door de man is geopend om de belastingdruk voor zijn moeder te verlagen en dat ze daarom de man voor de keuze heeft gesteld om het spaargeld op zijn eigen rekening te zetten en te beheren of indien dit werkelijk voor [de dochter] bestemd is het over te boeken naar de Nederlandse rekening van [de dochter] .

4.61.

De man voert gemotiveerd verweer. Hij betoogt dat zijn moeder voor de dochter geld spaart en in Duitsland voor haar een rekening heeft. Hij kan zijn moeder niet dwingen om de bankrekening leeg te halen. De man betwist verder dat de vrouw het spaargeld van [de dochter] voor haar eigen belastingaangifte moet opgeven en betoogt tot slot dat een rechtsgrond voor de vordering van de vrouw ter zake ontbreekt.

4.62.

De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft onvoldoende gesteld om ervan uit te gaan dat het saldo van de spaarrekening op naam van [de dochter] in de gemeenschap van goederen van partijen is gevallen. Dat gezaghebbende ouders het bewind over het vermogen van hun minderjarige kinderen hebben heeft dat rechtsgevolg niet. Verder is niet komen vast te staan dat [de dochter] gerechtigd is tot het saldo van de op haar naam staande rekening. De tenaamstelling van een rekening is daartoe immers niet doorslaggevend. Kennelijk gaan beide partijen ervan uit dat het geld op die rekening van de moeder van de man afkomstig is en dat zij daarop nog steeds rechthebbende is. Bij deze stand van zaken moet het door de vrouw gevorderde worden afgewezen. Het is aan de vrouw om in het kader van haar belastingaangifte aan de Belastingdienst door te geven dat [de dochter] niet gerechtigd is tot het saldo van deze rekening. De rechtbank gaat ervan uit dat de man bereid is dit desgevraagd schriftelijk aan de Belastingdienst te bevestigen en dat hij zich ook zal inspannen om zijn moeder een dergelijke verklaring te laten afleggen.

Pensioenverevening ouderdomspensioen van de man

4.63.

De vrouw vordert thans in conventie onder V een verklaring voor recht dat de vrouw voor de helft rechthebbende is op de door de man over het tijdvak 30 december 1999 tot aan de echtscheiding (25 augustus 2015) opgebouwde ouderdomspensioen uit hoofde van zijn dienstverband bij het Europees Octrooibureau en verder de man te veroordelen om aan de vrouw te verstrekken:

- waardeopgave van het EOB op het officiële briefpapier van het EOB en voorzien van een handtekening van de HR directeur van het EOB tezamen met de salarisspecificaties van de man over het jaar 2015 met inachtneming van de gebruikelijke indexatie;

- een opgave te doen van het tijdstip waarop deze uitkeringen een aanvang zullen nemen;

op straffe van verbeurte van een dwangsom;

en voorts de man te veroordelen om per de datum waarop hij zijn pensioengerechtigde leeftijd zal bereiken de helft van het door de man opgebouwde ouderdomspensioen over het tijdvak 30 december 1999 tot en met 25 augustus 2015 met indexatie maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw zal uitkeren en hiervoor een garantiestelling af te geven aan de vrouw. Zij vordert in conventie onder VIII primair de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan het opmaken van een akte van cessie waardoor aan de vrouw gecedeerd wordt haar aanspraak op het door de man opgebouwde ouderdomspensioen tijdens zijn dienstverband met het EOB en staande huwelijk opgebouwd, subsidiair om zijn medewerking te verlenen aan lastgeving dan wel volmacht.

4.64.

De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn ingevolge de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvp) gehouden het staande huwelijk opgebouwde pensioen te verevenen. De rechtbank heeft in de echtscheidingsbeschikking al voor recht verklaard dat de Wvp van toepassing is op het door de man en de vrouw tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen. In de beschikking is verder overwogen dat deze wet ook van toepassing is op het door de man bij het Europees Octrooibureau opgebouwde pensioen. Deze beschikking heeft gezag van gewijsde verkregen. Bij deze stand van zaken heeft de vrouw bij de gevorderde verklaring voor recht geen belang, zodat deze zal worden afgewezen.

4.65.

Partijen hebben ter zitting van de voorzieningenrechter afgesproken dat de man de informatie over de pensioenaanspraken van de vrouw bij het EOB aan de vrouw zal doen toekomen, alsmede een verklaring dat hij tot uitbetaling van deze aanspraken zal overgaan op het moment dat hij met pensioen gaat, aan de vrouw zal doen toekomen. Tussen partijen staat vast dat de man op 7 april 2016 aan de vrouw heeft doen toekomen productie 10 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie. In deze, door de man ondertekende en door zijn advocaat gecertificeerde, verklaring heeft de man verklaard dat hij tijdens het huwelijk bij het EOB aan ouderdomspensioen heeft opgebouwd een bedrag van € 3.189,20 per maand, dat op grond van de Wvp de helft hiervan toekomt aan de vrouw en dat hij, zodra hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en voor zolang hij leeft, aan de vrouw zal overmaken een bedrag van € 1.546,60 bruto per maand ten titel van ouderdomspensioen.

4.66.

Bij deze verklaring is gevoegd een A4-tje dat volgens de man van het EOB afkomstig is. Dit A4-tje houdt in:

“Dear Mr. [de man] ,

As requested, please find herunder the monthly entitlement to retirement pension acquired by you during the periods you state, and within the years of your service at the Europese Patent Office:

Date of Entry: [datum] .1997

Date of Marriage: 30.12 .1999

Date of Divorce; 25.08.2015

Period to consider for pension: 30.12 .1999 – 25.08.2015

Annuities acquired during this period = 15,65 years

Grade and step at the end date: G12/05 = basic salary of €10.515,55

Calculation of the pension rights

Basic pension = 10.515,55 x 2% x 15,65 = € 3.291,36

Deductions

Sickness Insurance (2,904%) = € 95,58

Long Term Care (0,4%)* = € 3.291,36 x 2% x 25 x 0,4% = € 6,58

* The Long Term Care insurance is calculated for 25 years

Net Pension = € 3.189,20 / month

Yours sincerely,

[X]

HR Officer

Salaries / Pensions / Admin Services”

4.67.

De rechtbank zal eerst beoordelen of de man aldus hetgeen partijen zijn overeengekomen naar behoren is nagekomen. Het A4-tje is niet gesteld op briefpapier van de EOB, het is ongedateerd en het is niet ondertekend door degene door wie het zou zijn opgesteld. Hierom kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat dit A4-tje daadwerkelijk van het EOB afkomstig is. De man heeft aangevoerd dat hij het A4-tje daadwerkelijk van het EOB heeft gekregen, dat dit conform de gebruikelijke werkwijze van het EOB is en dat het EOB hem ook geen andere stukken verstrekt. De vrouw heeft dit op haar beurt weersproken. De rechtbank volgt de man niet in zijn betoog dat hij aldus aan de afspraak heeft voldaan. De vrouw kan er, gegeven het met de juiste vaststelling van haar pensioenaanspraken gemoeide belang, in redelijkheid aanspraak op maken dat de man een van het EOB afkomstig schrijven overlegt waaruit de te verevenen pensioenaanspraken blijken. De man kan hieraan voldoen door haar een gedateerd schrijven van het EOB, op het officiële briefpapier van het EOB en voorzien van een handtekening van de daartoe bevoegde autoriteit binnen het EOB, te doen toekomen met daarin een berekening van het over de huwelijkse periode te verevenen pensioen, tezamen met de salarisspecificaties van de man over het jaar 2015. Niet valt in te zien waarom het EOB hiertoe, op schriftelijk verzoek van zijn werknemer (de man) en onder verwijzing naar dit vonnis, niet bereid zou zijn, te meer daar (als het door de man overgelegde A4-tje juist is) daarvoor nauwelijks extra werk nodig is. Het EOB heeft immers eerder (zie 2.13) ook schriftelijk op een brief van de vrouw geantwoord. Tevens dient uit dit schrijven van het EOB te blijken of en hoe het pensioen van de man jaarlijks zal worden geïndexeerd. Immers, indien dit het geval is moeten de geïndexeerde bedragen in de verevening worden betrokken. Van de man mag overigens, ter uitvoering van de eerder gemaakte afspraken, in redelijkheid worden verwacht dat hij zijn op 7 april 2016 gedateerde verklaring aanpast aan het nieuwe schrijven van het EOB en dat hij ook deze ondertekende en gecertificeerde verklaring aan de vrouw doet toekomen.

4.68.

Aan de opgave door de man zal een (te maximeren) dwangsom worden verbonden, die zal worden verbeurd als hij niet binnen de gegeven termijn aan de veroordeling voldoet, tenzij hij op het moment dat aanspraak wordt gemaakt op verbeurde dwangsommen, dan wel uiterlijk tijdens een daartoe te voeren kort gedingprocedure, een controleerbaar van het EOB afkomstig schrijven kan tonen waarin is vermeld (c.q. waaruit blijkt) dat het EOB, ondanks het uitdrukkelijk schriftelijk verzoek daartoe van de man en na kennisname van dit vonnis, weigert om hieraan zijn medewerking te verlenen.

4.69.

De vordering om de man te veroordelen opgave te doen van het tijdstip waarop de pensioenuitkeringen een aanvang zullen nemen, op straffe van een dwangsom, zal als prematuur worden afgewezen. Dit tijdstip is immers thans nog ongewis.

4.70.

De vordering om de man te veroordelen om per de datum waarop hij zijn pensioengerechtigde leeftijd zal bereiken de helft van het door hem man opgebouwde ouderdomspensioen over het tijdvak 30 december 1999 tot en met 25 augustus 2015 maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw uit te keren zal als niet dan wel onvoldoende weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen. Daarbij zal worden bepaald dat ook de helft van de eventuele indexatie moet worden uitgekeerd, nu nog onduidelijk is of de man daarop aanspraak kan maken.

4.71.

Met de man is de rechtbank van oordeel dat voor de door de vrouw gevorderde garantstelling geen grond bestaat. Ook voor de man is immers ongewis of hij te zijner tijd aanspraak zal kunnen maken op ouderdomspensioen. In het geval hij voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd is overleden zal hem immers geen ouderdomspensioen worden uitgekeerd. Ook in het geval de vrouw is overleden voordat de man de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt hoeft aan haar geen ouderdomspensioen te worden uitgekeerd.

4.72.

Ook de vorderingen om de man te veroordelen mee te werken aan het opmaken van een akte van cessie (art. 3:94 BW), dan wel om zijn medewerking te verlenen aan lastgeving (art. 7:414 BW) of het verstrekken van een volmacht (art. 3:60 BW) zullen worden afgewezen. Voor zover de vrouw met deze vorderingen beoogt een rechtstreekse aanspraak op de man te krijgen heeft zij hierbij geen belang. Immers, partijen hebben afspraken gemaakt over de pensioenverevening. De man moet deze afspraken nakomen en voor zover hij dat thans nog onvoldoende heeft gedaan zal hij daartoe ook worden veroordeeld en bovendien zal hij worden veroordeeld om per de datum waarop hij zijn pensioengerechtigde leeftijd zal bereiken de helft van het door hem man opgebouwde ouderdomspensioen over het tijdvak 30 december 1999 tot en met 25 augustus 2015 maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw uit te keren.

4.73.

Voor zover de vrouw met deze vorderingen beoogt een rechtstreekse aanspraak op het EOB te verkrijgen stranden deze vorderingen reeds hierop dat de man onweersproken heeft gesteld dat het EOB niet wil meewerken aan rechtstreekse uitkering van het aandeel van de vrouw aan haar. Dit volgt ook uit de, door de vrouw overgelegde, hiervoor onder 2.13 geciteerde, schriftelijke, afwijzende reactie van het EOB van 23 augustus 2017. Het EOB bovendien is ingevolge de huidige (internationale) regelgeving niet verplicht aan rechtstreekse uitkering aan de vrouw mee te werken.

4.74.

Bij die stand van zaken brengen ook de eisen van redelijkheid en billijkheid niet mee dat de man gehouden is de vrouw deze verdergaande zekerheid te verschaffen. De rechtbank is ermee bekend dat er plannen zijn om in de toekomst de wettelijke positie van de vereveningsgerechtigde echtgenoot te versterken. Immers, op 16 september 2019 is bij de Tweede Kamer ingediend het wetsvoorstel ‘modernisering pensioenverdeling bij scheiding’. (Kst. II 2016/17, 34765, nr. 3, pag. 15). Dit leidt niet tot een ander oordeel. Voor anticipatie op een wetsvoorstel waarin verdergaande zekerheid wordt geboden dan de huidige wet biedt, in een geval waarin het huwelijk al een tijd geleden is ontbonden en waarin het bovendien gaat om het EOB, met een bijzondere positie binnen het Nederlandse rechtsbestel, is geen reden.

Nabestaandenpensioen van de man

4.75.

De vrouw heeft onder VI in conventie gevorderd de man te veroordelen om de vrouw als eerste begunstigde aan te merken ter zake nabestaandenpensioen opgebouwd bij het EOB tussen 30 december 1999 tot en met 25 augustus 2015 op straffe van een dwangsom. De vrouw heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de man niet onderbouwd dat hij aanspraak heeft op nabestaandenpensioen. Deze vordering zal dus worden afgewezen.

Vordering man op de vrouw van € 2.473

4.76.

De man vordert in reconventie onder 7 de vrouw te veroordelen om hem een bedrag van € 2.473 te betalen dat hij voor haar heeft uitgegeven voor het wijzigen van het kenteken van de auto van de vrouw naar een Nederlands kenteken. Hij heeft gesteld dat partijen hebben afgesproken dat de man dit bedrag zou voorschieten en dat de vrouw hem dit bedrag zo snel mogelijk zou terugbetalen. De vrouw heeft ter zitting erkend deze afspraak met de man te hebben gemaakt maar acht het, gezien de omstandigheden waaronder deze afspraak is gemaakt, niet redelijk dat zij daaraan nog gehouden is.

4.77.

Bij deze stand van zaken is het door de man gevorderde toewijsbaar. De enkele omstandigheid dat de vrouw het ‘niet redelijk’ vindt dat zij de gemaakte afspraak nog moet nakomen ‘gezien de omstandigheden waaronder deze afspraak is gemaakt’, wat daarvan verder ook zij, staat daaraan niet in de weg.

4.78.

Nu geen van de vorderingen van de vrouw onder VIII, IX-1, IX-2 of X wordt toegewezen, behoeft de man niet meer de gelegenheid te worden geboden om hierop nog bij akte te reageren.

Slotsom

4.79.

De ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, voor zover die nog niet partieel is verdeeld, zal als na te melden worden verdeeld. Dit leidt tot een door de vrouw aan de man wegens de verdeling van de saldi van de bankrekeningen te betalen bedrag van

€ 13.189,86, en een wegens verdeling van de auto’s door de man aan de vrouw te betalen bedrag van € 4.484,75. Per saldo dient de vrouw wegens overbedeling aan de man te voldoen (€ 13.189,86 - € 4.484,75 =) € 8.705,11.

4.80.

Voorts zullen verdere uitvoeringshandelingen worden bevolen ter zake van de garage in [plaats] en het appartement met garage in Spanje.

4.81.

Inzake de pensioenverevening en het nabestaandenpensioen zal op de hierna vermelde wijze worden beslist. De vrouw zal worden veroordeeld een inzake het wijzigen van het kenteken van haar auto door de man voorgeschoten bedrag aan hem terug te betalen.

Proceskosten

4.82.

In de familierechtelijke aard van deze procedure ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten tussen hen te compenseren, op de wijze zoals hierna vermeld. Partijen worden over en weer op punten in het ongelijk gesteld. Voor een veroordeling van één van partijen in de werkelijke proceskosten is ook daarom geen grond. De vorderingen in conventie onder VII en in reconventie onder 10 worden dus afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

in conventie en in reconventie

stelt de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen, voor zover die nog niet partieel verdeeld is, vast als volgt:

5.1.

deelt de saldi op de navolgende bankrekeningen toe aan de man:

- de ABN-AMRO privé rekening [rekeningnummer 3] ten name van de man;

- de ABN-AMRO spaarrekening [rekeningnummer 4] ten name van de man;

- de Rabobank betaalrekening [rekeningnummer 6] ten name van de man;

- de Lloyds bankrekening [rekeningnummer 7] ten name van de man;

- de Sparkasse Waldeck-Frankenberg [rekeningnummer 8] ten name van de man;

- de rekeningen bij de Consors bank ten name van de man:

- een rekening met nummer [I] ;

- een rekening met nummer [II] ;

- een rekening met nummer [III] ;

- de bankrekening bij La CAIXA bank [rekeningnummer 9] ten name van de man;

- de bankrekening bij UBS [rekeningnummer 10] ten name van de man.

5.2.

deelt de saldi op de navolgende bankrekeningen toe aan de vrouw:

- de ABN-AMRO rekening met nummer [rekeningnummer 11] ten name van de vrouw;

- de ABN-AMRO rekening met nummer [rekeningnummer 12] ten name van de vrouw;

- de rekening BBVA [rekeningnummer 13] ten name van de vrouw;

- de rekening BBVA Multiprevision ten name van de vrouw;

- het BBVA Plan Ahorro Garantizado [rekeningnummer 14] ;

- de Sabadellrekening [rekeningnummer 1] ten name van de vrouw;

5.3.

deelt de Audi A3 toe aan de vrouw en deelt de BMW toe aan de man;

5.4.

veroordeelt de vrouw wegens overbedeling een bedrag van € 8.705,11 aan de man te voldoen;

en verdere uitvoeringshandelingen:

garage [plaats]

5.5.

veroordeelt de vrouw om binnen veertien werkdagen na betekening van het vonnis de door de man als productie 5 overgelegde volmacht tot verkoop en levering en verdeling van de verkoopopbrengst van de garage in [plaats] te ondertekenen en samen met een kopie van haar geldige identiteitsbewijs persoonlijk te overhandigen aan de advocaat van de man, op straffe van een dwangsom van € 500 per dag dat zij na ommekomst van de in deze bepaling genoemde termijn hiermee in gebreke is, met een maximum van € 25.000;

5.6.

bepaalt dat ‘De Waarde van [plaats] ’, de heer [B] , in opdracht van partijen tot verkoop van de garage overgaat; de makelaar moet de vraagprijs voor de garage bepalen; partijen zullen in onderling overleg de laatprijs bepalen;

appartement en garage in Spanje

5.7.

veroordeelt de vrouw om binnen veertien werkdagen na betekening van het vonnis de door de man overgelegde volmacht tot levering van het appartement en de garage in Spanje aan de man te ondertekenen en te laten legaliseren door een Nederlandse dan wel een Spaanse notaris conform Europese richtlijnen en deze samen met een kopie van een geldig legitimatiebewijs persoonlijk aan de advocaat van de man te overhandigen, op straffe van een dwangsom van € 500 per dag dat zij na ommekomst van de in deze bepaling genoemde termijn hiermee in gebreke is, met een maximum van € 25.000;

overige kwesties:

ouderdomspensioen

5.8.

veroordeelt de man om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis aan de advocaat van de vrouw te overhandigen een gedateerd schrijven van het EOB, op het officiële briefpapier van het EOB en voorzien van een handtekening van de daartoe bevoegde autoriteit binnen het EOB, met daarin een berekening van het over de huwelijkse periode te verevenen pensioen, tezamen met de salarisspecificaties van de man over het jaar 2015; tevens dient uit dit schrijven van het EOB te blijken of en hoe het pensioen van de man jaarlijks zal worden geïndexeerd,

op straffe van een dwangsom van € 500 per dag dat de man hiermee na ommekomst van de genoemde termijn in gebreke blijft, met een maximum van

€ 25.000, tenzij de man op het moment dat aanspraak wordt gemaakt op verbeurde dwangsommen, dan wel uiterlijk tijdens een daartoe te voeren kort gedingprocedure, een controleerbaar van het EOB afkomstig schrijven kan tonen waarin is vermeld (c.q. waaruit blijkt) dat het EOB, ondanks het uitdrukkelijk schriftelijk verzoek daartoe van de man en na kennisname van dit vonnis, weigert om hieraan zijn medewerking te verlenen;

5.9.

veroordeelt de man om per de datum waarop hij zijn pensioengerechtigde leeftijd zal bereiken de helft van het door de man opgebouwde ouderdomspensioen over het tijdvak 30 december 1999 tot en met 25 augustus 2015 vermeerderd met eventuele indexatie, maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw uit te keren;

voorgeschoten bedrag

5.10.

veroordeelt de vrouw om aan de man binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis een bedrag van € 2.473 te betalen, en bepaalt dat zij bij gebreke blijven van betaling binnen deze termijn over dit bedrag de wettelijke rente is verschuldigd;

5.11.

verklaart 5.1 tot en met 5.10 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.12.

compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.13.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2019.1

1 type: 1308