Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:11774

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
08-11-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 7398
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om schadevergoeding ex 8:88 lid 1 Awb – onrechtmatig genomen besluit 13b Opiumwet – causaal verband tussen besluit en schade ontbreekt – geen dwangsom bij verzoek 8:88 lid 1 Awb – verzoek afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/7398

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2019 in de zaak tussen

[verzoeker] ,

[verzoeker] ,

te noemen verzoeker

(gemachtigde: mr. G.H. Fijma),

en

Burgemeester en wethouders van Den Haag; Bureau Gemeentelijk Risicomanagement, verweerder

(gemachtigde: mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland).

Procesverloop

Bij brief van 9 november 2018 heeft verzoeker de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van de geleden schade.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland en [A] verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 5 oktober 2015 heeft verweerder op grond van artikel 13b, eerste lid van de Opiumwet een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat het bedrijfspand van verzoeker per 7 oktober 2015 voor de duur van 12 maanden gesloten diende te blijven. Bij besluit van 3 februari 2016 heeft verweerder het door eiser ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 april 2016 heeft de rechtbank het hiertegen ingediende beroep gegrond verklaard, is zelf in de zaak voorzien door het bezwaar gegrond te verklaren, het besluit van 5 oktober 2015 te herroepen en is bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 12 april 2017 bevestigd.

2. Verzoeker heeft verweerder bij brief van 18 oktober 2017 aansprakelijk gesteld voor de geleden schade als gevolg van de sluiting van het pand, nu het besluit onrechtmatig is genomen. De gevorderde schadevergoeding bedraagt € 144.391,15. Hierop heeft verweerder bij brieven van 28 november 2017 en 8 maart 2018 gereageerd. Bij uitspraak van 20 augustus 2018 (SGR 18/4610 T) heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen, nu het schadebedrag de € 25.000,-- overschrijdt.

3. Bij brief van 9 november 2018 heeft verzoeker een verzoek tot schadevergoeding ingediend. Deze is gelijkluidend aan het eerdere verzoek van 18 oktober 2017, met dien verstande dat verzoeker thans heeft verzocht de geleden schade toe te wijzen tot een bedrag van ten hoogste € 25.000,-- .

Verzoeker verzoekt de rechtbank verweerder te veroordelen tot vergoeding van de geleden schade als gevolg van een onrechtmatige overheidsdaad. Daaraan legt verzoeker – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag. Om aan te kunnen nemen dat sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad en een daaruit voortvloeiende schadeverplichting, moet aan een aantal (cumulatieve) vereisten zijn voldaan. Verweerder betwist enkel dat sprake is van causaal verband tussen het handelen van verweerder en de door verzoeker geleden schade. Dat aan de overige vereisen is voldaan, is door verweerder niet betwist. Verzoeker meent dat wel degelijk sprake van causaal verband en stelt dat de stelling dat verzoeker de onderneming per definitie niet had voort kunnen zetten vanwege zijn detentie, niet juist is. De familie- en kennissenkring hadden het dagelijks reilen en zeilen van de onderneming op zich kunnen nemen, maar juist de sluiting van het pand stond aan de voortzetting van de onderneming in de weg. De sluiting van het pand heeft de onderneming de das omgedaan, omdat verzoeker zijn klandizie geheel is kwijtgeraakt gedurende de periode dat het pand gesloten was. Bovendien is de reputatie van verzoekers onderneming zodanig beschadigd dat heropening niet langer mogelijk was. De geleden schade bestaat uit inkomstenderving, de (noodgedwongen) afkoop van de huurovereenkomst, gederfde Goodwill, noodzakelijke investeringskosten ten behoeve van het opstarten van een nieuwe onderneming en immateriële schade en bedraagt in totaal € 144.391,15.

Verzoeker verzoekt tevens verweerder te veroordelen tot het betalen van de verbeurde dwangsom van € 1360,- wegens het niet tijdig reageren op het gedane verzoek.

4. Verweerder heeft zich bij schrijven van 19 februari 2018 op het standpunt gesteld dat de brief van het college van burgermeester en wethouders van 8 maart 2018 geen besluit als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betreft. Bovendien kwalificeert het verzoek d.d. 18 oktober 2017 zich niet als een verzoek in de zin van artikel 8:90, tweede lid van de Awb, maar slechts als een aansprakelijkheidsstelling die een civielrechtelijke procedure dient. Voor zover het verzoek wel wordt aangemerkt als een schadevergoedingsverzoek, meent verweerder dat het verzoek niet aan het juiste bestuursorgaan is gericht en het beroep aldus niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Bovendien stelt verweerder zich op het standpunt dat de bestuursrechter niet bevoegd is met betrekking tot de gevraagde verklaring voor recht, nu dit ziet op een belang groter dan

€ 25.000,-. Eveneens wordt betwist dat een dwangsom is verbeurd, nu geen sprake is van een aanvraag om een beschikking als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb en bovendien is verweerder nooit in gebreke gesteld. Het verzoek is ten aanzien van de heer [verzoeker] niet ontvankelijk nu hij geen direct belang heeft bij het verzoek om schadevergoeding. Hij heeft hooguit een van [verzoeker] afgeleid belang, aldus verweerder.

Voor zover het verzoek wel ontvankelijk wordt verklaard stelt verweerder zich op het standpunt dat het verzoek niet voor toewijzing in aanmerking komt, nu geen sprake is van causaal verband tussen de sluiting van het pand en de gestelde schade. Het pand is op 7 oktober 2015 gesloten na contact met de partner van [verzoeker] . Het pand was toen leeg. De enkele sluiting van de opslagruimte betekent niet dat ook de onderneming [verzoeker] werd gesloten. De bedrijfsvoering had kunnen worden voortgezet door een andere opslagruimte te huren, nu het betreffende pand immers slechts een generieke opslagruimte was. De detentie van [verzoeker] stond daar echter aan in de weg, zeker gelet op het feit dat [verzoeker] een periode in alle beperkingen heeft gezeten en de bedrijfsvoering vanwege de detentie noodgedwongen was gestaakt. Dat de bedrijfsvoering direct verband hield met de detentie volgt uit het feit dat de uit de bedrijfsruimte verwijderde goederen pas op 1 april 2016 zijn vernietigd, nadat de detentie op 7 maart 2016 was opgeheven. In de gehele tussenliggende periode heeft zich geen zaakwaarnemer gemeld, lijkt zich niemand om de bedrijfsvoering te hebben bekommerd en is pas na [verzoeker] zijn vrijlating een verzoek om voorlopige voorziening strekkende de beëindiging van de sluiting van de ruimte ingediend. Er is in die zin geen enkele poging gedaan de schade te beperken waardoor artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aan toewijzing van het verzoek in de weg staat. De stelling dat het handelshuis niet meer levensvatbaar is vanwege een twaalf maanden durende sluiting wordt door verweerder weersproken nu de detentie van [verzoeker] tot de beëindiging van de bedrijfsvoering heeft geleid en bovendien de opslag ruimte van 7 oktober 2015 tot 28 april 2016 gesloten is geweest. Verweerder betwist voorts gemotiveerd de juistheid van de schadeberekening. Er ontbreken verificatoire bescheiden waaruit de schade blijkt en waarmee de gestelde schade op waarde geschat kan worden. Tot slot verzoekt verweerder een mogelijk veroordelende uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, nu verweerder het restitutierisico dermate groot acht dat eerst de onherroepelijkheid dient te worden afgewacht.

5. De rechtbank overweegt over de ontvankelijkheid van het verzoek ten aanzien van [verzoeker] als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoeker] enig aandeelhouder en bestuurder van [verzoeker] is. De rechtbank is van oordeel dat het belang van [verzoeker] in die hoedanigheid zodanig verweven is met het belang van de onderneming, dat kan worden aangenomen dat [verzoeker] een rechtstreeks belang bij het ingediende verzoek om schadevergoeding heeft. Daarbij is voorts van belang dat [verzoeker] persoonlijk is getroffen door de last tot sluiting van het pand van waaruit hij de onderneming dreef. [verzoeker] is dan ook ontvankelijk in zijn verzoek.

5.1

Voor zover verweerder heeft betoogd dat het verzoek voor het overige onbevoegd dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, overweegt de rechtbank als volgt.

Voor verzoeken om schadevergoeding die worden voorgelegd aan de bestuursrechter geldt in beginsel dat de hoogte van de vordering niet meer dan € 25.000,- mag bedragen (zie artikel 8:89 van de Awb). De Afdeling heeft in de uitspraak van 2 augustus 2017 (ECLI:NLRVS:2017:2081) bepaald dat de bestuursrechter eveneens bevoegd is in die gevallen dat de gevraagde vergoeding is beperkt tot het maximaal te vorderen bedrag van

€ 25.000,-, ook als voorafgaand aan de indiening van het verzoek al duidelijk is dat de hoogte van de schadevergoeding waarop aanspraak wordt gemaakt dit bedrag overstijgt. Nu eiser heeft verzocht voor recht te verklaren dat de totale schade € 144.391,15 bedraagt en de geleden schade toe te wijzen tot een bedrag van ten hoogste € 25.000,- is de bestuursrechter bevoegd.

Voorts is het door eiser ingediende verzoek te kwalificeren als een verzoek om schadevergoeding in de zin van artikel 8:90 van de Awb. Ingevolge het eerste lid van dit artikel wordt het verzoek schriftelijk ingediend bij de bestuursrechter die bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het besluit. Ingevolge het tweede lid van dit artikel vraagt de belanghebbende ten minste acht weken voor het indienen van het verzoekschrift het betrokken bestuursorgaan schriftelijk om vergoeding van de schade. Eiser heeft met zijn brieven van 9 november 2018 en 18 oktober 2017 aan beide vereisten voldaan. Dat het verzoek niet-ontvankelijk zou zijn omdat het niet gericht is aan het juiste bestuursorgaan, volgt de rechtbank niet. De last tot sluiting van het pand is afgegeven door de burgemeester van Den Haag. Uit het dossier blijkt dat verzoeker het schadevergoedingsverzoek aan de Afdeling Risicomanagement van de gemeente Den Haag heeft gericht, omdat eerdere schadevergoedingsverzoeken intern zijn doorgeleid naar voornoemde afdeling. Uit de reactie op het schadevergoedingsverzoek van 8 maart 2018 blijkt eveneens dat het verzoek is afgehandeld door de Afdeling Risicomanagement namens de burgemeester van Den Haag. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verzoek, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, ontvankelijk is.

5.2

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van een onrechtmatig besluit tot sluiting van het pand. Partijen zijn verdeeld over de vraag of sprake is van causaal verband tussen dit onrechtmatige besluit en de geleden schade.

De gestelde schade vloeit volgens verzoeker voort uit het niet langer kunnen voortzetten van de onderneming, waardoor omzet is misgelopen, sprake is van gederfde goodwill, een huurachterstand is ontstaan en kosten zijn gemaakt om een nieuwe onderneming te beginnen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de last tot sluiting van het pand waarin de onderneming was gevestigd, echter niet automatisch tot gevolg gehad dat de onderneming niet langer kon worden voortgezet en dat omzet is misgelopen. Verweerder heeft zich in dit kader niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de onderneming na sluiting van het pand had kunnen worden voortgezet door een andere opslagruimte te huren. Het pand betrof immers een generieke opslagruimte. Echter, van een voortzetting van de bedrijfsvoering is tijdens de detentie van [verzoeker] niet gebleken. Dit dient voor rekening en risico van verzoeker te komen. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van enig causaal verband tussen de onrechtmatige last tot sluiting en het mislopen van omzet, gederfde goodwill en investeringskosten om een nieuwe onderneming te beginnen. Gelet hierop wordt hetgeen omtrent de berekening van de misgelopen winst en diverse kostenposten is aangevoerd, buiten beschouwing gelaten.

Voorts is de rechtbank met verweerder van oordeel dat evenmin het causaal verband tussen de huurschuld en de sluiting aannemelijk is gemaakt. Daarbij is, naast hetgeen hiervoor over het voortzetten van de bedrijfsvoering is opgemerkt, van belang dat verzoeker deze post onvoldoende heeft onderbouwd, de huurverplichting al geruime tijd vóór de sluiting is aangegaan en de gevorderde huurachterstand op een veel langere periode ziet dan de periode dat de opslagruimte gesloten is geweest. Tenslotte is ook het causaal verband tussen de gevorderde immateriële schade en de sluiting niet aannemelijk geworden.

5.3

Ten aanzien van het verzoek om het opleggen van een dwangsom vanwege het niet tijdig reageren op het verzoek oordeelt de rechtbank als volgt. In de Memorie van Toelichting bij de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten is opgemerkt dat geen nadere voorschriften zijn opgenomen voor het geval het bestuursorgaan niet of pas na afloop van de achtwekentermijn op de kennisgeving reageert (Kamerstuk 32621, 3, p. 50). Hieruit kan worden afgeleid dat niet is beoogd een schadevergoedingsverzoek aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 4:1 e.v. waardoor onder meer de dwangsomregeling van artikel. 4:17 van toepassing zou zijn. Onder deze omstandigheden is een dwangsom dan ook niet aan de orde.

6. De rechtbank wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroon - Overdijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.