Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:11683

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-11-2019
Datum publicatie
05-11-2019
Zaaknummer
C-09-579787-KG ZA 19-859
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De minister moet de beslissing op het gratieverzoek van eiser binnen twee maanden herroepen en opnieuw op het verzoek beslissen. Het positieve advies van de strafrechter is leidend. De minister mocht daarvan niet afwijken op grond van een andere, eigen, weging van de feiten en omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/579787 / KG ZA 19/859

Vonnis in kort geding van 5 november 2019

in de zaak van

[eiser] te [plaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. R.J. Wybenga te Rotterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de akte houdende een wijziging van eis;

- de bij de mondelinge behandeling door beide partijen overgelegde pleitnotities.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2019. Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Bij op 1 juli 1985 onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 oktober 1984 is [eiser] veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens een schietpartij in café “ [het Cafe] ” te [plaats 2] op [datum], waarbij zes doden vielen en enkele gewonden. In verband met dat strafbare feit is [eiser] op 7 april 1983 in detentie genomen.

2.2.

Een op 11 maart 1998 ingediend gratieverzoek is aanleiding geweest voor een onderzoek naar [eiser] en een advies hem te laten opnemen in een tbs-kliniek.

2.3.

Na overleg tussen de minister van Justitie en [de kliniek] (hierna: de kliniek) is [eiser] op 31 augustus 2001 opgenomen in de kliniek.

2.4.

Nadien hebben tussen partijen verschillende procedures plaatsgevonden, onder meer in kort geding, over aan [eiser] toe te kennen verloven en tussen partijen te voeren overleg.

2.5.

Op 3 november 2016 is aan [eiser] transmuraal verlof toegekend vanaf 11 november 2016.

2.6.

Op 10 maart 2017 heeft [eiser] een gratieverzoek ingediend (hierna: het derde gratieverzoek). Het Openbaar Ministerie (OM) heeft geadviseerd dat gratieverzoek af te wijzen. Het adviserende gerecht in de zin van artikel 4 Gratiewet (hierna: de strafrechter) heeft geadviseerd dat gratieverzoek toe te wijzen.

2.7.

Op 13 september 2018 is door de kliniek een evaluatierapport uitgebracht van het aan [eiser] verleende transmuraal verlof. In dat rapport staat onder meer vermeld:

4.3 Recidiverisico, inclusief schadekansen, en risico op ongeoorloofde aanwezigheid

Het risico op gewelddadig gedrag wordt zowel bij transmuraal verblijf als in geval van een voorwaardelijke gratiëring op laag ingeschat. Zonder een begeleidend kader van forensisch psychiatrische behandeling wordt het risico van terugval in gewelddadig gedrag als laag tot matig ingeschat. Met name valt daarbij te denken aan een situatie waarin de heer [eiser] ervaart dat hijzelf dan wel zijn gezin wordt bedreigd, en hij zich langdurig zou isoleren van mensen die hem zouden kunnen bijsturen of helpen. De kans dat dit scenario optreedt en zal leiden tot ernstig gewelddadig gedrag, wordt echter op basis van zijn toegenomen vermogen om gebruik te maken van steunende anderen als gering ingeschat.

(...)

5.5

Koers en prognose

(...) In de onderhavige periode verloopt de begeleiding soms meer moeizaam, op enige moment zelfs dusdanig dat wordt besloten tot een tijdelijke terugplaatsing in de kliniek (...). Hierbij dient vermeld dat de terugplaatsing wordt ingezet om de samenwerking te herstellen, niet om reden van eventueel oplopende recidiverisico’s. Gedurende de gehele transmurale periode wordt geconstateerd dat van enig (potentieel) risicovol gedrag of verhoging van het recidiverisico geen sprake is. Deze constatering geldt ook voor de onderhavige periode.”

Deze tekst onder 4.3, over het recidiverisico, komt overeen met de tekst over het recidiverisico in de rapportage van de kliniek uit 2017 die ten behoeve van de gratieprocedure was opgesteld.

2.8.

Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 21 december 2018 is de Staat geboden om binnen twee maanden ter zake van het derde gratieverzoek een voordracht in te dienen bij het Kabinet van de Koning.

2.9.

Op 11 februari 2019 heeft Reclassering Nederland advies uitgebracht over de vraag of bijzondere voorwaarden zouden moeten gelden bij verlening van gratie. Reclassering Nederland adviseerde dat op basis van de inschatting van het recidiverisico geen bijzondere voorwaarden geïndiceerd zijn bij eventuele gratie.

2.10.

Bij brief van 28 februari 2019 heeft de minister voor Rechtsbescherming (hierna: de minister) aan [eiser] bericht dat hij het gratieverzoek met Koninklijke machtiging afwijst.

2.11.

Op 25 maart 2019 heeft [eiser] opnieuw een gratieverzoek ingediend (hierna: het vierde gratieverzoek).

2.12.

Bij vonnis in kort geding van 17 april 2019 heeft deze voorzieningenrechter geoordeeld dat de minister in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot afwijzing van het derde gratieverzoek en heeft hij de Staat veroordeeld om binnen vier weken de beslissing van de minister van 28 februari 2019 tot afwijzing van het derde gratieverzoek te (doen) herroepen en opnieuw te (doen) beslissen met inachtneming van het oordeel van de voorzieningenrechter over het besluit tot afwijzing van het gratieverzoek.

2.13.

De Staat heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 17 april 2019. Bij mondeling arrest van 6 mei 2019, zoals schriftelijk uitgewerkt op 14 mei 2019, heeft het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en de Staat veroordeeld om het vierde gratieverzoek in behandeling te nemen en daarop binnen vier maanden te beslissen. Het Hof heeft daarbij overwogen:

19. Naar het voorlopig oordeel van het hof zijn de redenen die in de afwijzing van het gratieverzoek worden gegeven om af te wijken van het hofadvies, niet van dien aard dat zij die afwijking kunnen rechtvaardigen. Zij houden veeleer een andere weging in van de in het hofadvies meegewogen belangen, dan dat zij daaraan (nieuwe) feiten en omstandigheden toevoegen die maken dat een afwijking van dat advies gerechtvaardigd is.

(...)

22. In grief 3 voert de Staat ten slotte aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte de primaire vordering heeft toegewezen zoals in het dictum geformuleerd en de Staat ten onrechte in de kosten heeft veroordeeld. Het hof ziet zich daarmee gesteld voor de vraag of, en zo ja onder welke voorwaarden, de vorderingen van [geïntimeerde] voor toewijzing in aanmerking komen. [geïntimeerde] vordert primair en subsidiair dat de Staat zal worden veroordeeld om op de voet van artikel 9 Gratiewet een voordracht te doen aan de Kroon, inhoudende dat [geïntimeerde] onvoorwaardelijk gratie zal worden verleend.

23. De Staat heeft echter in dit verband terecht aangevoerd dat het verlenen van gratie een bevoegdheid van de Kroon is. De inhoud van de gratiebeslissing kan dan ook niet door de rechter worden voorgeschreven. De primaire en subsidiaire vordering van [geïntimeerde] komen om die reden niet voor toewijzing in aanmerking. Indien het hof een van die vorderingen zou toewijzen, zou het daarmee immers de Kroon voorschrijven hoe op het gratieverzoek zou moeten worden beslist, hetgeen niet past bij het karakter van het gratie-instrument. Dat geldt ook (zij het in mindere mate) indien het hof de Staat zou gelasten een voordracht te doen met inachtneming van hetgeen in dit arrest is overwogen. Grief 3 slaagt in zoverre.”

2.14.

De Staat heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 6 mei 2019. [eiser] heeft een cassatiemiddel in incidenteel beroep ingesteld.

2.15.

De Staat heeft het vierde gratieverzoek, conform het oordeel van het hof in het arrest van 6 mei 2019, versneld doen behandelen. Het OM heeft op 10 juli 2019 geadviseerd het vierde gratieverzoek af te wijzen. De strafrechter heeft op 23 juli 2019 geadviseerd het vierde gratieverzoek toe te wijzen. In dat advies is onder meer te lezen:

“Het gerechtshof Den Haag heeft (...) de volgende stukken gezien:

- een evaluatierapport van [de kliniek] d.d. 13 september 2018 (...);

(...)

- een reclasseringsadvies betreffende de verzoeker van Reclassering Nederland d.d. 11 februari 2019 (...);

(...)

Het hof stelt vast dat op basis van voornoemd evaluatierapport en het uitgebrachte reclasseringsadvies geen aanleiding bestaat om met betrekking tot recidiverisico thans anders te oordelen dan in zijn advies van 6 september 2018.

Dat geldt ook ten aanzien van de delictgevaarlijkheid van de verzoeker, het gedrag en de ontwikkeling van de levenslanggestrafte gedurende zijn detentie en de impact op de slachtoffers en nabestaanden en in de sleutel daarvan de vergelding, zoals verwoord in dat advies.

De verzoeker maakt naar ’s hofs oordeel nog immer een blijvend positieve ontwikkeling door. Van een – voor het recidiverisico relevante – persoonlijkheidsstoornis is nauwelijks sprake meer.

De omstandigheid dat de verzoeker tijdelijk is teruggeplaatst in de kliniek, zoals door de advocaat-generaal benoemd, leidt niet tot een ander oordeel. Deze tijdelijke terugplaatsing heeft immers alleen verband gehouden met de omstandigheid dat de verzoeker zich op het gebied van werk, financiën en bij het zoeken naar een eigen huurwoning onvoldoende liet begeleiden, doch niet om reden van eventueel oplopende recidiverisico’s. In dit verband is van belang dat er van structurele vijandigheid noch van enig (potentieel) risicovol (agressief) gedrag of verhoging van het recidiverisico sprake is geweest.

De verzoeker functioneert psychisch stabiel en beschikt over werk en inkomen. Van alcoholgebruik is geen sprake meer. (...)

Het risico op gewelddadig gedrag moet nog immer worden ingeschat als laag; als matig, indien zich een situatie voordoet waarin de verzoeker ervaart dat hijzelf dan wel zijn gezin wordt bedreigd en hij zich daarbij langdurig zou isoleren van mensen die hem zouden kunnen bijsturen of helpen. De kans dat dit scenario optreedt en zal leiden tot ernstig gewelddadig gedrag, moet echter gezien het evaluatierapport op basis van verzoekers toegenomen vermogen om gebruik te maken van steunende anderen als gering worden ingeschat.

Nu ook overigens niet van feiten en omstandigheden is gebleken die zouden moeten leiden tot een andersluidend oordeel, brengt het vorenstaande het hof, alles afwegende, niet tot een ander advies dan verwoord in zijn op 6 september 2018 gegeven advies. Met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan wordt geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid gediend.”

2.16.

Op 2 augustus 2019 is door de kliniek een nieuw evaluatierapport uitgebracht van het aan [eiser] verleende transmuraal verlof. In dat rapport is met betrekking tot het recidiverisico vermeld:

“Het risico op gewelddadig gedrag wordt zowel bij transmuraal verlof als in geval van een voorwaardelijke gratiëring als laag ingeschat. Wanneer zich zonder een begeleidend kader van forensisch toezicht een situatie voordoet waarbij er grote onrust ontstaat in de media en/of woonomgeving van de heer [eiser] en hijzelf of zijn gezin (direct) worden bedreigd, kan niet volledig worden uitgesloten dat hij zal reageren met verbaal of in het uiterste geval met mild fysiek gewelddadig gedrag. Dit risico wordt ingeschat als laag tot matig . Eerder wordt echter verwacht dat hij zich zal wenden tot familie of andere steunende anderen en dat hij de confrontatie zal vermijden. De kans dat de heer [eiser] zal terugvallen in ernstig gewelddadig gedrag wordt – ook wanneer hem geen (forensische) begeleiding of toezicht wordt geboden – ingeschat als laag .”

2.17.

Bij brief van 5 september 2019 heeft de minister het vierde gratieverzoek, met koninklijke machtiging, afgewezen. De minister heeft daarbij onder meer overwogen:

“De strafrechter heeft in zijn nadere advies, kort gezegd, opgenomen dat het evaluatieverslag van 13 september 2018 geen verandering brengt in zijn eerdere beoordeling. Ik kan dat niet volgen. Aan het rapport van [de kliniek] dat is opgesteld met het oog op de beoordeling van het gratieverzoek van 10 maart 2017 en waarop de strafrechter mede zijn positieve advies heeft gebaseerd, ontleen ik, met de strafrechter, dat het risico op gewelddadig gedrag zonder een begeleidend kader op de lange termijn als laag tot matig wordt ingeschat. Daarbij valt volgens [de kliniek] met name te denken aan een situatie waarin u ervaart dat uzelf dan wel uw gezin wordt bedreigd en u zich langdurig zou isoleren van mensen die u zouden kunnen bijsturen of helpen. De kans dat zich zo’n situatie zal voordoen wordt gezien uw toegenomen vermogen om gebruik te maken van steunende anderen als gering ingeschat. Het evaluatieverslag van 13 september 2018 bevat echter –recentere- informatie op basis waarvan ik nu juist vraagtekens plaats bij uw vermogen om een beroep te doen op steunende anderen als dat nodig is. De strafrechter gaat daarop in zijn nadere advies in het geheel niet in, en volstaat met de overweging dat het recidiverisico volgens het evaluatieverslag niet is verhoogd. Het recidiverisico werd door [de kliniek] ingeschat als laag tot matig en dat is volgens het evaluatieverslag niet veranderd. Dat is op zichzelf juist, maar dat is wat anders dan de inschatting van de kans dat zich een risicovolle situatie voordoet, waarin uw vermogen om een beroep te doen op anderen wezenlijk is.

Uit het evaluatierapport volgt dat structuur voor u, ook in de toekomst, van belang blijft en dat sturing en begeleiding nodig zijn. De afgelopen tijd was sprake van een moeizamere samenwerking met uw behandelaars, omdat u verschillende keren geneigd was vooral naar eigen inzicht te handelen en niet in overeenstemming met hetgeen was vastgesteld in overleg met het behandelingsteam. Door zelfoverschatting en behoefte aan autonomie, die zijn blijven bestaan, verdraagt u moeizaam hulp en sturing. U gaat toenemend uw eigen gang. Dat heeft in de in het evaluatierapport beschreven periode geleid tot een moeizamere samenwerking en zelfs tot een tijdelijke terugplaatsing, wat is te kwalificeren als een forse maatregel. Weliswaar wordt in het evaluatierapport gesteld dat dat niet heeft geleid tot een verhoging van het recidiverisico, maar daarmee bestaan bij mij nog wel twijfels over uw vermogen om in geval van oplopende stress gebruik te maken van steunende anderen en daarmee over de kans dat zich een risicovolle situatie kan voordoen.

De strafrechter is daaraan in zijn nadere advies voorbij gegaan. Ik kan daar niet aan voorbijgaan en ik kan dat advies daarom niet volgen. De strafbare feiten die u hebt gepleegd en waarvoor aan u een levenslange gevangenisstraf is opgelegd kennen hun weerga niet of nauwelijks en zijn van een zodanige ernst dat ik van oordeel ben dat gratiëring in principe pas aan de orde is als het recidiverisico zonder meer als laag wordt ingeschat. In uw geval acht ik gezien de eerdere inschatting van [de kliniek] van de kans dat zich een risicovolle situatie voordoet gratiëring niet zonder meer uitgesloten, maar ik meen wel dat uiterst precies naar de risico’s moet worden gekeken en dat risico’s moeten worden vermeden.

De hiervoor beschreven serieuze twijfels, juist op het punt van het zoeken van steun bij oplopende spanningen, maken dat ik niet tot gratieverlening kan besluiten zolang die twijfels blijven bestaan. Ik moet aannemen dat uw gedrag in de afgelopen periode, zoals beschreven in het evaluatierapport, iets zegt over de wijze waarop u zich zult opstellen in en richting de samenleving als er geen begeleiding meer is. Ik moet er echter voldoende van op aan kunnen dat als de spanning oploopt u steun zoekt én die steun ook aanvaardt in plaats van dat uw zelfoverschatting en behoefte aan autonomie de overhand nemen, zoals blijkens het evaluatierapport in de afgelopen periode is gebeurd, ook al heeft dat toen nog niet geleid tot een risicovolle situatie. Waar juist op dit punt in het evaluatieverslag een achteruitgang is te constateren, vind ik gelet op de ernst van de strafbare feiten die u hebt gepleegd en de enorme impact die die feiten op de maatschappij en in het bijzonder de slachtoffers en nabestaanden hebben, gratiëring op dit moment niet verantwoord en zie ik geen ruimte voor gratie. Zeker nu het hof in zijn nadere advies niet op dit aspect is ingegaan, is er hiermee naar mijn oordeel sprake van zodanige, bijzondere omstandigheden dat ik er niet toe kan worden gehouden het nadere advies van de strafrechter te volgen.”

2.18.

Op 18 september 2019 heeft [eiser] een nieuw gratieverzoek ingediend (hierna: het vijfde gratieverzoek).

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, na wijziging van eis, zakelijk weergegeven, de Staat te veroordelen:

primair:

I. [eiser] met onmiddellijke ingang te behandelen als ware aan hem gratie verleend, onder de bepaling dat het op [eiser] uitgeoefende toezicht door de [Stichting] te [plaats 1] is te beschouwen als te zijn beëindigd;

II.

( a) de beslissing van de minister van 5 september 2019 te (doen) herroepen en [eiser] dienovereenkomstig binnen twee weken schriftelijk te berichten;

( b) het daarheen te leiden dat een positieve voordracht tot onvoorwaardelijke gratieverlening binnen twee weken wordt ingediend bij (het kabinet van) de Koning;

( c) het daarheen te leiden dat binnen zes weken opnieuw op het vierde gratieverzoek wordt beslist;

subsidiair:

zoals onder primair, sub I en II(a), en voorts:

( b) opnieuw op het vierde gratieverzoek te beslissen, onder de bepaling dat de Staat aan de advocaat van [eiser] binnen vier weken een concept dient te zenden van de nieuwe voordracht van de minister aan (het kabinet van) de Koning en zich zal onthouden van indiening van die voordracht totdat [eiser] de inhoud daarvan in kort geding heeft doen toetsen, tenzij partijen overeenstemming hebben bereikt over de inhoud van de voordracht;

( c) binnen dertien weken te (doen) beslissen op het vierde gratieverzoek;

meer subsidiair:

zoals onder primair, sub I, en voorts:

II.

( a) het vijfde gratieverzoek in behandeling te nemen;

( b) binnen twee weken een verslag van bevindingen op te stellen en aan de strafrechter te zenden;

( c) het daarheen te leiden dat binnen acht weken een positieve voordracht tot gratieverlening wordt ingediend bij (het kabinet van) de Koning;

( d) binnen tien weken te (doen) beslissen op het vijfde gratieverzoek;

uiterst subsidiair:

zoals onder primair, sub I, en onder meer subsidiair, sub II (a) en (b), en voorts:

c. binnen acht weken aan de advocaat van [eiser] te doen toekomen een concept van de voordracht van de minister aan (het kabinet van) de Koning en zich te onthouden van indiening van die voordracht totdat [eiser] de inhoud daarvan in kort geding heeft doen toetsen, tenzij partijen overeenstemming hebben bereikt over de inhoud van de voordracht;

d. binnen dertien weken te (doen) beslissen op het vijfde gratieverzoek;

alles op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de werkelijke proceskosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. De beslissing op het vierde gratieverzoek ontbeert (wederom) een draagkrachtige motivering. Bijzondere omstandigheden die kunnen leiden tot afwijking van het positieve advies van de strafrechter ontbreken. De gratiebeslissing van 5 september 2019 kan niet in stand blijven, althans er bestaat aanleiding het vijfde gratieverzoek van [eiser] versneld te doen behandelen.

3.3.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de Staat, gegeven alle omstandigheden, in redelijkheid heeft kunnen komen tot afwijzing van het vierde gratieverzoek. Bij de beoordeling daarvan wordt het volgende vooropgesteld. Het verlenen van gratie is een bevoegdheid van de Kroon. In artikel 122 van de Grondwet is bepaald dat gratie wordt verleend na advies van een bij wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften. Die voorschriften zijn neergelegd in de Gratiewet. In artikel 2 van de Gratiewet is bepaald dat gratie kan worden verleend:

a. a) op grond van enige omstandigheid, waarmede de rechter op het tijdstip van zijn beslissing geen of onvoldoende rekening heeft gehouden of kunnen houden en die, ware zij op dat tijdstip wel of voldoende bekend geweest, hem aanleiding zou hebben gegeven tot het opleggen van een andere straf of maatregel, of tot het afzien daarvan, dan wel

b) indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend.

4.2.

Op grond van de Gratiewet wordt de beslissing op een gratieverzoek door de Kroon genomen. De feitelijke gang van zaken is dat de minister een beslissing neemt bij koninklijke machtiging. Gelet hierop zal hierna worden gesproken over de beslissing van de minister op het gratieverzoek.

4.3.

Artikel 4 van de Gratiewet bepaalt dat de minister advies moet inwinnen van het gerecht dat de straf of maatregel heeft opgelegd (in dit vonnis ook aangeduid met: de strafrechter), alvorens op het gratieverzoek te beslissen. Wanneer het gratieverzoek wordt afgewezen, dient de verzoeker daarvan op grond van artikel 18 lid 2 Gratiewet onder opgaaf van redenen in kennis te worden gesteld. De Gratiewet voorziet niet in een rechtsmiddel tegen een negatieve beslissing op het verzoek tot verlening van gratie. Zoals ook destijds tijdens de parlementaire behandeling van het voorstel voor de Gratiewet werd opgemerkt, kan de veroordeelde in dat geval het oordeel inroepen van de burgerlijke rechter. Deze kan beoordelen of de negatieve beslissing op het verzoek, in het licht van de eisen die artikel 3 EVRM stelt, onrechtmatig is. Die beoordeling richt zich met name op de argumenten die voor de negatieve beslissing zijn genoemd. Een deugdelijke motivering van de negatieve beslissing omtrent gratieverlening is in het bijzonder van belang indien wordt afgeweken van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd. Dit advies is namelijk in beginsel leidend bij het nemen van de beslissing op het verzoek om gratieverlening (aldus HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185, r.o. 3.5.4.). Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het gratie-instrument er niet toe strekt de Kroon in de gelegenheid te stellen van een van de rechter afwijkend inzicht te doen blijken omtrent de strafrechtstoepassing, maar om ertoe bij te dragen dat door de onafhankelijke rechter opgelegde sancties in overeenstemming met eisen van rechtvaardigheid, humaniteit en doelmatigheid ten uitvoer worden gelegd. Daaruit blijkt eveneens dat het rechterlijk advies zwaar weegt (Kamerstukken II 1984/85, nr. 19 075, nr. 3, p. 14-15 en Handelingen II 1986/87, 85-4303). De wetgever heeft voor ogen gestaan dat de beslissing op het gratieverzoek alleen kan afwijken van het rechterlijk advies als zich bijzondere omstandigheden voordoen (zie ook: Gerechtshof Den Haag 5 april 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:952, r.o. 3.4.).

4.4.

De strafrechter heeft in de zaak van [eiser] geadviseerd tot toewijzing van het vierde gratieverzoek. De minister heeft de strafrechter daarin niet gevolgd. Beoordeeld moet worden of in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat van het advies van de strafrechter in redelijkheid kon worden afgeweken.

4.5.

Ter zitting hebben partijen het meest recente evaluatierapport van 2 augustus 2019 aan de orde gesteld. Uit dat rapport volgt dat alleen het risico op mild gewelddadig gedrag onder bepaalde omstandigheden en “in het uiterste geval” als “laag tot matig” wordt ingeschat. De kans dat [eiser] zal terugvallen in ernstig gewelddadig gedrag wordt, in alle gevallen, ingeschat als laag. [eiser] stelt zich op het standpunt dat uit dit rapport volgt dat er reden te meer bestaat om zijn gratieverzoek toe te wijzen, terwijl de Staat zich op het standpunt stelt dat het nieuwe evaluatierapport afwijkt van het rapport dat in het kader van de gratieprocedure is opgesteld, zonder dat daarvoor een verklaring wordt gegeven en dat het rapport om die reden vragen oproept die een te centraal aspect van de beslissing betreffen om daar zonder meer overheen te stappen. Daarnaast heeft de Staat aangevoerd in deze zaak geen of minder belang te hechten aan het evaluatierapport van 2 augustus 2019 omdat dat niet specifiek ten behoeve van de gratieprocedure is opgesteld, maar in het kader van het lopend transmuraal verlof. Nu dit evaluatierapport dateert van ná het advies van de strafrechter en niet ten grondslag is gelegd aan de afwijzende beslissing van de minister op het vierde gratieverzoek, is de discussie van partijen hierover, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, niet relevant voor de beantwoording van de vraag of van het advies van de strafrechter mocht worden afgeweken. Op de visie van de Staat over dit rapport zal evenwel later in dit vonnis worden teruggekomen in een ander verband.

4.6.

De minister heeft aan zijn afwijzende beslissing van het vierde gratieverzoek – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat uit het evaluatierapport van 13 september 2018 volgt dat de zelfoverschatting en behoefte aan autonomie van [eiser] in de afgelopen periode de overhand hebben genomen, dat [eiser] toenemend zijn eigen gang gaat en dat zijn gedrag heeft geleid tot een meer moeizame samenwerking en zelfs tot een tijdelijke terugplaatsing in de kliniek. Om die reden heeft het evaluatierapport van 13 september 2018 bij de minister geleid tot serieuze twijfels over het vermogen van [eiser] om in geval van oplopende stress gebruik te maken van steunende anderen en daarmee over de kans dat zich een risicovolle situatie zal voordoen. De minister vindt gratiëring niet verantwoord omdat hij er onvoldoende van op aan kan dat [eiser] als de spanning oploopt steun zoekt en die steun ook aanvaardt. Volgens de minister is de strafrechter daaraan in zijn (nadere) advies voorbijgegaan.

4.7.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze motivering evident onvoldoende draagkracht heeft om van het advies van de strafrechter af te kunnen wijken. Daartoe is het volgende redengevend.

4.8.

Volgens het Hof moet het, om af te kunnen wijken van het advies van de strafrechter, gaan om (nieuwe) feiten of omstandigheden waarmee de strafrechter in zijn advies over het gratieverzoek geen rekening heeft gehouden (Gerechtshof Den Haag 6 mei 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1167, waarvan ook delen zijn geciteerd onder 2.13.). Het Hof is aldus van oordeel dat slechts in dat geval sprake is van “bijzondere omstandigheden”, zoals bedoeld door de wetgever. De inhoud van het evaluatierapport van 13 september 2018, en de passages in dat rapport waarop is gewezen bij afwijzing van het meest recente gratieverzoek, kunnen niet als zodanig worden beschouwd. Dat rapport dateert immers van vóór 23 juli 2019, de datum waarop de strafrechter zijn advies heeft uitgebracht. Uit het advies blijkt met zoveel woorden dat de strafrechter de beschikking heeft gehad over dat rapport en de inhoud van dat rapport heeft meegewogen bij zijn advisering. De strafrechter heeft dan ook kenbaar rekening gehouden met dit rapport. De beslissing van de minister berust in feite op een andere, eigen, weging van de informatie van deskundigen die voorhanden is dan de weging daarvan zoals die door de strafrechter is gedaan. Dat gaat, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, te ver. Zoals onder 4.2. al is overwogen, heeft de wetgever niet beoogd de minister de bevoegdheid toe te kennen zijn mening in plaats van die van het adviserend gerecht te stellen. Bovendien geldt nog dat, mocht de minister – zoals de Staat aanvoert – werkelijk van oordeel zijn geweest dat de strafrechter relevante aspecten uit het evaluatierapport over het hoofd heeft gezien, het op zijn weg had gelegen om aanvulling van het advies te vragen op grond van artikel 6 lid 2 van de Gratiewet. De Staat heeft aangevoerd dat de door het Hof gegeven termijn om op het vierde gratieverzoek te beslissen daarvoor te kort was, maar dat verweer zal worden gepasseerd. De Staat heeft in het geheel geen pogingen ondernomen om dat (mogelijke) probleem op een praktische wijze op te lossen, terwijl daartoe mogelijkheden denkbaar waren geweest. Maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter is kern van de zaak dat de strafrechter het evaluatierapport van 13 september 2018 kenbaar heeft meegenomen in de advisering. Niets wijst er op dat hij in dat rapport iets over het hoofd heeft gezien of iets niet naar behoren heeft meegewogen.

4.9.

Daarbij komt dat het evaluatierapport van 13 september 2018 ook inhoudelijk onvoldoende houvast biedt voor de visie dat het recidiverisico anders beoordeeld behoort te worden dan in het advies van de strafrechter is gebeurd. Op zichzelf is juist dat de hoogte van het recidiverisico samenhangt met het vermogen van [eiser] om een beroep te doen op steunende anderen. Maar in het rapport staat expliciet genoemd dat ook bij de terugplaatsing van [eiser] in de kliniek geen sprake is geweest van terugval in delictgerelateerd gedrag en ook niet van verhoogde risico’s. De deskundigen concluderen dat de omstandigheden waarop de afwijzing van het verzoek is gebaseerd geen verandering hebben gebracht in het recidiverisico. Ook de kans dat zich een bepaald scenario voordoet waarin het recidiverisico als laag tot matig wordt ingeschat, is blijkens het rapport niet veranderd, en blijft dus gering. De visie van de strafrechter correspondeert met deze conclusie van de deskundigen.

4.10.

Gelet op het voorgaande heeft de minister in redelijkheid niet kunnen komen tot (deze) afwijzing van het vierde gratieverzoek van [eiser] . Vervolgens rijst de vraag wat de consequentie is van deze constatering. In de eerdere kortgedingprocedure (zie onder 2.13.) heeft het Hof geoordeeld dat de redenen die in de afwijzing van het derde gratieverzoek werden gegeven om af te wijken van het advies van de strafrechter ook toen niet van dien aard waren dat zij die afwijking konden rechtvaardigen. Het uitgangspunt dat gratieverlening een bevoegdheid is van de Kroon heeft het Hof er in die procedure toe gebracht de Staat te veroordelen het vierde gratieverzoek versneld in behandeling te nemen. Ook de voorzieningenrechter neemt tot uitgangspunt dat de inhoud van een gratiebeslissing niet door de rechter kan worden voorgeschreven. Dat maakt dat de primaire vordering als genoemd onder I niet voor toewijzing in aanmerking komt. De rechter heeft niet de bevoegdheid om gratie te verlenen en de vordering die ertoe strekt om [eiser] te behandelen als ware hem gratie verleend, komt in feite neer op gratieverlening. Nu ook de inhoud van de voordracht tot het al dan niet verlenen van gratie niet kan worden voorgeschreven door de rechter, komt de primaire vordering als genoemd onder II sub b evenmin voor toewijzing in aanmerking.

4.11.

Hiervoor is al overwogen dat op grond van de parlementaire geschiedenis buiten kijf staat dat de (civiele) rechter tot het oordeel kan komen dat een negatieve beslissing op een gratieverzoek onrechtmatig is. Dat enkele oordeel zou zinledig zijn indien daaraan geen consequentie kan worden verbonden die ertoe leidt dat de geconstateerde onrechtmatigheid zal worden opgeheven. Geconcludeerd moet worden dat een veroordeling van de Staat om een nieuw gratieverzoek (versneld) in behandeling te nemen een onvoldoende adequate maatregel is. Daarmee wordt de onrechtmatigheid van de afwijzende beslissing niet weggenomen en kan het nieuwe gratieverzoek opnieuw worden afgewezen met een ontoereikende motivering, zoals in dit geval is gebeurd. Dat leidt tot een vicieuze cirkel.

4.12.

Eiser heeft gesteld dat uit alles blijkt dat de Staat hoe dan ook niet voornemens is gratie aan hem te verlenen en dat die vicieuze cirkel dus daadwerkelijk zal ontstaan. Ook de voorzieningenrechter kan zich aan die indruk niet onttrekken. Daarbij moet het volgende worden bedacht.

4.13.

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in een aantal uitspraken geoordeeld dat detentie zonder legitieme strafdoelen niet beantwoordt aan het EVRM en dat het aspect van vergelding na een gevangenisstraf van 25 jaar niet zonder meer een gerechtvaardigd strafdoel is. Voorts legt de jurisprudentie van het EHRM de overheid de positieve verplichting op de rehabilitatie van de veroordeelde mogelijk te maken en een daarop gebaseerd resocialisatiebeleid te voeren, waarvan een herzieningsmogelijkheid onderdeel dient te zijn. Bij deze herzieningsmogelijkheid dient de resocialisatie van de veroordeelde te worden afgewogen tegen de andere strafdoelen (zie onder meer EHRM 9 juli 2013, appl. nrs. 66069/09, 130/10, 3896/10 in de zaak van Vinter en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk). Ondanks deze duidelijke lijn in de rechtspraak zijn in het verleden gerechtelijke bevelen noodzakelijk gebleken om (verdere) resocialisatie van [eiser] mogelijk te maken, bijvoorbeeld door het toekennen van verloven, en ook om tot toetsing van zijn situatie te komen in het kader van gratieverzoeken. Aldus lijkt de Staat onwillig te zijn (geweest) om de richtlijnen zoals die voortvloeien uit de EHRM-jurisprudentie toe te passen in de zaak van [eiser] .

4.14.

Daarnaast zijn de beslissingen op het derde en vierde gratieverzoek van [eiser] gegrond op een weging van omstandigheden die niet te rijmen is met de bevindingen van de betrokken deskundigen. In de motivering van die beslissingen wordt op selectieve wijze belang gehecht aan elementen uit de verschillende deskundigenrapporten. De Staat heeft aangevoerd meer waarde te hechten aan een rapport uit 2017 dat ten behoeve van de gratieprocedure tot stand is gekomen dan aan een recent evaluatierapport van 2 augustus 2019 dat in het kader van het transmuraal verlof is opgesteld (zoals ook onder 4.4. is vermeld). Dat is niet goed te begrijpen in het licht van de gronden voor de afwijzende beslissing op het vierde gratieverzoek. Blijkens de motivering van die beslissing hebben bepaalde omstandigheden die in het evaluatierapport van 13 september 2018 worden omschreven immers een bijzonder groot gewicht in de ogen van de minister. Ook dat rapport is niet ten behoeve van de gratieprocedure opgesteld, maar in het kader van het transmuraal verlof. Daarbij komt dat de Staat vraagtekens heeft geplaatst bij de conclusies in het evaluatierapport van 2 augustus 2019 (zie onder 4.4.), terwijl de Staat anderzijds de deskundigheid van de opstellers daarvan niet ter discussie heeft gesteld. Dat lijkt niet met elkaar te rijmen.

4.15.

Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot de beslissing dat de Staat de beslissing op het vierde gratieverzoek dient te (doen) herroepen met inachtneming van de overwegingen in dit vonnis, en wel binnen een termijn van twee maanden. Indien de Staat niet gehouden zou zijn zich bij een herroeping van dit vonnis te richten naar de overwegingen van de voorzieningenrechter, zou deze uitspraak immers krachteloos zijn en een herroeping zinloos. De voorzieningenrechter merkt hierbij voor de goede orde op dat met deze beslissing niet dwingend wordt voorgeschreven dat de nieuwe beslissing op het vierde gratieverzoek positief dient te zijn. Ook de hiervoor genoemde rechtspraak van het EHRM geeft geen “recht” op een positieve beslissing op een gratieverzoek, zoals de Staat terecht heeft betoogd. Een eventuele nieuwe afwijzing is dan ook denkbaar, maar kan niet op dezelfde redenen worden gegrond. Daarnaast is de mogelijkheid van een voorwaardelijke gratiëring niet in deze uitspraak beoordeeld en dus evenmin uitgesloten.

4.16.

Uit het voorgaande volgt dat de subsidiair, meer subsidiair en uiterst subsidiaire vorderingen geen bespreking meer behoeven. Aangezien de Staat pleegt gerechtelijke uitspraken na te komen, zal geen dwangsom worden opgelegd.

4.17.

De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. [eiser] heeft gevorderd de Staat te veroordelen in zijn werkelijke proceskosten. Uit het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV7828) volgt evenwel dat een veroordeling in de werkelijke proceskosten denkbaar is, maar alleen voor “buitengewone omstandigheden” is bedoeld en dat terughoudendheid hierbij past. De beslissing op het vierde gratieverzoek, die in deze zaak ter discussie staat, is gevolgd op de beslissing van het Hof. Dat de Staat ten onrechte ruimte heeft gezien om het vierde gratieverzoek met voornoemde motivering af te wijzen, maakt niet dat sprake is van een buitengewone omstandigheid zoals door de Hoge Raad bedoeld. Om die reden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de Staat te veroordelen in de werkelijke proceskosten. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

4.18.

[eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging. Eisers met een toevoeging betalen een lager griffierecht. Verder worden in dat geval de kosten van de deurwaarder voor het uitbrengen van het exploot en/of advertentiekosten van rijkswege vergoed. Die kosten zijn dus niet voor rekening van de eisende partij. Gelet op het voorgaande wordt de Staat slechts veroordeeld tot betaling van het lagere griffierecht en tot vergoeding van het – hierna in het dictum vast te stellen – salaris van de advocaat. Deze vergoeding voor het salaris moet door de advocaat worden verrekend met de op grond van de Wet op de rechtsbijstand aan de advocaat toegekende vergoeding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt de Staat om binnen twee maanden na heden de beslissing van de minister voor Rechtsbescherming van 5 september 2019 tot afwijzing van het vierde gratieverzoek van [eiser] te (doen) herroepen en opnieuw te (doen) beslissen met inachtneming van bovenstaande overwegingen;

5.2.

veroordeelt de Staat om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan [eiser] te betalen, tot dusverre aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.061,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 81,-- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten is verschuldigd;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2019.

hvd