Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:11660

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-10-2019
Datum publicatie
05-11-2019
Zaaknummer
awb 18/9829
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

meervoudige kamer, intrekking onbepaalde tijd, inreisverbod, antecedenten, 8 van het EVRM, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/9829

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[naam], eiser,

(gemachtigde: mr. M.S. Yap),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.H.M. Post).

Procesverloop

Eiser heeft op 20 december 2018 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 26 november 2018 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 30 september 2019. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij is naar eigen zeggen op 12 januari 1988 naar Nederland gekomen. Sinds 21 april 1994 is eiser in het bezit van een verblijfsvergunning. Eiser is sindsdien vele malen strafrechtelijk veroordeeld wegens het plegen van misdrijven. Om die reden heeft verweerder op 11 april 2018 de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd van eiser ingetrokken vanaf 28 november 2012 (het primaire besluit). Het primaire besluit is tevens een terugkeerbesluit, waarbij eiser een terugkeertermijn is onthouden. Daarnaast heeft verweerder aan eiser een zwaar inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar. Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Dat bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Op grond van artikel 22, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw1 in samenhang met artikel 3.98 van het Vb2 kan – voor zover relevant - de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden ingetrokken indien de vreemdeling wegens een misdrijf - waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd - bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf of een taakstraf is opgelegd. De totale duur van de opgelegde straffen moet ten minste gelijk zijn aan de norm, bedoeld in artikel 3.86, tweede, derde dan wel vijfde lid, van het Vb. Tussen partijen niet in geschil dat in dit geval aan de norm genoemd in artikel 3.86, vijfde lid, van het Vb is voldaan en dat verweerder in zoverre bevoegd was om eisers verblijfsvergunning in te trekken.

3. Op grond van artikel 27, eerste lid, in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw geldt het besluit tot intrekking tevens als terugkeerbesluit. Op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw kan een vertrektermijn worden onthouden in het geval de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

4. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw vaardigt de minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, van de Vw. Op grond van artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a en b, van de Vb kan het inreisverbod ten hoogste tien jaar duren, indien het een vreemdeling betreft die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid.

Daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde

5. Eiser heeft aangevoerd dat er geen sprake is van een daadwerkelijk actueel gevaar voor de openbare orde. Er is sprake van een positieve verandering in zijn delictsgedrag. Na het opleggen van de ISD3-maatregel bij vonnis van 26 juli 2018 heeft hij geen strafbare feiten meer gepleegd en werkt hij aan een terugkeer in de Nederlandse samenleving, zonder zijn verslaving. Eiser doet ter onderbouwing van zijn standpunt een beroep op de uitspraken van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 12 maart 20184 en van 8 februari 20185.

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een daadwerkelijke actuele bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving, gelet op het zeer omvangrijke strafblad van eiser. Niet is gebleken van een positieve verandering in het delictsgedrag van eiser. Ook is niet gebleken dat de opgelegde ISD-maatregel tot een positieve gedragsverandering heeft geleid.

7. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie6 volgt dat bij de invulling van het begrip ‘daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde’ aangesloten moet worden bij alle feitelijke en juridische gegevens die op de situatie van de vreemdeling zien in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit. Dit betreft onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. In dit verband verwijst de rechtbank ook naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 november 20157.

8. Uit het uittreksel justitiële documentatie8 van eiser blijkt dat eiser - tot aan de oplegde ISD-maatregel - veelvuldig (ernstige) strafbare feiten heeft gepleegd. Er is geen afname te zien in de zwaarte van die strafbare feiten. Dit wordt bevestigd door het vonnis van 26 juli 2018 van de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant9, waarbij aan eiser een ISD-maatregel is opgelegd. Uit dit vonnis blijkt dat eiser zich tot kort voor het bestreden besluit schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. De rechtbank heeft in dat vonnis als volgt overwogen:

“Bovendien hebben de vele tot nu toe aan verdachte opgelegde straffen en reclasseringscontacten er niet toe geleid dat hij zijn gedrag heeft veranderd. Verdachte laat, mede gelet op nu bewezenverklaarde feiten, een patroon zien van het veelvuldig plegen van overlast gevende feiten. Op grond van de door de verdachte steeds weer veroorzaakte overlast en schade, dient het belang van de samenleving voorop te staan en eist de veiligheid van personen of goederen de oplegging van de ISD-maatregel.”

Het beroep op de uitspraken van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 12 maart 2018 en 8 februari 2018 slaagt dan ook niet. In die zaken was er sprake van een groot tijdsverloop tussen de intrekking en het laatst gepleegde (ernstige) strafbare feit en was er een afname te zien in de zwaarte van de gepleegde strafbare feiten.

9. In dit geval is het tijdsverloop tussen de oplegging van de ISD-maatregel en het bestreden besluit slechts 4 maanden. Dat is een te kort tijdsbestek om reeds een positieve gedragsverandering te kunnen laten zien, zeker gelet op het jarenlange stelselmatige delictsgedrag van eiser. Een eventuele gedragsverandering in die periode heeft bovendien geen betekenis, omdat eiser sinds 7 januari 2018 is gedetineerd en de gestelde gedragsverandering dus heeft plaatsgevonden in de ‘beschermde’ omgeving van de gevangenis. Gelet hierop kan evenmin al worden geconcludeerd dat dat het gevaar voor recidive is geweken. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 18 mei 201710.

10. Verder blijkt uit de verklaring van eisers maatschappelijk werker naar het oordeel van de rechtbank overigens niet van een daadwerkelijke positieve gedragsverandering. De verklaring vermeldt immers niet welke concrete stappen eiser heeft ondernomen om tot een positieve gedragsverandering te komen en wat daarvan het resultaat is. Het enkele voornemen van eiser om zijn gedrag te veranderen is onvoldoende. Van belang is verder eisers gebleken verslavingsgevoeligheid. De overgelegde verklaring vermeldt weliswaar dat eiser naar eigen zeggen al negen maanden clean is, maar ook dat eiser hulp en ondersteuning nodig heeft om in de maatschappij te kunnen functioneren en dat hij daarbij is aangewezen op een netwerk dat hem niet in de verleiding brengt. Van een concreet zicht hierop is nog niet gebleken.

11. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser een daadwerkelijk en actueel gevaar vormt voor de openbare orde.

Terugkeerbesluit en inreisverbod

12. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat verweerder een vertrektermijn heeft kunnen onthouden en aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar heeft kunnen opleggen. Eiser heeft zijn beroep hiertegen niet nader onderbouwd.

Artikel 8 van het EVRM 11

13. Eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Er is volgens eiser sprake van beschermingswaardig gezinsleven met zijn ouders en zijn broers en zussen in Nederland. Daarnaast doet hij een beroep op beschermingswaardig privéleven in de zin van genoemd artikel gelet op zijn lange verblijf in Nederland.

14. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van beschermingswaardig gezins- of familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Wel is er sprake van beschermingswaardig privéleven in de zin van dit artikel. De belangenafweging in dit kader valt echter in het nadeel uit van eiser, vanwege het aanhoudend plegen van ernstige misdrijven.

15. Voor de vraag of er tussen eiser als meerderjarige en zijn ouders en broers en zussen sprake is van gezins- of familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, moet er volgens de rechtspraak van het EHRM12 sprake zijn van additional elements of dependancy. Daarvan is niet gebleken. Eiser heeft de enkele stelling dat er sprake is van beschermingswaardig gezinsleven niet nader onderbouwd of geconcretiseerd.

16. Dat er sprake is van beschermingswaardig privéleven, gelet op het lange verblijf van eiser in Nederland, is tussen partijen niet in geschil. Verweerder heeft zich echter niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het belang van bescherming van de Nederlandse samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser op uitoefening van zijn privéleven in Nederland.

17. Daarbij heeft verweerder kunnen meewegen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat eiser meer banden heeft met Nederland dan de banden die gebruikelijk zijn na langdurig verblijf. Ook is niet gebleken dat eiser voor het uitoefenen van zijn privéleven aan Nederland gebonden is. Onbestreden is dat eiser geen werkkring heeft opgebouwd of anderszins een bijdrage heeft geleverd aan de Nederlandse samenleving. Eiser was voor zijn levensonderhoud afhankelijk van zijn criminele activiteiten en van gunsten van zijn familie. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij al dan niet met steun van zijn familie een bestaan op kan bouwen in Marokko. Verweerder heeft er ook in dit verband op kunnen wijzen dat eiser een groot aantal ernstige strafbare feiten heeft gepleegd. Daarmee ontstaat overlast voor de Nederlandse samenleving en wordt het algemene gevoel van veiligheid in de samenleving aangetast, aldus verweerder. Verweerder heeft aldus kunnen concluderen dat het bestreden besluit noodzakelijk en proportioneel is.

Conclusie

18. Het beroep is ongegrond.

19. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, voorzitter, mr. K.M. de Jager en mr. M. Voorn, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra-Hoekstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2019.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Vreemdelingenwet 2000

2 Vreemdelingenbesluit 2000

3 Inrichting voor Stelselmatige Daders

4 AWB 17/13578

5 AWB 17/9677

6 Zie de uitspraak van 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O., ECLI:EU:C:2015:377

7 ECLI:NL:RVS:215:3579

8 Strafblad

9 Parketnummers 02/800027-18 en 13/684381-16

10 ECLI:NL:RVS:2017:1328

11 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

12 Europees Hof voor de Rechten van de Mens; bijvoorbeeld de uitspraak A.W. Khan versus Verenigd Koninkrijk van 12 januari 2010, 47486/06.