Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:11624

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-10-2019
Datum publicatie
15-11-2019
Zaaknummer
C/09/568073 / HA ZA 19-147
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser vordert van de Staat afgifte van stukken voor expertise ten behoeve van een mogelijk herzieningsverzoek in een afgesloten strafzaak, waarin eiser is veroordeeld. Beleid Openbaar Ministerie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/568073 / HA ZA 19-147

Vonnis van 30 oktober 2019

in de zaak van

[eiser] , te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. S. Meeuwsen te Gorinchem,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid), te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. R.W. Veldhuis te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 31 januari 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 10 april 2019, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 juli 2019.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen van feitelijke aard op de verslaglegging kenbaar te maken, maar hebben daarvan geen gebruik gemaakt.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis van 7 augustus 2012 van de rechtbank Rotterdam (hierna: het vonnis) is [eiser] veroordeeld voor doodslag van zijn toenmalige vriendin tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren. Bij arrest van 12 november 2013 van het gerechtshof Den Haag is het vonnis vernietigd en is [eiser] opnieuw veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaren voor hetzelfde feit en tot vergoeding van materiële schade van een benadeelde partij van € 2.429,10. In het arrest is met betrekking tot de bewijsvoering het volgende overwogen en beslist (de verwijzing naar voetnoten is weggelaten):

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 29 oktober 2013 bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het slachtoffer om het leven heeft gebracht. Hij heeft daartoe aangevoerd zoals weergegeven in zijn overgelegde pleitaantekeningen - kort en zakelijk weergegeven - dat een ander dan de verdachte het slachtoffer om het leven moet hebben gebracht tussen het moment dat de verdachte de woning in de middag na een woordenwisseling met het slachtoffer heeft verlaten en het moment dat hij haar bij thuiskomst omstreeks 17:30 uur diezelfde middag levenloos op de grond van hun woning heeft aangetroffen met het mes nog in haar nek.

De advocaat-generaal heeft gesteld dat het door de verdachte geschetste scenario niet aannemelijk is geworden. Daartoe heeft hij overeenkomstig zijn op schrift gestelde requisitoir gewezen op de ongeloofwaardige verklaring van de verdachte over onder meer het verwisselen van zijn kleding op 9 november 2011 en de aard van de verwondingen die zijn geconstateerd aan zijn handen ten tijde van zijn aanhouding, alsmede het ontbreken van sporen of materiaal die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van een ander dan het slachtoffer of de verdachte in hun woning.

Feiten en omstandigheden

Het hof gaat op basis van het verhandelde ter terechtzitting en het procesdossier uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op 11 november 2011 omstreeks 17:30 uur meldde de verdachte zich op een politiebureau te [locatie] en verklaarde hij dat hij op 9 november 2011, omstreeks 17:40 uur zijn vriendin [het slachtoffer] , geboren [geboortedatum] , (hierna: het slachtoffer) in hun woning aan de [adres] dood heeft aangetroffen. Hij verklaarde verder dat hij alles in de woning heeft aangeraakt, waaronder ook het lichaam van het slachtoffer en het mes dat in haar nek stak. Hierop is de politie naar voornoemde woning gegaan, alwaar zij het levenloze lichaam van het slachtoffer hebben aangetroffen.

Bij sectie op het lichaam van het slachtoffer is vastgesteld dat het hoofd, de hals, het bovenlichaam en beide armen en handen waren bezaaid met circa 74 scherprandige perforaties en klievingen met het aspect van steek- en snijletsels. Deze perforaties zijn bij leven opgelopen door het steken en snijden met één of meer scherp snijdende voorwerpen zoals één of meer messen. Het overlijden wordt verklaard door het massale bloedverlies uit alle verwondingen tezamen in combinatie met verstikkingsverschijnselen door luchtwegobstructie als gevolg van bloedinademing en functieverlies van de longen door bilaterale perforaties.

Bij het onderzoek verricht in de woning aan de [adres] is onder de rechterarm van het slachtoffer een bebloed vleesmes aangetroffen van in totaal 32 centimeter. Het mes is voorzien van een handvat van 13 centimeter lengte. De breedte van het lemmet is ongeveer 4,5 centimeter. Op dit vleesmes is aangetroffen een DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal twee personen dat matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer en de verdachte. Er zijn geen aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van celmateriaal van drie (of meer) personen. Verder kan op grond van technisch onderzoek in de woning, worden vastgesteld dat het slachtoffer al meer dan 24 uur geleden was overleden, dat zij in de woning om het leven is gebracht en dat is getracht om de woning schoon te maken. Er zijn geen sporen van braak aangetroffen.

Voorts is tijdens het onderzoek in de woning een vuilniszak aangetroffen met daarin een bebloed T-shirt en spijkerbroek, alsmede bebloede sokken en sportschoenen van het merk PUMA met zwarte belijning. De schoenen waren zowel rondom als aan de binnenzijde bebloed. Op camerabeelden van de winkel Marskramer kan worden waargenomen dat de verdachte op 9 november 2011 omstreeks 13:44 uur in die winkel was en dat hij toen een T-shirt en schoenen droeg die overeenkomen met het T-shirt en de schoenen die zijn aangetroffen in de vuilniszak. Op camerabeelden van het Kruidvat is vervolgens te zien dat de verdachte op diezelfde dag omstreeks 17:14 uur is gekleed in een lichtblauw shirt en andersoortige schoenen van het merk PUMA dan die zijn aangetroffen in de vuilniszak. Ook is te zien dat de linkerhand van de verdachte verbonden lijkt te zijn. De kassière van het Kruidvat heeft als getuige verklaard dat zij aan de verdachte een vetbanddoos heeft verkocht en dat de verdachte een nog verse wond aan zijn ringvinger had. Bij de aanhouding van de verdachte zat zijn linkerhand in verband gewikkeld en zaten op twee vingers van zijn rechterhand pleisters geplakt.

Verder zijn tijdens het onderzoek onder de pantalon op de huid van de linker heup van het slachtoffer en op het dekbedovertrek ter hoogte van de rechterknie van het slachtoffer bloedsporen veiliggesteld. Beide bemonsteringen bevatten een DNA-profiel dat overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte. Voorts is onder een nagel van de linkerhand van het slachtoffer naast een DNA hoofdprofiel dat matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer, een DNA-nevenprofiel aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van de verdachte.

Op grond van het vorenstaande is naar oordeel van het hof de conclusie gewettigd dat de verdachte het slachtoffer met het aangetroffen vleesmes om het leven heeft gebracht, daarbij zelf ook gewond is geraakt, zijn met bloed besmeurde kleding heeft verwisseld voor andere kleding en naar het Kruidvat is gegaan waar hij een verbanddoos heeft gekocht om zijn wonden te verbinden.

Alternatief scenario.

Verklaring van de verdachte

De verdachte heeft een alternatieve lezing. Hij heeft steeds verklaard - kort en zakelijk weergegeven - dat hij op 9 november 2011 de woning rond 16:30 uur heeft verlaten na onenigheid met het slachtoffer over hun financiën; dat hij toen naar een parkje is gegaan om voor zichzelf het één en ander op papier te zetten waarbij hij zich aan het papier heeft gesneden; en dat hij rond 17:30 uur is teruggegaan naar de woning waar hij het slachtoffer levenloos met een mes in haar nek heeft aangetroffen. De verdachte heeft vervolgens het mes uit de nek van het slachtoffer gehaald, het slachtoffer vastgepakt en tegen zich aangehouden en het bloed in de woning opgeruimd. Over het slachtoffer heeft hij een dekbedovertrek heen gelegd.

Eerst op 11 januari 2012 heeft de verdachte - na te zijn geconfronteerd met de camerabeelden van de Marskramer en het Kruidvat - tegenover de politie een verklaring afgelegd over het wisselen van zijn kleding, inhoudende dat hij na zijn bezoek aan de Marskramer zijn T-shirt heeft gewisseld en na zijn bezoek aan het Kruidvat en het aantreffen van het slachtoffer, maar nog voor het schoonmaken van de woning, het T-shirt dat hij eerder die dag aanhad weer heeft aangetrokken. Nadat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg is voorgehouden dat de kleding die hij droeg in het Kruidvat overeenkomt met de kleding die hij aan had ten tijde van zijn aanhouding, heeft hij hieraan toegevoegd dat hij nog voordat hij het slachtoffer heeft vastgepakt en tegen zich aan heeft gehouden van kleding is gewisseld. Ter terechtzitting in hoger beroep van 5 juli 2013 heeft de verdachte weet verklaard dat hij op het moment dat hij het slachtoffer oppakte en tegen zich aan drukte een jas aan had met daaronder het licht blauwe T-shirt dat te zien is op de camerabeelden van het Kruidvat en dat hij daarna voordat hij ging schoonmaken zijn shirt heeft verwisseld.

Oordeel van het hof

Gelet op feiten en omstandigheden zoals hierboven weergegeven is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat een ander dan de verdachte het slachtoffer van het leven heeft beroofd. Daarbij acht het hof het van belang dat in de woning waar het slachtoffer is aangetroffen geen braaksporen, materialen en/of sporen zijn aangetroffen die kunnen duiden op de aanwezigheid van een ander dan het slachtoffer of de verdachte aldaar, terwijl in de woning uitgebreid forensisch onderzoek is verricht. Het hof acht het niet aannemelijk dat een ander binnen het korte tijdsbestek van ongeveer één uur dat de verdachte volgens zijn verklaring niet in de woning aanwezig was, de woning is binnengegaan en het slachtoffer op deze gewelddadige wijze om het leven heeft gebracht zonder daarbij enig spoor van zijn aanwezigheid achter te laten. Verder neemt het hof in aanmerking dat de verdachte, geconfronteerd met bevindingen uit het onderzoek, steeds anders heeft verklaard over het wisselen van zijn (bebloede) kleding die middag. De verklaring van de verdachte dat zijn bloedsporen op het heft van het mes en elders in de woning veroorzaakt zijn door een verwonding aan zijn hand, omdat hij zich aan papier had gesneden, acht het hof niet geloofwaardig.

Het verweer van de raadsman wordt mitsdien verworpen.

Op grond van de wijze waarop het slachtoffer om het leven is gebracht, het aangetroffen vleesmes en het grote aantal messteken dat haar is toegebracht, acht het hof bewezen dat de verdachte haar opzettelijk om het leven heeft gebracht. Daarmee acht het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.”

2.2.

Bij arrest van 11 november 2014 heeft de Hoge Raad [eiser] in het door hem ingestelde cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.

2.3.

Begin 2017 heeft [eiser] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) aan de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de Minister) diverse malen verzocht documenten uit zijn strafzaak aan hem te verstrekken. De Minister heeft deze verzoeken afgewezen, met de reden dat de Wob niet van toepassing is op openbaarmaking of verstrekking van documenten uit een strafdossier. [eiser] heeft hiertegen bezwaarschriften ingediend, die bij beslissing van 17 oktober 2017 in zoverre gegrond zijn verklaard, dat was nagelaten de Wob-verzoeken door te sturen naar de Politie en het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI). Tegen deze beslissing van 17 oktober 2017 heeft [eiser] geen beroep ingesteld.

2.4.

Aangezien de verzoeken van [eiser] op grond van de Wob gedeeltelijk betrekking hadden op documenten die zich volgens het OM niet bevonden in het strafdossier, heeft de Minister deze verzoeken op 12 mei 2017 doorgestuurd naar de Politie en het NFI ter verdere behandeling.

2.5.

Bij brief van 13 juli 2017 heeft de Politie aan [eiser] bericht dat laatstgenoemde de volgende documenten mocht inzien:

“• Het proces-verbaal met het kenmerk [kenmerk] met de volgnummers: 4 6, 10, 15, 16, 21, 23, 25, 27, 31, 34, 38, 43, 46, 47, 48, 49, 50, 55, 56, 72, 74, 77, 88, 94, 95, 97, 101, 115, 131, 134, 138, 141, 143, 145, 147, 148, 149, 150, 151, 158, 159, 160, 169, 186, 187, 188, 192, 194, 195, 196, 197, 198 en 199;

• De processen-verbaal van de verhoren, die op 10 januari 2012 hebben plaatsgevonden met het volgnummer 193;

•- Het proces-verbaal met betrekking tot de telefoonmastgegevens van 9 november 2011 tussen 16.00 en 18.00 uur;

• Het proces-verbaal met betrekking tot de telefoonmastgegevens van 11 november 2011 tussen 15.00 en 21.00 uur;

• Het tactisch journaal.”

2.6.

Bij brief van 14 juni 2017 heeft het NFI aan [eiser] bericht dat het NFI niet zonder goedkeuring van de officier van justitie een sectierapport aan [eiser] mag verstrekken, en dat het verzoek is doorgeleid naar de officier van justitie.

2.7.

Bij brief van 27 oktober 2017 heeft [eiser] aan het College van procureurs-generaal verzocht het complete procesdossier van de strafzaak alsmede een aantal documenten die volgens [eiser] in het procesdossier ontbreken aan hem te verstrekken ter beoordeling of eventueel herziening van zijn strafzaak aan de orde is.

2.8.

Op 27 november 2017 heeft [eiser] met zijn advocaat bij de Politie stukken als bedoeld in 2.5 ingezien.

2.9.

Op 30 januari 2018 heeft [eiser] de Staat in kort geding gedagvaard. In die procedure heeft [eiser] veroordeling gevorderd van de Staat tot afgifte van de volgende stukken, op straffe van verbeurte van een dwangsom:

“A. Het procesdossier betreffende parketnummer [parketnummer] ;

B. De volgende stukken die hoogstwaarschijnlijk niet in het procesdossier hebben

gezeten:

- Het complete en formele sectierapport (inclusief foto’s) vermoedelijk met nummer [nummer] ;

- Schouwrapport van schouwarts [de schouwarts] van omstreeks 12 november 2011;

- De (tussenliggende) NFI-rapportages met kenmerken (aanvraagnummers): 001, 003, 004, 005, 007, 010, 012, alsmede de pagina’s 12 en 13 van het rapport d.d. 9 maart 2012;

- De geluidsbanden van de verhoren op 10, 11 en 12 januari 2012 betreffende de verhoren met de volgnummers 189, 190 en 193;

- Een 55-tal leesbare pv’s met de volgnummers: 4, 6, 10, 15, 16, 21, 23, 25, 27, 31, 34, 38, 43, 45, 46, 47 48, 49, 50, 55, 56, 72, 74, 77, 88, 94, 95, 97, 101, 115, 131, 134, 138, 141, 143, 145, 147, 148, 149, 150, 151, 158, 159, 160, 169, 186, 187, 188, 192, 194, 195, 196, 197, 198 en 193;

- Tactisch journaal;

- De uitwerking van verhoren d.d. 16 januari 2012, 15 februari 2012 en 18 juli 2012.”

2.10.

Bij brief van 27 februari 2018 heeft de Politie aan [eiser] het volgende bericht:

“In aanvulling op het besluit d.d. 12 juli 2017, genomen op uw Wob-verzoek dat op 18 mei 2017 door de politie is ontvangen, bericht ik u als volgt.

In het besluit d.d. 12 juli 2017 is besloten om u op basis van de Wet Politiegegevens kennisgeving toe te staan van een aantal aldaar genoemde documenten.

Hierbij is abusievelijk tevens verwezen naar een aantal documentnummers die slechts administratieve handelingen in het politie registratiesysteem bevatten en daarmee geen document zijn dan wel documenten die geen politiegegevens omtrent uw persoon bevatten.

Dit betreft de volgnummers 4, 6, 10, 15, 16, 21, 25, 34, 43, 45,46, 47, 48, 49, 50, 56, 88, 94, 95, 101, 115, 131, 138, 145, 147, 148, 149, 150, 151, 158, 159, 169, 186, 187, 192, 194, 195, 196, 197, 198 en 199 van het proces-verbaal met kenmerk [kenmerk] .

Deze volgnummers komen dan ook niet in aanmerking voor kennisneming op grond van de Wet politiegegevens.

Daarnaast wordt in het besluit d.d. 12 juli 2017 abusievelijk gesproken over processen-verbaal d.d.
9 en 11 november 2011 met betrekking tot telefoonmastgegevens alsmede een tactisch journaal.

De politie heeft echter niet de beschikking over deze gegevens waardoor deze niet ter

kennisneming konden worden aangeboden.”

2.11.

Bij vonnis van 8 maart 2018 heeft de voorzieningenrechter in het onder 2.9 bedoelde kort geding de Staat veroordeeld om binnen een week na dagtekening van het vonnis aan de advocaat van [eiser] te verstrekken het pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood van 18 november 2011, met zaaknummer [zaaknummer] en sectienummer [nummer] . Het meer of anders gevorderde is afgewezen. De Staat heeft aan de veroordeling voldaan.

2.12.

Bij e-mailbericht van 14 december 2018 heeft de heer [A] van het IFS, voor zover thans van belang, het volgende geschreven aan [eiser] :

“Wij kunnen onderzoeken of er met de linkerhand of rechterhand kan zijn gestoken.

Daarvoor moeten we alle foto’s hebben van het slachtoffer (schouw, MRI’s en autopsie foto’s) en de plaats delict. Verder zijn alle rapportages van belang.

Was er een mes? Zijn er DNA resultaten?

We kunnen het dossier en de foto’s doornemen om te onderzoeken of onderzoeken zinvol zijn. (…)”.

2.13.

Artikel 457 lid 1, onder c, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt als volgt:

“Op aanvraag van de procureur-generaal of van de gewezen verdachte te wiens aanzien een vonnis of arrest onherroepelijk is geworden, kan de Hoge Raad ten voordele van de gewezen verdachte een uitspraak van de rechter in Nederland houdende een veroordeling herzien:

(…)

c. indien er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.”

2.14.

Artikel 461 Sv luidt als volgt:

“1 Ter voorbereiding van een herzieningsaanvraag kan een gewezen verdachte, die is veroordeeld voor een feit waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt, door zijn raadsman aan de procureur-generaal doen verzoeken een nader onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van een grond voor herziening als bedoeld in artikel 457, eerste lid, onder c.

2 Het verzoek wordt schriftelijk ingediend en door de raadsman ondertekend. Het verzoek behelst een opgave van de onderzoekshandelingen die dienen te worden verricht, met bijvoeging van een kopie van de uitspraak waarvan de gewezen verdachte herziening wil aanvragen, en is met redenen omkleed. Het verzoek kan tevens strekken tot de instelling van een onderzoeksteam als bedoeld in artikel 463.

3 Indien het verzoek niet voldoet aan de in het eerste en tweede lid genoemde voorwaarden, verklaart de procureur-generaal het niet ontvankelijk. Indien het verzoek ontvankelijk is kan de procureur-generaal het verzoek slechts afwijzen indien:

a. er onvoldoende aanwijzingen zijn dat er mogelijkerwijs sprake is van een grond tot herziening, of

b. het verzochte onderzoek niet noodzakelijk is.

4 De procureur-generaal beslist zo spoedig mogelijk. De beslissing is met redenen omkleed en wordt schriftelijk ter kennis gebracht van degene die het verzoek heeft ingediend. In geval van toewijzing van het verzoek vermeldt de beslissing de te verrichten onderzoekshandelingen.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Staat veroordeelt tot afgifte van de volgende stukken, onder verbeurte van een dwangsom van

€ 250 per dag voor elk dagdeel dat de Staat hiertoe geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft:

- het procesdossier betreffende parketnummer [parketnummer] ;

- de volgende stukken die hoogstwaarschijnlijk niet in het procesdossier hebben gezeten:

i) de foto’s bij het sectierapport van 18 november 2011 ( [nummer] ) van arts en patholoog [arts/patholoog] ;

ii) het schouwrapport inclusief foto’s van schouwarts [de schouwarts] van omstreeks 12 november 2011;

iii) de (tussenliggende) NFI-rapportages met kenmerken (aanvraagnummers):

001, 003, 004, 005, 007, 010, 012, alsmede de pagina’s 12 en 13 van het rapport van 9 maart 2012;

iv) de geluidsbanden van de verhoren op 10, 11 en 12 januari 2012 betreffende de verhoren met de volgnummers 189, 190 en 193;

v) een 55-tal processen-verbaal met de volgnummers: 4, 6, 10, 15, 16, 21, 23, 25, 27, 31, 34, 38 , 43, 45, 46, 47 48, 49, 50, 55, 56, 72, 74, 77, 88, 94, 95, 97, 101, 115, 131, 134, 138, 141, 143, 145, 147, 148, 149, 150, 151, 158, 159, 160, 169, 186, 187, 188, 192, 194, 195, 196, 197, 198 en 193;

vi) het Tactisch journaal;

vii) de uitwerking van de verhoren van 16 januari 2012, 15 februari 2012 en 18 juli 2012;

en de Staat veroordeelt in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Hiertoe stelt [eiser] , samengevat, het volgende. Hij heeft altijd ontkend het strafbare feit waarvoor hij is veroordeeld te hebben begaan. Na zijn veroordeling heeft hij op enig moment ontdekt dat in het strafdossier nooit een officieel sectierapport van het NFI heeft gezeten. Het NFI heeft slechts een rapport met voorlopige bevindingen ingediend, waarop de veroordeling mede is gebaseerd. Daarnaast heeft hij geconstateerd dat een aantal stukken in het strafdossier ontbraken, welke stukken hij heeft getracht via Wob-verzoeken te verkrijgen. Deze verzoeken zijn echter afgewezen. Voor zover de Politie stukken heeft laten inzien, is zoveel weggelakt dat hij daaruit niets relevant heeft kunnen opmaken. Hij heeft een rechtens te respecteren belang bij afgifte van de gevraagde stukken, nu niet op voorhand valt uit te sluiten dat aan de hand van deze stukken tot andere inzichten kan worden gekomen over de vraag of hij daadwerkelijk de dader is geweest, hetgeen mogelijk tot een novum leidt in zijn strafzaak. Ter nadere toelichting voert [eiser] het volgende aan:

i. i) het (officiële) sectierapport (inclusief bijbehorende foto’s) kan vermoedelijk uitsluitsel geven over de vraag of de steekwonden door een linkshandige of rechtshandige persoon zijn toegebracht. Hij is rechtshandig. In het bijzonder de foto’s van het slachtoffer zijn van belang voor de beoordeling door de heer [A] van het IFS. Daarnaast bevat het sectierapport wellicht informatie over eventuele sporen die op het lichaam van het slachtoffer zijn aangetroffen;

ii) volgens het ziekenhuis is het schouwrapport aan het OM toegezonden. Dit rapport heeft [eiser] nodig om nader onderzoek te laten doen met betrekking tot de steekwonden;

iii) vermoedelijk bevatten de NFI-rapporten 004, 005, 007 en 010 uitslagen van diverse sporen die op de kleding van het slachtoffer zijn aangetroffen. In de stukken 006 en 008 en op de pagina’s 12 en 13 van het rapport van 9 maart 2012 zouden de uitslagen van het DNA-onderzoek van het keukenmes kunnen staan.

iv) hij wil kunnen nagaan of de pv’s van de verhoren overeenstemmen met de geluidsbanden. Het ACAS heeft onderkend dat als er bij de verhoren fouten zijn gemaakt, waardoor de processen-verbaal niet kloppen, herziening van de strafzaak aan de orde kan zijn;

v) hij heeft bij de Politie maar 16 van de 55 pv’s mogen inzien. Daarvan was een groot gedeelte zwart gemaakt. Voor zover de Politie bij brief van 27 februari 2018 heeft bericht dat een aantal pv’s slechts administratieve handelingen zijn, is dat tegenstrijdig met het standpunt van de Staat tijdens het kort geding dat de processen-verbaal 45-50, 88, 94, 95, 101, 147, 148, 150, 151, 158, 187, 188, 195, 197 en 198 in het strafdossier zitten;

vi) het Tactisch journaal zal vermoedelijk duidelijkheid geven over de inhoud van het Forensisch Intake Gesprek dat tussen de betrokken instanties heeft plaatsgevonden, waaruit mogelijk blijkt waarom de heer [B] niet aan recherche is onderworpen, waarom DNA-onderzoek op de kleding van het slachtoffer en de telefoongegevens van het slachtoffer en [eiser] niet in het dossier zijn opgenomen, waarom het mes niet is vergeleken met de steekwonden enz. Daarnaast wijst [eiser] erop dat het Tactisch journaal dat in de Deventer moordzaak is opgemaakt door de rechtbank is opgevraagd;

vii) de uitwerking van de verhoren van 16 januari 2012, 15 februari 2012 en 18 juli 2012 bevat mogelijk voor [eiser] ontlastende gegevens.

De Staat handelt onrechtmatig jegens [eiser] , door deze stukken niet aan hem te

verstrekken.

3.3.

De Staat voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In deze zaak staat centraal of de Staat is gehouden de door [eiser] bedoelde stukken aan hem te verstrekken met het oog op een mogelijk door hem in te dienen verzoek aan de procureur-generaal (artikel 461 Sv) tot het doen van nader onderzoek naar de aanwezigheid van een novum (artikel 457, lid 1, onder c Sv).

4.2.

De rechtbank neemt hierbij het volgende (4.2.1 – 4.2.5) tot uitgangspunt.

4.2.1.

Voor zover [eiser] zich op het standpunt stelt dat bepaalde stukken uit het procesdossier in de strafzaak (artikel 149a Sv) - ook wel aangeduid als het strafdossier - zijn gehouden of ontbreken is het volgende van belang. De officier van justitie is tijdens het strafrechtelijk onderzoek verantwoordelijk voor de samenstelling van het strafdossier uit de bulk van onderzoeksgegevens. Hij dient daarbij te bepalen of een stuk redelijkerwijs van belang kan zijn in voor verdachte belastende of ontlastende zin. Een verdachte heeft geen recht op inzage in stukken die niet aan het strafdossier zijn toegevoegd. Wel kan een verdachte de officier van justitie - als het onderzoek terechtzitting is aangevangen - de zittingsrechter vragen bepaalde stukken aan het strafdossier toe te voegen. In dat verband is de enkele stelling van de verdachte dat bepaalde stukken misschien informatie bevatten die voor de (on)schuld van een verdachte van belang kan zijn, onvoldoende.

4.2.2.

De wet geeft geen aanspraak op verstrekking van stukken voor een eigen onderzoek naar de haalbaarheid van een eventueel herzieningsverzoek. Als een veroordeelde aan het OM verzoekt om verstrekking van stukken uit een afgesloten strafzaak, hanteert het OM, zo heeft de Staat onweersproken aangevoerd, de vaste gedragslijn dat er tenminste een aanwijzing moet bestaan dat het (eigen) onderzoek waartoe de verstrekking aan de verzoekende partij dient, zou kunnen leiden tot een novum, waardoor de onherroepelijke veroordeling niet in stand zal kunnen blijven. Dit brengt mee dat het OM een verzoek om kennisneming van stukken alleen honoreert in uitzonderlijke, goed gemotiveerde, gevallen.

4.2.3.

Aan deze gedragslijn van het OM ligt, zo heeft de Staat onweersproken aangevoerd, ten grondslag dat naast het belang van de veroordeelde ook de belangen van andere betrokkenen in het strafdossier moeten worden meegewogen. Daarnaast is ook sprake van het maatschappelijke belang dat aan strafzaken (eens) een einde komt. Als een strafzaak eenmaal is afgesloten met een onherroepelijke veroordeling, dient daarna rust te ontstaan met betrekking tot de strafzaak, behoudens (zeer) bijzondere omstandigheden zoals een herziening.

4.2.4.

Deze belangenafweging sluit aan, zoals de Staat terecht heeft aangevoerd, op de wetsgeschiedenis van de herzieningsregeling (Memorie van Toelichting bij de Wet hervorming herziening ten voordele, Kamerstukken II, 2008/09, 32045, 3, p. 5):

“Bij het opstellen van de regeling zijn verschillende belangen tegen elkaar afgewogen. Aan de ene kant heeft de samenleving er als geheel belang bij dat er adequate mogelijkheden bestaan aperte onjuistheden waardoor de beslissing van een strafrechter onhoudbaar wordt, te niet te doen. Zoals

bij de totstandkoming van de huidige herzieningsregeling in 1899 werd gesteld: «Het Staatsbelang eischt niet alleen dat er rechtszekerheid bestaat, maar ook dat er zekerheid van recht, niet van onrecht bestaan zal.» (…) Aan de andere kant dient te worden voorkomen dat het gezag van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak te veel wordt aangetast. De belangen van de rechtszekerheid en doelmatigheid brengen met zich dat op een gegeven moment een strafvorderlijke procedure als beëindigd dient te worden beschouwd (het adagium: «lites finiri oportet»). Dit is een

reden om de herzieningsprocedure te beperken tot uitzonderlijke gevallen.”

4.2.5.

Niet in geschil is dat het OM in redelijkheid de genoemde gedragslijn tot uitgangspunt heeft kunnen nemen bij de beoordeling van het verzoek van [eiser] . De rechtbank neemt die gedragslijn derhalve ook in aanmerking bij de beoordeling of de Staat in de gegeven omstandigheden onrechtmatig - in strijd met hetgeen volgens een ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt - heeft gehandeld tegenover [eiser] .

4.3.

[eiser] heeft onder meer aangevoerd dat de door hem aangevoerde argumenten voor verstrekking van stukken vergelijkbaar zijn met die in de zaak waarin het gerechtshof Den Haag in het arrest van 12 juni 2018 (ECLI:NL:GHDHA: 2018:1357) heeft beslist dat bepaalde stukken moesten worden verstrekt. De rechtbank stelt vast dat in die zaak aan de orde was of de veroordeelde aanspraak had op verstrekking van gegevens in digitale vorm, terwijl die gegevens al in papieren vorm waren verstrekt. Die gegevens waren nodig voor een onderzoek, dat tijdens de strafrechtelijke procedure niet was gedaan, omdat dat onderzoek toen nog niet bestond. Dat is een wezenlijk ander geval dan in deze zaak aan de orde, nu [eiser] stukken wenst te ontvangen die niet eerder aan hem zijn verstrekt. Het arrest is reeds hierom niet van beslissende betekenis in de onderhavige zaak.

4.4.

De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn stelling dat in het strafdossier een formeel NFI-rapport met definitieve conclusies ontbreekt en dat zijn veroordeling dus kennelijk is gebaseerd op conclusies uit een voorlopige rapportage. Het (definitieve) NFI-rapport van 18 november 2011, dat de Staat naar aanleiding van het kort geding aan [eiser] heeft verstrekt (productie 16 van [eiser] ) is immers vermeld in de opsomming van de bewijsmiddelen bij het vonnis (bijlage II). Gelet hierop kan het niet anders zijn dan dat dit rapport onderdeel uitmaakt van het strafdossier.

4.5.

Voor zover [eiser] stelt dat niet op voorhand valt uit te sluiten dat aan de hand van de gevorderde stukken tot andere inzichten kan worden gekomen over de vraag of hij daadwerkelijk de dader is geweest, hetgeen mogelijk tot een novum leidt in zijn strafzaak, is die stelling onvoldoende concreet om te kunnen spreken van aanwijzingen zoals hiervoor bedoeld. Hieruit volgt dat [eiser] geen rechtens te respecteren belang heeft bij verstrekking van het gehele strafdossier. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.

ad i) de foto’s bij het NFI-rapport

4.6.

De rechtbank stelt vast dat het NFI-rapport als bijlagen geen foto’s vermeldt, maar twee documenten, die behoren bij het door de Staat aan [eiser] verstrekte rapport. Dit betekent dat [eiser] al beschikt over het volledige NFI-rapport.

4.7.

Zoals in het NFI-rapport op blz. 6 is vermeld, zijn de tijdens de sectie gemaakte foto’s aan de opdrachtgever, het OM, verstrekt. De Staat sluit niet uit dat deze foto’s tot de bulk van onderzoeksgegevens hebben behoord waaruit de officier van justitie het strafdossier heeft samengesteld. De rechtbank gaat ervan uit dat deze foto’s nog beschikbaar zijn, nu de Staat dat niet heeft betwist.

4.8.

Vervolgens is aan de orde of er tenminste een aanwijzing bestaat dat het door [eiser] bedoelde onderzoek van de foto’s (van het slachtoffer) zou kunnen leiden tot een novum, waardoor de onherroepelijke veroordeling niet in stand zal kunnen blijven. Volgens [eiser] kan dit onderzoek vermoedelijk uitsluitsel geven over de vraag of de steekwonden door een linkshandige of rechtshandige persoon zijn toegebracht, hetgeen hij van belang acht omdat hij rechtshandig is. Volgens [eiser] is in de strafzaak geoordeeld dat de dader vermoedelijk linkshandig is.

4.9.

De rechtbank stelt vast dat noch in het door [eiser] overgelegde vonnis van 7 augustus 2012, noch in het door [eiser] overgelegde arrest van 13 november 2013 is overwogen dat de dader vermoedelijk linkshandig is. De mogelijke rechts- of linkshandigheid van de dader is in deze uitspraken in het geheel niet aan de orde geweest. Het oordeel dat [eiser] de dader is, is blijkens de onder 2.1 weergegeven overwegingen gebaseerd op een veelheid van andere feiten en omstandigheden. In het licht daarvan bestaat er geen aanwijzing, dat het door [eiser] gewenste onderzoek van de steekwonden een novum zal opleveren, waardoor de onherroepelijke veroordeling niet in stand zal kunnen blijven. Daarnaast moet, gelet op de gerechtvaardigde belangen van de nabestaanden van het slachtoffer, terughoudendheid worden betracht bij het verstrekken van foto’s waarop (delen van) het slachtoffer zichtbaar is (zijn). Zonder nadere feiten, die niet zijn gesteld, is er dan ook geen verplichting voor de Staat om de verzochte foto’s aan [eiser] te verstrekken.

ad ii) het schouwrapport

4.10.

De rechtbank acht de enkele stelling van [eiser] dat hij het schouwrapport nodig heeft om nader onderzoek te laten doen met betrekking tot de steekwonden, onvoldoende om te kunnen concluderen dat er een aanwijzing bestaat dat dat onderzoek zou kunnen leiden tot een novum. Hieruit volgt dat het schouwrapport niet aan [eiser] behoeft te worden versterkt.

ad iii) diverse NFI-rapporten

4.11.

[eiser] heeft in aanvulling op de toelichting die is weergegeven onder 3.2 sub iii) ter zitting nog gesteld dat uit de rapporten zou kunnen blijken van sporenonderzoek waaronder mogelijk DNA-sporen, hetgeen hij van belang acht omdat de onderzoekstechnieken van DNA-sporen inmiddels verder gevorderd zijn dan die ten tijde van de strafzaak. De rechtbank acht het betoog van [eiser] te weinig concreet om te kunnen concluderen dat er een aanwijzing bestaat dat het onderzoek zou kunnen leiden tot een novum. De doorontwikkeling van onderzoekstechnieken, ook al kan dat in het algemeen worden gezegd, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende.

ad iv) de geluidsbanden

4.12.

De enkele, feitelijk niet verder geconcretiseerde, stelling van [eiser] dat hij aan de hand van de geluidsbanden wil controleren of de pv’s juist zijn acht de rechtbank onvoldoende om te kunnen concluderen dat er een aanwijzing bestaat dat het onderzoek zou kunnen leiden tot een novum. Reeds hierop strandt de vordering van [eiser] . Dit nog daargelaten dat de Staat ter zitting heeft betwist dat hij beschikt over deze geluidsbanden.

ad v) diverse pv’s

4.13.

Met betrekking tot deze pv’s heeft [eiser] niets concreets aangevoerd om te kunnen spreken van aanwijzingen als hiervoor bedoeld. Reeds hierom moet de vordering tot verstrekking van deze pv’s worden afgewezen.

ad vi) het Tactisch journaal

4.14.

De Staat heeft onder meer aangevoerd dat een ‘Tactisch journaal’ niet tot het strafdossier behoort en dat hij ook niet over een dergelijk stuk met betrekking tot de strafprocedure van [eiser] beschikt. [eiser] heeft dit betoog niet weersproken. Hierop strandt zijn vordering.

ad vii) de uitwerking van verhoren

4.15.

De enkele stelling van [eiser] , dat de uitwerking van de verhoren mogelijk voor hem ontlastende gegevens bevat, acht de rechtbank onvoldoende, want alleen op speculatie gebaseerd, om te kunnen spreken van een aanwijzing in de hiervoor bedoelde zin. Hierop strandt zijn vordering.

4.16.

De slotsom is dat de vorderingen zullen worden afgewezen.

4.17.

Bij deze uitkomst past dat [eiser] , als de in het ongelijk gestelde partij, wordt veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten worden aan de zijde van de Staat worden begroot op € 1.725, namelijk € 639 aan griffierecht en € 1.086 aan salaris advocaat (twee punten à € 543, volgens tarief II). De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert. De rechtbank zal de nakosten begroten overeenkomstig het daarop toepasselijke liquidatietarief.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op € 1.725, en begroot de nakosten op € 157, in geval van betekening te vermeerderen met € 82, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van deze uitspraak, indien deze kosten niet voordien door [eiser] zijn voldaan, tot de dag van algehele voldoening;

5.3.

verklaart de veroordeling onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2019. 1

1 type: 1554