Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1157

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-02-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
C/09/555032 / FA RK 18-4400
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie - wijziging van omstandigheden - ontvankelijkheidsverweer op grond van analoge toepassing van art. 1:159 lid 3 BW - zelfstandige wonende minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0092
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 18-4400

Zaaknummer: C/09/555032

Datum beschikking: 11 februari 2019

Kinderalimentatie

Beschikking op het op 18 juni 2018 ingekomen verzoekschrift van:

[Y] ,

de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. A.J. van Steensel te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[X] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. J.B. Peters te Zoetermeer.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het op 18 juni 2018 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen van de vader;

  • -

    het F9-formulier van 18 juli 2018 met bijlagen van de zijde van de vader;

  • -

    het verweerschrift van 10 september 2018, met bijlagen van de moeder;

  • -

    het F9-formulier van 28 november 2018 met bijlagen van de zijde van de vader;

  • -

    het F9-formulier van 5 december 2018 met bijlagen van de zijde van de moeder.

De nu 17-jarige dochter [minderjarige] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek. Samengevat vindt [minderjarige] de strijd tussen haar ouders over de kinderalimentatie onzin, omdat [minderjarige] volgens haar de meeste kosten al jarenlang zelf betaalt uit haar eigen inkomsten. Haar moeder betaalt wel haar school- en opleidingskosten volgens [minderjarige] .

Op 12 december 2018 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de moeder, bijstaan door haar advocaat.

Beide advocaten hebben ter zitting pleitnotities voorgedragen en overgelegd.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vader luidt met ingang van primair 1 januari 2016, subsidiair 1 januari 2017, meer subsidiair de datum van indiening van het verzoekschrift, de door hem voor de dochter [minderjarige] aan de moeder te betalen kinderalimentatie op nihil te stellen, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De vader stelt als grond voor dit verzoek een wijziging van omstandigheden waardoor de hierna te melden beschikking niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven.

De moeder voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden beoordeeld. De moeder heeft verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel deze verzoeken primair geheel, subsidiair gedeeltelijk, af te wijzen, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met kosten rechtens.

Feiten

- De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

- Zij zijn de ouders van hun volgende nu nog minderjarige kind:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2001 te [geboortedatum]

- De nu 17-jarige [minderjarige] woont sinds juli 2018 in een gezinshuis in [plaatsnaam] . Daarvoor woonde zij sinds enkele jaren in een gezinshuis in [plaatsnaam] .

- Bij beschikking van deze rechtbank van 6 maart 2015 is conform de ter zitting van 30 januari 2015 tussen beide ouders bereikte overeenstemming de door de vader aan de moeder voor de toen al uitwonende [minderjarige] te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 september 2014 gewijzigd naar een bedrag van € 100,- per maand.

- De minderjarige dochter [minderjarige] is op 13 maart 2017 bevallen van haar dochtertje [XX] Bij beschikking van 13 maart 2017 heeft deze rechtbank de stichting Jeugdbescherming West Haaglanden benoemd tot voogd van [XX] . [XX] woont nu in hetzelfde pleeggezin waarin [minderjarige] vroeger zelf heeft gewoond.

- Bij beschikking van 13 maart 2017 heeft deze rechtbank [minderjarige] (opnieuw) onder toezicht gesteld van de stichting Jeugdbescherming West Haaglanden. Deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 maart 2018 die ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 13 maart 2019.

Beoordeling

Ontvankelijkheid

Omdat de vader heeft doen stellen dat er sprake is van relevante wijzigingen van omstandigheden kan hij worden ontvangen in zijn verzoek. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of inderdaad sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden en zo ja, of deze wijziging zodanig is dat deze moet leiden tot een aanpassing van de in de eerdere procedure op 30 januari 2015 ter zitting tussen beide ouders overeengekomen en daarna door de rechtbank conform die overeenkomst vastgestelde kinderalimentatie voor [minderjarige] . Het verzoek van de advocaat van de vader is dus gebaseerd op wetsartikel 1:401 lid 1 BW.

De advocaat van de moeder heeft echter ter zitting primair betoogd dat de vader niet-ontvankelijk is in zijn verzoek omdat het hier een overeenkomst uit 2015 betreft waarbij partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Daardoor geldt volgens de advocaat van de moeder de zwaardere maatstaf dat er sprake moet zijn van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan de overeengekomen alimentatie mag worden gehouden. Aan die zware wijzigingsmaatstaf is in dit geval niet voldaan. Naar de rechtbank begrijpt doet de advocaat van de moeder hier een beroep op analoge toepassing van het bepaalde in wetsartikel 1:159 lid 3 BW.

Met de advocaat van de vader is de rechtbank van oordeel dat dit formele verweer van de advocaat van de moeder moet worden verworpen. Dit reeds omdat de advocaat van de moeder daarbij miskent dat wetsartikel 1:159 lid 3 BW naar de tekst en strekking ziet op partneralimentatie en omdat in dit geval niet of onvoldoende is toegelicht waarom die zwaardere maatstaf voor ontvankelijkheid van een wijzigingsverzoek in dit geval ook zou moeten gelden voor de destijds overeengekomen kinderalimentatie voor [minderjarige] .

Standpunten beide ouders

Ter inhoudelijke onderbouwing van zijn verzoek tot wijziging stelt de advocaat van de vader pas ter zitting van 12 december 2018 dat de ouders als gevolg van een wijziging van de Jeugdwet sinds 1 januari 2016 geen financiële bijdrage voor het verblijf van [minderjarige] in een gezinshuis meer hoeven te betalen. Volgens de vader is door het wegvallen van deze ouderbijdrage een belangrijk deel van de kosten van [minderjarige] komen te vervallen. Nadat de beschikking van 6 maart 2015 is gewezen, is er volgens het verzoekschrift van 18 juni 2018 ook nauwelijks tot geen contact meer tussen de moeder en [minderjarige] en heeft de moeder dus ook geen kosten voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] meer, aldus de vader.

De advocaat van de moeder voert daartegen inhoudelijk verweer en stelt daartoe vooral dat de moeder in 2016, 2017 en 2018 nog altijd relevante kosten heeft moeten maken voor [minderjarige] , zoals ziektekosten, verzekeringskosten, school- en opleidingskosten, vakantiekosten en overige kosten. Ook voert de advocaat van de moeder gemotiveerd verweer tegen de verzochte ingangsdatum van primair 1 januari 2016 en betoogt hij dat een eventuele wijziging in dit geval op zijn vroegst zou mogen ingaan op de datum van de beschikking van de rechtbank.

Ingangsdatum eventuele wijziging

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt dit verweer van de advocaat van de moeder tegen alle door de advocaat van de vader verzochte eerdere ingangsdata.

Voor risico en rekening van de vader moet immers blijven dat hij niet eerder dan op 18 juni 2018 een verzoek tot nihilstelling van de al ter zitting van 30 januari 2015 overeengekomen kinderalimentatie heeft gedaan. Met een eerdere ingangsdatum dan 18 juni 2018 heeft de moeder gelet op het consumptieve karakter van kinderalimentatie dus geen rekening hoeven te houden. Van de moeder mocht in dat verband redelijkerwijs ook niet worden verwacht dat zij eerder dan sinds omstreeks 18 juni 2018 alle mogelijke bewijsstukken van al haar feitelijk gemaakte kosten voor haar uitwonende dochter [minderjarige] zou gaan bewaren en administreren, zoals de advocaat van de moeder ter zitting terecht heeft betoogd.

Daar komt in dit geval nog bij dat de advocaat van de moeder er naar het oordeel van de rechtbank ter zitting terecht op heeft gewezen dat door de advocaat van de vader niet al in het verzoekschrift van 18 juni 2018 maar pas ter zitting van 12 december 2018 als enige feitelijk relevante wijzigingsgrond ten opzichte van de situatie tijdens de overeenkomst van 30 januari 2015 is gesteld het wegvallen van de verplichte ouderbijdrage aan het gezinshuis van [minderjarige] van (naar de rechtbank van beide advocaten ter zitting heeft begrepen) € 131,- per maand.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank alles afwegende van oordeel dat de door de vader verzochte nihilstelling of enige verlaging van de op 30 januari 2015 overeengekomen kinderalimentatie in dit specifieke geval om procesrechtelijke redenen niet eerder zal kunnen ingaan dan op 1 maart 2019, dat is de eerste dag van de maand volgend op de datum van deze beschikking.

Aldus beslist de rechtbank praktisch gezien ook dat de moeder de tot dusver door de vader doorbetaalde kinderalimentatie van € 100,- per maand plus wettelijke indexeringen mede wegens het consumptieve karakter daarvan niet aan de vader behoeft terug te betalen, zoals pas ter zitting ook nog tussen beide advocaten in geschil bleek te zijn.

De behoefte van de moeder aan een bijdrage van de vader in de kosten van de uitwonende [minderjarige] van 1 maart 2019 tot [datum] 2019 (18de verjaardag van [minderjarige] )

In dit geval woont de nog slechts tot [datum] 2019 minderjarige [minderjarige] al jaren niet meer bij één van haar ouders thuis maar eerst in een pleeggezin en daarna in een gezinshuis. Die bijzondere situatie is een afwijking van de voor vaststelling van kinderalimentatie als hoofdregel geldende standaard situatie dat een kind bij één van de twee gescheiden ouders de hoofdverblijfplaats heeft. Daarom mag de vader in deze bijzondere situatie in redelijkheid van de moeder wel verwachten dat zij in grote lijnen tenminste aannemelijk kan maken dat zij in die bijzondere situatie feitelijk nog steeds relevante kosten voor [minderjarige] moet betalen waaraan de vader met ongeveer € 100,- per maand behoort bij te dragen.

In het geval van de nu bijna 18-jarige uitwonende [minderjarige] betreft het naar het oordeel van de rechtbank gelet op het partijdebat daarover vooral opleidingskosten waaraan de moeder en de vader ieder naar draagkracht behoren bij te dragen. Uit de bewijsstukken van de moeder blijkt dat de moeder die opleidingskosten voor [minderjarige] voor het opleidingsjaar 2018-2019 feitelijk al vóór 1 maart 2019 geheel of grotendeels heeft betaald. Bij gebrek aan relevante concrete gegevens en bewijsstukken oordeelt de rechtbank het aannemelijk dat de moeder in de nu nog slechts relevante komende periode van 1 maart 2019 tot [datum] 2019 nog wel enige kosten voor [minderjarige] zal moeten maken waaraan de vader naar draagkracht behoort bij te dragen, zoals redelijke verzekeringspremies, noodzakelijke zorgkosten en wellicht nog wat opleidingskosten. De rechtbank schat de door de vader daaraan naar draagkracht te leveren bijdrage in die korte periode tot de 18de verjaardag van [minderjarige] nu in redelijkheid nog op € 25,- per maand. Aldus zal worden beslist.

Eventuele toekomstige alimentatie voor [minderjarige] als jong-meerderjarige

De rechtbank wijst beide ouders en [minderjarige] er tenslotte voor de goede orde op dat [minderjarige] vanaf haar 18de verjaardag tot haar 21ste verjaardag zo nodig zelf een bijdrage naar ieders draagkracht aan haar beide ouders zal moeten verzoeken voor haar kosten van levensonderhoud en studie, indien en voor zover [minderjarige] daarin dan zelf nog niet zal kunnen voorzien.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissingen

De rechtbank, met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van
6 maart 2015 en de daarin vastgelegde overeenkomst van beide ouders van 30 januari 2015:

bepaalt dat de vader in de periode van 1 maart 2019 tot [datum] 2019 aan de moeder nog een kinderalimentatie van € 25,- per maand zal moeten betalen voor hun dan nog minderjarige dochter [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2001 te Den Haag, maandelijks telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere procespartij de eigen proceskosten moet dragen;

wijst af al het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door de kinderrechter mr. H. Wien in tegenwoordigheid van de griffier drs. R.W. Timmers, en uitgesproken ter openbare zitting van 11 februari 2019.