Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:1147

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-02-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
C/09/530394 / FA RK 17-2705, C/09/558900 / FA RK 18-6227
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen. 1) Bijdrage jong-meerderjarige dochter: de rechtbank heeft - in het belang van de jong-meerderjarige - meer toegewezen dan de vrouw namens de jong-meerderjarige heeft verzocht. 2) Partneralimentatie 3) Verdeling huwelijksgoederengemeenschap 4) Pensioenverevening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummers: FA RK 17-2705 (echtscheiding) en FA RK 18-6227 (verdeling)

Zaaknummers: C/09/530394 (echtscheiding) en C/09/558900 (verdeling)

Datum beschikking: 1 februari 2019

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 5 april 2018 ingekomen verzoek van:

[X]

volgens de huwelijksakte: [X]

de vrouw,

wonende te [woonplaats ] ,

advocaat: eerst mr. S. Imdahl te Dordrecht, nu mr. K.E.H. Rueb-Braakman te Leiden.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[Y] ,

de man,

wonende te [woonplaats ]

advocaat: mr. K. Moene te ‘s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief van 20 april 2017, met bijlage, van de zijde van de vrouw;

  • -

    het verweerschrift tevens inhoudende zelfstandige verzoeken van 26 juli 2017, met bijlage, van de zijde van de man;

- het F9-formulier van 8 augustus 2017, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- de brief van 18 oktober 2017 van de zijde van de vrouw;

- het F9-formulier van 19 oktober van de zijde van de man;

- het faxbericht van 29 januari 2018 van de zijde van de vrouw;

- het verweer tegen de zelfstandige verzoeken, tevens inhoudende aanvullende verzoeken van 21 maart 2018, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- het F9-formulier van 15 mei 2018, met bijlage, van de zijde van de vrouw;

- het F9-formulier van 16 mei 2018, met de machtiging van de jong-meerderjarige als bijlage, van de zijde van de vrouw;

- het verweer tegen de aanvullende verzoeken van 29 mei 2018, met bijlagen, van de zijde van de man;

- de brief van 29 november 2018, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- het F9-formulier van 29 november 2018, tevens inhoudende aanvullende verzoeken, met bijlagen, van de zijde van de man;

- het F9-formulier van 30 november 2018, met bijlage, van de zijde van de vrouw;

- de brief van 3 december 2018, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- het F9-formulier van 4 december 2018, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- het F9-formulier van 4 december 2018, met bijlage, van de zijde van de man;

- het F9-formulier van 7 december 2018, met bijlage, van de zijde van de vrouw;

- het F9-formulier van 10 december 2018, met bijlage, van de zijde van de vrouw.

Op 13 december 2018 is de zaak ter zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaten. Van de zijde van de vrouw zijn tijdens de zitting pleitnotities overgelegd. Hiernaast is tijdens de zitting een ‘overeenkomst rechtskeuze partneralimentatie’ door de man en de vrouw ondertekend en overgelegd.

De rechtbank heeft de man en de vrouw in de gelegenheid gesteld om na de zitting nader overleg te voeren over de waarde van de woning in Finland en de verdeling van de inboedel. Uit de na de zitting ontvangen stukken – het F9-formulier van 20 december 2018 van de zijde van de vrouw en het F9-formulier van 21 december 2018 van de zijde van de man – blijkt dat het partijen niet is gelukt om afspraken te maken.

Feiten

- De man en de vrouw zijn gehuwd op [datum] 1999 te Zweden.

- Zij zijn de ouders van de jong-meerderjarige [jongminderjarige] , geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] (hierna: [jongminderjarige] ).

- [jongminderjarige] woont en studeert in [plaatsnaam] , Schotland.

- De man is ook vader van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2017 te [geboorteplaats] , Filippijnen.

- De vrouw is ook moeder van twee meerderjarige dochters uit een eerder huwelijk.

- Blijkens de uittreksels uit het systeem ingevolge de Wet basisregistratie personen heeft de man de Nederlandse nationaliteit en heeft de vrouw de Finse nationaliteit.

- Deze rechtbank heeft op 2 februari 2018 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover nu van belang inhoudende dat – conform het verzoek van de vrouw, waartegen de man geen verweer heeft gevoerd – :

- de man voorlopig zal verstrekken voor het levensonderhoud van de vrouw

van 1 januari 2017 tot 1 augustus 2018 € 8.845,-- per maand, en

per 1 augustus 2018 € 7.561,-- per maand , telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- de man voorlopig zal verstrekken voor de verzorging en opvoeding van [jongminderjarige] geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] , per 1 januari 2017 € 500,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Verzoek en verweer

Het verzoek zoals dat thans luidt strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:

- bepaling dat de man een bijdrage zal voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongminderjarige] van € 1.000,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van

€ 10.000,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, te vermeerderen met het wettelijk index percentage, van toepassing te rekenen vanaf de datum van indiening van het onderhavige verzoekschrift;

- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap bij helfte, conform

het nog door de vrouw te concretiseren verzoek;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De man voert verweer tegen de door de vrouw verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna zal worden besproken.

Tevens heeft de man thans nog zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met een nevenvoorziening tot:

- vaststelling van de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform

het voorstel van de man;

- bepaling dat de vrouw op grond van artikel 843a Rv gehouden is om binnen twee dagen na de door de rechtbank in deze te wijzen (tussen)beschikking aan de rechtbank en aan de man de navolgende stukken te verstrekken:

o stukken waaruit het saldo per peildatum blijkt van de door of (mede) namens de vrouw aangehouden bankrekeningen in Finland, Maleisië en Nederland;

o stukken waaruit blijkt wat tot de nalatenschap van de moeder van de vrouw behoort en – voor het geval dat de vrouw meent dat de nalatenschap niet tot de gemeenschap behoort – een officiële vertaling en legalisering van de van belang zijnde Finse documenten waaruit zou moeten blijken dat de nalatenschap niet tot de gemeenschap behoort;

- bepaling dat de man – conform bijlage 17 – na verrekening van de kosten over 2017 en 2018 met de verdeling van de saldi op de bankrekeningen en de Aegon lijfrente, aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 3.867,- terwijl de schulden aan partijen ieder bij helfte worden toegerekend;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert verweer tegen de door de man verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de man ten tijde van de indiening van het verzoekschrift zijn gewone verblijfplaats in Nederland had, hij hier ten minste zes maanden onmiddellijk daaraan voorafgaand zijn verblijfplaats had en de Nederlandse nationaliteit bezit, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal krachtens artikel 10:56 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.

Ontvankelijkheid

Nu aan de wettelijke formaliteiten is voldaan zal de rechtbank de man en de vrouw ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.

Inhoudelijke beoordeling

De door de vrouw gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is door de man erkend en staat daarmee dus vast. De rechtbank zal de hierop steunende verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond toewijzen.

Bijdrage [jongminderjarige]

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de man – de onderhoudsplichtige – in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek. De rechtbank zal op grond van artikel 4 lid 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

[jongminderjarige] heeft haar moeder gemachtigd om haar belangen te behartigen in deze procedure. De

vrouw heeft bij het verzoekschrift namens [jongminderjarige] een bijdrage verzocht van € 1.000,- per maand, te vermeerderen met de helft van aan de studie van [jongminderjarige] gerelateerde kosten. Volgens de vrouw heeft [jongminderjarige] nadien aangegeven dat zij de in de beschikking vast te stellen

bijdrage wil beperken tot enkel het bedrag van € 1.000,- per maand. [jongminderjarige] verwacht/hoopt dat de man en de vrouw de meerkosten van studie en levensonderhoud boven voornoemd bedrag van € 1.000,- per maand beiden uit hun eigen financiële inkomensruimte en/of uit vermogen zullen voldoen, aldus de vrouw. Gelet hierop heeft de vrouw het verzoek gewijzigd en verzoekt zij nu namens [jongminderjarige] om te bepalen dat de man een bijdrage aan [jongminderjarige] zal voldoen van € 1.000,- per maand.

De man voert verweer tegen het door de vrouw namens [jongminderjarige] verzochte bedrag. De man heeft aangegeven dat hij bereid is om bij te (blijven) dragen in de kosten van studie en levensonderhoud van [jongminderjarige] tot een bedrag van in totaal € 1.835,- per maand. De man verzoekt de rechtbank om dat bedrag als maandelijkse bijdrage vast te stellen.

De rechtbank heeft – gelet op de hiervoor beschreven situatie en nu een behoeftelijstje of enige andere onderbouwing van de behoefte van [jongminderjarige] ontbreekt – tijdens de zitting met de ouders gesproken over de kosten die [jongminderjarige] heeft, om zo meer inzicht te krijgen in de daadwerkelijke behoefte van [jongminderjarige] . De door de man en de vrouw ter zitting genoemde kostenposten zijn nagenoeg gelijk. Zo heeft de vrouw gesteld dat de kosten van [jongminderjarige] volgens haar onder andere bestaan uit: de huur van ongeveer € 600,- per maand, het collegegeld van € 2.000 per jaar, en ‘leefgeld’ van € 1.000,- per maand. Dit komt neer op in ieder geval een bedrag van afgerond € 1.770,-- per maand. De man heeft gesteld dat de kosten voor [jongminderjarige] – zonder rekening te houden met incidentele uitgaven van vestiging en de aanschaf van een telefoon – bestaan uit: alimentatie van € 1.000,- per maand, student fee University [plaatsnaam] van € 2.082,- per jaar, studenten accommodatie van € 6.240,- per jaar en vakantiegeld van € 2.500,- per jaar. Dit komt neer op een bedrag van afgerond € 1.900,- per maand. De rechtbank stelt de behoefte van [jongminderjarige] , gelet op de stellingen van beide partijen, vast op gemiddeld € 1.835,- per maand.

De man en de vrouw moeten als ouders naar rato van hun draagkracht een bijdrage leveren in deze kosten. Nu de man echter aanbiedt om een bijdrage te betalen van € 1.835,- per maand en de vrouw – naast partneralimentatie – zoals hierna zal worden overwogen, (nagenoeg) geen (structureel en/of substantieel) eigen inkomen heeft om bij te dragen in de kosten van [jongminderjarige] , zal de rechtbank bepalen dat de man € 1.835,- per maand aan [jongminderjarige] zal betalen als bijdrage in haar kosten van levensonderhoud en studie. De rechtbank wijst – in het belang van [jongminderjarige] – dus meer toe dan de vrouw namens [jongminderjarige] heeft verzocht. Zij acht het niet in het belang van [jongminderjarige] dat zij voor bijna de helft van haar behoefte afhankelijk is van een niet in rechte vastgestelde, vrijwillige bijdrage van beide ouders.

Partneralimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de man – de onderhoudsplichtige – in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek.

Op het verzoek tot partneralimentatie zal de rechtbank op grond van artikel 8 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, conform de afspraak tussen partijen, Nederlands recht toepassen. De door partijen hiertoe op 13 december 2018 ondertekende overeenkomst zal de rechtbank aan deze beschikking hechten.

Inhoudelijke beoordeling

Behoefte en behoeftigheid vrouw

De vrouw heeft haar huwelijksgerelateerde behoefte aan de hand van een behoeftelijst gesteld op € 10.000,- netto per maand.

De man heeft de door de vrouw gestelde behoefte betwist. De man heeft ter zitting gesteld dat de behoefte van de vrouw maximaal € 5.000,- netto per maand bedraagt.

De rechtbank is van oordeel dat de door de vrouw gestelde behoefte in lijn is met de welstand van partijen ten tijde van het huwelijk. Vaststaat immers dat de man toen partijen nog als gezin samenwoonden in Maleisië een inkomen genoot van tussen de € 40.000,- en € 45.000,- netto per maand. De door de man gestelde behoefte van € 5.000,- netto per maand is gelet op dit inkomen niet reëel. De rechtbank zal dan ook voorbij gaan aan de stelling van de man en zal een behoefte van € 10.000,- netto per maand als uitgangspunt nemen.

Tussen de man en de vrouw is voorts in geschil of de vrouw al dan niet gedeeltelijk zelf in haar behoefte kan voorzien met inkomen uit arbeid, inkomen uit vermogen en/of inkomsten uit de verhuur van de woning in Finland.

Niet gebleken is dat de vrouw op dit moment enig inkomen uit arbeid heeft. De vrouw – die 57 jaar oud is – is in verband met de geboorte van [jongminderjarige] gestopt met werken en is hierna in 2009 samen met de man, in verband met zijn werk, geëmigreerd naar Maleisië. De vrouw heeft hierdoor de afgelopen 18 jaar geen (relevante) werkervaring opgedaan. Tegen deze achtergrond kan aan de vrouw, mede gelet op haar leeftijd, geen verdiencapaciteit worden toegerekend.

De rechtbank gaat aldus voorbij aan de stelling van de man dat de vrouw met het maken van sieraden, waar zij zich de afgelopen jaren mee bezig heeft gehouden, € 1.500,- tot € 2.000,- per maand verdient dan wel kan verdienen. De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist, stellende dat dit niet meer is (geweest) dan een hobby, waaruit zij geen (substantiële) inkomsten geniet. De rechtbank is in het licht van deze betwisting niet gebleken dat de vrouw een (substantieel en/of regelmatig) inkomen heeft of heeft gehad met het maken van sieraden, zodat deze activiteit niet tot enige verdiencapaciteit kan leiden.

De rechtbank zal voorts aan de zijde van de vrouw geen rekening houden met eventueel rendement uit vermogen. De vrouw heeft weliswaar een erfenis van haar ouders van ongeveer € 100.000,- ontvangen, doch een eventueel redelijkerwijs te verwachten rendement hierop zal nagenoeg geen invloed hebben op de behoeftigheid van de vrouw.

De rechtbank ziet tot slot geen aanleiding om rekening te houden met mogelijke inkomsten uit verhuur van de woning in Finland. Het is immers nog niet duidelijk of de vrouw na de echtscheiding in staat zal zijn om deze woning over te nemen. Mocht de vrouw hiertoe in staat zijn, dan bestaat de mogelijkheid dat de vrouw, zoals zij heeft aangegeven, zelf in deze woning gaat wonen, in plaats van deze te verhuren aan derden.

Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van de man dat de vrouw geacht moet worden een inkomen van € 2.000,- netto per maand te genereren. De rechtbank concludeert dat de vrouw onverminderd behoefte heeft aan een bijdrage van de man. De rechtbank zal hierna beoordelen in hoeverre de man in staat is om een bijdrage te leveren in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

Draagkracht man

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man uit van de door hem overgelegde salarisspecificaties over de maanden maart tot en met november 2018, waaruit een inkomen blijkt van € 18.333,- bruto per maand. Hiernaast ontvangt de man een vergoeding ZKV VGZ, een 13e maand uitkering en vakantiegeld. De rechtbank gaat ervanuit dat de man in 2019 een soortgelijk inkomen zal ontvangen, nu niets anders is gesteld of gebleken.

De rechtbank is niet gebleken dat de man hiernaast inkomsten heeft uit nevenwerkzaamheden. De rechtbank zal dan ook voorbij gaan aan deze – door de man gemotiveerd betwiste – stelling van de vrouw.

De rechtbank berekent het netto besteedbaar inkomen van de man – rekening houdend met de premie ANW-hiaat – op € 11.210,- per maand.

De rechtbank neemt de volgende niet, dan wel onvoldoende, betwiste maandelijkse lasten in aanmerking:

- huur € 3.009,-

- ziektekostenpremie € 140,-

- verplicht eigen risico € 32,-

- bijdrage [minderjarige] € 430,-

- bijdrage [jongminderjarige] € 1.835,-

De rechtbank zal het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel van de premie ZVW van

€ 35,- per maand en een ‘gemiddelde basishuur’ van € 226,- per maand in mindering op respectievelijk de ziekte- en de woonkosten brengen.

Voor de man geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 1.026,- per maand en een draagkrachtpercentage van 60%.

Gezien het voorgaande en gelet op de fiscale gevolgen is de rechtbank van oordeel dat de huidige draagkracht van de man ruimte laat tot het vaststellen van een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw van € 4.337,- bruto per maand.

Jusvergelijking

De rechtbank begrijpt uit de stellingen van partijen dat de vrouw over het bedrag dat zij als partneralimentatie zal ontvangen – nu zij op dit moment in Maleisië woont – geen belasting hoeft te betalen. De door de vrouw te ontvangen partneralimentatie is voor haar momenteel dus een netto bedrag. De rechtbank heeft door het maken van een jusvergelijking bekeken of door de betaling van de partneralimentatie de vrouw in deze situatie uiteindelijk niet meer vrije bestedingsruimte zal overhouden dan de man. De rechtbank komt tot het oordeel dat bij een betaling van een bruto partneralimentatie door de man van € 4.337,- per maand – waartoe de man de draagkracht heeft – de vrouw geen grotere vrije bestedingsruimte zal hebben dan de man. De rechtbank acht deze uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw dan ook redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

Ingangsdatum

Op grond van artikel 1:157 BW treedt de verplichting tot het verschaffen van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw niet eerder in dan op de dag van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank ziet geen aanleiding om – zoals de vrouw verzoekt – de ingangsdatum te bepalen op de datum van indiening van het verzoekschrift.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een bedrag aan partneralimentatie van € 4.337,- bruto per maand aan de vrouw dient te voldoen.

De man en de vrouw hebben in het kader van de partneralimentatie voorts tijdens de zitting afspraken gemaakt over (de verdeling van) de door de man te ontvangen bonussen. De man zal vanaf de datum dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op het moment dat hij een incidentele of structurele bonus ontvangt de salarisspecificatie waarop de bonus staat vermeld alsmede de jaaropgave over dat jaar aan de vrouw doen toekomen. Voorts zal de man uiterlijk op 31 december van het betreffende jaar de helft van de bruto bonus aan de vrouw voldoen. De rechtbank zal deze afspraak hierna ook opnemen in het dictum van deze beschikking.

Het meer of anders verzochte ten aanzien van de partneralimentatie zal de rechtbank afwijzen.

Aanhechten berekening

De door de rechtbank gemaakte berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Verdeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek over de afwikkeling van het huwelijksvermogen.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het toepasselijk recht uit van het volgende. Nu de echtgenoten op [huwelijksdag] 1999 met elkaar zijn gehuwd, is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing op het huwelijksvermogensregime. Niet is gebleken dat de echtgenoten vóór het huwelijk een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht. Ten tijde van de huwelijkssluiting had de man de Nederlandse nationaliteit en de vrouw had de Finse nationaliteit. De echtgenoten woonden ten tijde van het huwelijk in Nederland en zijn na de huwelijkssluiting in Nederland blijven wonen. Gelet op het voorgaande is op grond van artikel 4 lid 1 van het Verdrag Nederlands recht van toepassing. Nadien heeft zich geen situatie voorgedaan zoals omschreven in artikel 7 van het Verdrag. Het Nederlands recht is dus nog steeds van toepassing op het huwelijksvermogensregime.

Inhoudelijke beoordeling

Nu partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, moet worden aangenomen dat tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestaat. Als uitgangspunt geldt dat de ontbonden huwelijksgemeenschap bij helfte tussen hen wordt verdeeld (artikel 1:100 BW, zoals dat gold tot 1 januari 2018).

Peildatum

De rechtbank overweegt dat voor de omvang en de samenstelling van de gemeenschap als peildatum 5 april 2017, de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding, geldt. Als peildatum voor de waardering geldt in het beginsel de datum van feitelijke verdeling, tenzij partijen in onderling overleg daarvan afwijken of op basis van de redelijkheid en billijkheid daarvan dient te worden afgeweken.

Omvang

De man en de vrouw hebben de volgende vermogensbestanddelen opgevoerd:

  1. woning in Finland;

  2. woning in de Verenigde Staten van Amerika;

  3. Aegon lijfrenteverzekering;

  4. beleggingsrekeningen Rabobank ( [nr. 1] en [nr. 2] );

  5. beleggingsrekeningen UBS in Zwitserland;

  6. aandelen CIMB Investment Bank;

  7. Futura Medical Shares;

  8. opties Bluewater;

  9. bank- en spaarrekeningen;

  10. grijze Land Rover Discovery IV;

  11. groene Land Rover Discovery IV;

  12. auto in Finland;

  13. boot ( [B] 2006);

  14. inboedel;

  15. huisdieren;

  16. vordering op een vriend van de man;

  17. retour ontvangen borg woning in Maleisië;

  18. nalatenschap van de moeder van de vrouw.

Hiernaast hebben zij gesteld dat de volgende schulden in de gemeenschap vallen:

hypothecaire lening Danske Bank Finland ( [nr. 3] );

creditcard schulden.

Woning in Finland

Tussen de man en de vrouw is niet in geschil dat de woning in Finland – indien de vrouw deze woning kan financieren – aan de vrouw wordt toegedeeld.

Nu tussen partijen geen overeenstemming bestaat over de waarde van de woning zal de rechtbank het volgende bepalen. De woning dient binnen één maand na de datum van deze beschikking te worden getaxeerd door een onafhankelijke makelaar gelegen binnen een straal van 50 kilometer van de woning. De vrouw dient hiertoe drie makelaars voor te stellen aan de man, waaruit de man één makelaar zal kiezen die de taxatie zal uitvoeren. De vrouw zal vervolgens de opdracht tot taxatie geven. De kosten van de taxatie zullen door partijen gezamenlijk worden gedragen. De vrouw krijgt vervolgens drie maanden de tijd om na te gaan of zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan financieren.

Indien de vrouw het aandeel van de man in de woning kan overnemen, dan wordt de woning toegedeeld aan de vrouw en dient de vrouw de helft van de waarde van de woning aan de man te voldoen.

De rechtbank zal voorts bepalen dat, mocht de vrouw niet binnen de gestelde termijn kunnen aantonen dat zij de woning kan overnemen, de woning moet worden verkocht. In dat geval dienen partijen gezamenlijk een opdracht tot verkoop te verstrekken aan een door hen uitgekozen makelaar. De vrouw dient daartoe dan binnen een maand na verloop van de gestelde termijn drie makelaars voor te stellen aan de man, waaruit de man één makelaar zal kiezen. Bij verkoop en levering van de woning aan een derde zijn partijen ieder voor de helft gerechtigd tot de overwaarde (te weten de verkoopopbrengst minus de kosten).

Woning in de Verenigde Staten van Amerika

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de man onroerend goed bezit in de Verenigde Staten van Amerika. Het e-mailbericht dat door de vrouw is overgelegd, waaruit volgens de vrouw blijkt dat de man op 28 november 2016 contact zoekt met Home Buyer Philadelphia voor juridische ondersteuning in verband met de aankoop van een woning, is naar het oordeel van de rechtbank – mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de man – onvoldoende om tot deze conclusie te komen. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de stelling van de vrouw dat de man een woning heeft in de Verenigde Staten van Amerika.

Aegon lijfrenteverzekering

Uit de door de man overgelegde brief van 8 oktober 2018 blijkt dat de lijfrenteverzekering ( [nr. 4] inmiddels is uitgekeerd. De man en de vrouw zijn het erover eens dat zij het bedrag van € 13.689,64 bij helfte zullen delen. De rechtbank zal aldus beslissen.

Beleggingsrekeningen Rabobank

De man en de vrouw zijn tijdens de zitting overeengekomen dat zij de beleggingsrekeningen bij de Rabobank zullen splitsen. De rechtbank zal bepalen dat partijen moeten overgaan tot splitsing van de beleggingsrekeningen bij helfte, waartoe zij een (gezamenlijk) verzoek zullen richten tot de Rabobank. De beleggingsrekeningen kunnen hierna door partijen ieder voor zijn/haar deel afzonderlijk worden voortgezet. De rechtbank zal hierbij bepalen dat partijen de mogelijke kosten ieder voor de helft moeten dragen.

Beleggingsrekeningen UBS in Zwitserland

De man heeft onweersproken gesteld dat de beleggingsrekeningen bij UBS in 2016 zijn opgeheven. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat deze vermogensbestanddelen op de peildatum niet meer bestonden en zal deze dus niet in de verdeling betrekken.

Aandelen CIMB Investment Bank

De man en de vrouw hebben beiden aangegeven dat zij deze aandelenportefeuille inmiddels hebben gesplitst. De rechtbank behoeft op dit punt dan ook geen beslissing meer te nemen.

Futura Medical Shares

De man en de vrouw zijn tijdens de zitting overeengekomen dat zij de aandelen ‘Futura Medical Shares’ zullen splitsen. De rechtbank zal bepalen dat partijen moeten overgaan tot splitsing van deze aandelen bij helfte, waarbij partijen de mogelijke kosten ieder voor de helft moeten dragen.

Opties Bluewater

Niet gebleken is dat, zoals de vrouw stelt, de man opties bij Bluewater heeft die in de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap moeten worden betrokken.

Bank- en spaarrekeningen

De rechtbank zal bepalen dat de man de op zijn naam staande bankrekening bij de Rabobank ( [nr. 5] , bankrekening bij de ING ( [nr. 8] ) en spaarrekening bij de ING ( [nr. 6] zal behouden en dat de vrouw de op haar naam staande bankrekening bij Danske Bank ( [nr. 7] ) zal behouden. De saldi van voornoemde rekeningen zullen partijen per 1 januari 2017 bij helfte delen. De rechtbank volgt partijen ten aanzien van deze rekeningen voor wat betreft de te hanteren peildatum voor de waardering.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de rekeningen HSBC Premier Account [acc.nr. 1] en Danske Saastotili savings account ( [acc.nr. 2] ) en de ter zake te hanteren peildatum voor de waardering als volgt. De rechtbank is gebleken dat partijen over (het gebruik van) deze rekeningen door de vrouw voor onder andere gezamenlijke doorlopende kosten en voor voldoening van voorlopige alimentatie in overleg zijn getreden. Het is voor de rechtbank niet duidelijk geworden wat partijen hebben afgesproken, nu partijen van mening verschillen over de inhoud van de gestelde afspraken. Vaststaat echter dat, ook na de door partijen gekozen peildatum van 1 januari 2017, van deze rekeningen nog gezamenlijke kosten en schulden zijn voldaan. Dit geldt in het bijzonder voor de aflossing met € 45.238,48 van de hypotheek op de woning in Finland.

Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat de keuze van partijen voor de peildatum van 1 januari 2017 voor wat betreft deze rekeningen onlosmakelijk samenhangt met hun afspraken omtrent de voldoening van de gezamenlijke kosten van deze rekeningen, onder enige vorm van verdiscontering van de voorlopige alimentatieverplichting van de man. De rechtbank stelt voorts vast dat partijen een zodanig afwijkend beeld van de inhoud van deze afspraken hadden, dat in wezen geen overeenstemming tussen partijen bestond over de gevolgen van de keuze voor deze peildatum. Dit alles in onderling samenhang bezien, gaat de rechtbank voorbij aan de door partijen voorgestelde peildatum. Gelet hierop zal de rechtbank in redelijkheid een peildatum voor de waardering van deze rekeningen bepalen.

Nu – zoals de vrouw onweersproken stelt – de man de voorlopige alimentatie voor het eerst daadwerkelijk heeft voldaan per 1 januari 2018, en er dus vanuit moet worden gegaan dat de huishoudkosten van de vrouw niet langer van deze rekeningen werden voldaan, en de rekeningen derhalve niet langer (mede) als voorgeschoten alimentatie, maar als te verdelen vermogen kunnen worden beschouwd, zal de rechtbank voor de rekeningen HSBC Premier Account [acc.nr. 1] en Danske Saastotili savings account ( [acc.nr. 2] ) 1 januari 2018 als uitgangspunt nemen. De rechtbank zal bepalen dat partijen de saldi van deze rekeningen per 1 januari 2018 bij helfte moeten delen, waarna deze rekeningen door de vrouw worden voortgezet. De man zal hierbij – indien nodig – zijn medewerking moeten verlenen aan het wijzigen van de tenaamstelling van deze bankrekeningen.

Grijze Land Rover Discovery IV

Gebleken is dat de vrouw de grijze Land Rover Discovery IV inmiddels heeft verkocht. De vrouw heeft hiervoor een bedrag van € 27.877,- ontvangen. Nu de man en de vrouw beiden recht hebben op de helft van de verkoopopbrengst, zal de rechtbank bepalen dat partijen de verkoopopbrengst bij helfte moeten delen in die zin dat de vrouw € 13.938,50 aan de man moet betalen.

Groene Land Rover Discovery IV

De groene Land Rover Discovery IV zal overeenkomstig de afspraak tussen partijen aan de vrouw worden toegedeeld tegen een waarde van € 25.000,-. De vrouw zal wegens overbedeling de helft van dit bedrag aan de man moeten betalen.

Auto in Finland

Niet is gebleken dat partijen een auto in Finland hebben die in de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap moet worden betrokken.

Boot

Gebleken is dat de boot te koop staat. De rechtbank zal bepalen dat de man en de vrouw beiden gerechtigd zijn tot de helft van de verkoopopbrengst.

Inboedel

In de huwelijksgemeenschap valt de inboedel van de woning in [K] inboedel opgeslagen in een container in [K] de inboedel van de woning in Finland en de inboedel van de woning in [L] .

De rechtbank is van oordeel dat beide partijen onvoldoende hebben onderbouwd dat de ander is overbedeeld met hetgeen hij/zij momenteel aan inboedelgoederen onder zich heeft. De rechtbank heeft onvoldoende informatie verkregen over de omvang en de waarde van de inboedels om deze op een andere wijze te verdelen dan thans de feitelijke situatie is. Dit betekent dat de rechtbank de inboedel in [K] zal toedelen aan de vrouw en de inboedel in [L] zal toedelen aan de man. De inboedel die aanwezig is in de woning in Finland zal de rechtbank ook toedelen aan de vrouw. De rechtbank zal hierbij ook opnemen dat persoonlijke goederen van de man die nog aanwezig zijn in Maleisië of Finland door de vrouw aan de man moeten worden afgegeven.

Huisdieren

De rechtbank zal de twee honden en de twee katten aan de vrouw toedelen. De rechtbank gaat er vanuit dat de vrouw hierdoor niet is overbedeeld ten opzichte van de man.

Borg

De man heeft tijdens de zitting onweersproken gesteld dat de door de vrouw, na de peildatum, retour ontvangen borg van de woning in Maleisië in de gemeenschap van goederen valt. De rechtbank zal dit bedrag dan ook betrekken in de verdeling en bepalen dat partijen dit bij helfte dienen te delen. De vrouw dient de man inzicht te geven in de hoogte van het door haar ontvangen bedrag.

Vordering

Tussen partijen is niet in geschil dat de vordering van € 5.000,- die de man op een vriend heeft in de huwelijksgoederengemeenschap valt en dat deze vordering aan de man zal worden toegedeeld. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen en bepalen dat de vordering wordt toegedeeld aan de man. Dit betekent dat de man gerechtigd is om deze vordering op te eisen en hij zal wegens overbedeling de helft van dit bedrag aan de vrouw moeten betalen.

Nalatenschap

De man en de vrouw twisten over de vraag of de nalatenschap van de moeder van de vrouw in de gemeenschap van goederen is gevallen.

De rechtbank is van oordeel dat de nalatenschap van de moeder van de vrouw op grond van artikel 1:94 lid 2 onder a BW (zoals dat gold vóór 1 januari 2018) niet in de gemeenschap van goederen valt, nu zij dit onder uitsluitingsclausule heeft verkregen. Dit blijkt uit de door de vrouw overgelegde (vanuit het Fins naar het Nederlands vertaalde) testamentbepaling waarin is opgenomen: ‘De echtgenoten van onze erfgenamen en hun nakomelingen hebben geen recht op het vermogen dat op basis van dit testament is verkregen.’ De rechtbank merkt hierbij op dat niet is gebleken van (voldoende) feiten en omstandigheden om te concluderen dat – zoals de man tijdens de zitting heeft gesteld – het testament mogelijk niet rechtsgeldig is. De rechtbank zal gelet op het voorgaande de nalatenschap niet betrekken bij de verdeling. Nu door de vrouw onbestreden is gesteld dat zij de nalatenschap heeft gestort op een rekening bij de Finse bank ‘Tilisopimus’, en niet is gesteld of gebleken dat gelden van deze rekening aan de gemeenschap ten goede zijn gekomen, zal de rechtbank deze rekening met het daarop aanwezige saldo, als vallend buiten de gemeenschap, verder buiten beschouwing laten.

Hypothecaire lening

De man en de vrouw hebben beiden gesteld dat de hypothecaire geldlening bij de Danske Bank in Finland ( [nr. 3] ) door hen in 2017 geheel is afgelost. De rechtbank hoeft op dit punt dan ook geen beslissing meer te nemen.

Creditcard schulden

Partijen hebben gesteld dat er een drietal creditcardschulden in de gemeenschap vallen, te weten een schuld van MYR 22.939,- (HSBC Premier Account), een schuld van MYR 587,50 (HSBC Visa) en een schuld van € 4.924,33 (platinum card ING).

De rechtbank overweegt dat schulden niet in aanmerking komen voor verdeling omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex)echtgenoten tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW. In de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten geldt op grond van artikel 1:100 BW het volgende. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze schulden door beide (ex)echtgenoten voor een gelijk deel gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval van deze interne draagplicht af te wijken. Als één van de (ex)echtgenoten vervolgens wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, dan heeft hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW een regresrecht op de andere (ex)echtgenoot. Kort gezegd komt het erop neer dat partijen uiteindelijk ieder de helft van de schulden moeten betalen.

De rechtbank zal aldus beslissen.

Hetgeen meer of anders is verzocht in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap zal de rechtbank afwijzen.

De rechtbank zal – nu zij een eindbeschikking geeft en geen aanleiding ziet voor het opvragen van nadere stukken – ook het verzoek van de man tot afgifte van nadere stukken (op grond van artikel 843a Rv) afwijzen.

Overig

De vrouw heeft in haar brief en stukken ingebracht op 3 december 2018 een groot aantal gezamenlijke kosten opgevoerd waarvoor partijen, zo stelt zij, na de door partijen gekozen peildatum van 1 januari 2017 gezamenlijk aansprakelijk zijn. De vrouw heeft in de door haar op 10 december 2018 overgelegde productie 5 een overzicht gemaakt van deze kosten. De vrouw heeft tijdens de zitting desgevraagd gesteld dat de grondslag van haar vordering gelegen is in a) de door partijen overeengekomen afwijkende peildatum van 1 januari 2017, dan wel b) de door partijen gemaakte afspraken over de kosten of c) dat sprake is van een vergoedingsrecht.

De man maakt bezwaar tegen hetgeen de vrouw stelt. De man heeft op zijn beurt – in het kader van de verdeling – verzocht om na verrekening van de kosten over 2017 en 2018 met de verdeling van de saldi op de bankrekeningen en de Aegon lijfrente te bepalen dat de man nog gehouden is om € 3.867,- aan de vrouw te voldoen.

De rechtbank stelt voorop dat de vrouw geen concreet verzoek heeft gedaan met betrekking tot de door haar opgevoerde kosten. Voor zover de vrouw een verzoek doet op dit punt overweegt de rechtbank als volgt. De vrouw baseert haar vordering(en) in de eerste plaats op volgens haar tussen partijen gemaakte (deel)afspraken. Nu gebleken is dat partijen van mening verschillen over de inhoud van deze afspraken, en daarmee ook niet zonder meer van de door partijen voorgestelde peildatum kan worden uitgegaan, is de rechtbank van oordeel dat zij niet op basis hiervan een beslissing kan nemen. Voor zover de vrouw bedoelt te stellen dat sprake is van een, niet nader omschreven, vergoedingsrecht, kan dit evenmin tot toewijzing van enige betaling door de man aan de vrouw leiden, nu gesteld noch gebleken is dat een vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden tussen de privévermogens van de echtgenoten. Nu naar het oordeel van de rechtbank een juridische grondslag voor de door de vrouw gestelde vordering(en) ontbreekt, zal de rechtbank voorbij gaan aan de stellingen van de vrouw en – voor zover zij een verzoek doet op dit punt – dit verzoek afwijzen.

De rechtbank zal ook het door de man in dit kader geformuleerde verzoek afwijzen, nu ook daartoe een juridische grondslag ontbreekt.

Pensioenverevening

De rechtbank begrijpt uit de brief van 3 december 2018 dat de vrouw beoogt dat de rechtbank bepaalt dat de man en de vrouw moeten overgaan tot de wettelijke pensioenverevening. Nu de man geen verweer heeft gevoerd op dit punt, begrijpt de rechtbank hieruit dat de man er geen bezwaar tegen heeft dat partijen zullen overgaan tot pensioenverevening. De rechtbank zal daarom bepalen dat partijen moeten overgaan tot de wettelijke pensioenverevening zoals bepaald in artikel 1:155 BW en in de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. De rechtbank gaat ervanuit dat partijen hiertoe de relevante gegevens over en weer zullen uitwisselen.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen de man en de vrouw, gehuwd op [huwelijksdag] 1999 te Zweden;

*

bepaalt dat de man met ingang van heden voor de kosten van levensonderhoud en studie aan [jongminderjarige] , geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] , zal betalen een bedrag van € 1.835,- per maand;

*

bepaalt dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 4.337,- bruto per maand;

*

bepaalt – conform de afspraak tussen partijen – dat de man, in het kader van de door hem aan de vrouw te betalen partneralimentatie, vanaf de datum waarop de echtscheidings-beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, op het moment dat hij een incidentele of structurele bonus ontvangt de salarisspecificatie waarop de bonus staat vermeld alsmede de jaaropgave over dat jaar aan de vrouw doet toekomen én dat de man uiterlijk op 31 december van het betreffende jaar de helft van de bruto bonus aan de vrouw zal voldoen;

*

bepaalt ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van de man en de vrouw – onder voorwaarde van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand – het volgende:

1. de woning in Finland ( [adres] [plaastsnaam] ) wordt – na taxatie van de woning op de in het lichaam van deze beschikking vermelde wijze – tegen de getaxeerde waarde toegedeeld aan de vrouw, onder de voorwaarde dat zij binnen vier maanden na de datum van deze beschikking aan de man aantoont dat zij in staat is de (financiering ten behoeve van de) volledige eigendom van deze woning te verkrijgen, waarbij geldt dat de vrouw dan de helft van de waarde van de woning aan de man dient te voldoen;

indien niet binnen de genoemde termijn aan voornoemde voorwaarde kan worden voldaan, dient de woning te worden verkocht en geleverd aan een derde waarna partijen vervolgens ieder voor de helft gerechtigd zijn tot de netto opbrengst (te weten de verkoopopbrengst minus de kosten);

2. de man en de vrouw zullen het uitgekeerde bedrag van de Aegon lijfrente-verzekering ( [nr. 4] van € 13.689,64 bij helfte delen;

3. de beleggingsrekeningen bij de Rabobank ( [nr. 1] en [nr. 2] ) komen aan partijen ieder voor de helft toe in die zin dat partijen zullen overgaan tot splitsing van de beleggingsrekeningen bij helfte, waartoe zij een (gezamenlijk) verzoek tot splitsing zullen richten tot de Rabobank, waarna de beleggings-rekeningen door partijen ieder voor zijn/haar deel afzonderlijk zullen worden voortgezet;

de mogelijke kosten van de splitsing worden door partijen, ieder voor de helft, gedragen;

4. de aandelen ‘Futura Medical Shares’ zullen door partijen worden gesplitst bij helfte, waarbij de mogelijke kosten van de splitsing door partijen ieder voor de helft worden gedragen;

5. aan de man worden toegedeeld de op zijn naam staande bankrekening bij de Rabobank ( [nr. 5] , de bankrekening bij de ING ( [nr. 8] ) en de spaarrekening bij de ING ( [nr. 6] en aan de vrouw wordt toegedeeld de op haar naam staande bankrekening bij Danske Bank ( [nr. 7] ), onder de verplichting van de man en de vrouw om de saldi per 1 januari 2017 bij helfte delen;

6. partijen zullen het saldo van de rekeningen HSBC Premier Account [acc.nr. 1] en Danske Saastotili savings account ( [acc.nr. 2] ) per 1 januari 2018 bij helfte delen, waarna de vrouw deze bankrekeningen – na wijziging van de tenaamstelling – zal voortzetten;

7. de vrouw dient de helft van de verkoopopbrengst van de grijze Land Rover Discovery IV, te weten een bedrag € 13.938,50, aan de man te voldoen;

8. de groene Land Rover Discovery IV wordt aan de vrouw toegedeeld tegen een waarde van € 25.000,-, onder de verplichting om € 12.500,- aan de man te voldoen;

9. de man en de vrouw zijn beiden gerechtigd tot de helft van de verkoopopbrengst van de boot [B] 2006;

10. de inboedel in [K] en in Finland zal – zonder verrekening van de waarde – aan de vrouw worden toegedeeld, met dien verstande dat nog aanwezige persoonlijke goederen van de man aan de man worden afgegeven;

11. de inboedel in [L] zal – zonder verrekening van de waarde – aan de man worden toegedeeld;

12. de twee honden en de twee katten worden toegedeeld aan de vrouw, zonder verrekening met de man;

13. de door de vrouw retour ontvangen borg van de woning in Maleisië zullen partijen – nadat de vrouw de man inzage heeft gegeven in de hoogte van het door haar ontvangen bedrag – bij helfte dienen te delen;

14. de vordering van € 5.000,- wordt toegedeeld aan de man, in die zin dat de man gerechtigd is om deze vordering op te eisen en hij de helft van dit bedrag aan de vrouw moet betalen;

*

bepaalt dat de man en de vrouw moeten overgaan tot de wettelijke pensioenverevening zoals bepaald in artikel 1:155 BW en in de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding;

*

verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.M. Boone, A.C. Olland en C.G. Meeder, rechters, bijgestaan door mr. M. Verkerk als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 1 februari 2019.